Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 augustus 2018
[appellant] ,
Aegon Schadeverzekering N.V.,
Het verdere verloop van het geding
Verdere beoordeling van het hoger beroep
Een e-mail van 14 december 2011 van [appellant] aan [getuige 1C (naam 1)] :
“Geachte heer [getuige 1C (naam 1)] ,
Geachte heer [getuige 1C (naam 1)] ,
(…) De omstandigheden met betrekking tot andere spoedgevallen hebben mij weerhouden van het doornemen van de stukken.U heeft zelf al aangegeven dat uw specialist er een aantal mensen op heeft gezet om de zaak goed te kunnen beoordelen en dat u van mij niet kon verlangen dit in zeer korte tijd te doen. Ik offer mijn kerstdagen aan uw zaak op, hetgeen toch blijk mag geven van een stuk inzet en betrokkenheid, laat staan een stuk vertrouwen. (…)Wij hebben de kosten voor het vervangend onderdak reeds beoordeeld en akkoord bevonden, dus u kunt het chalet regelen. Tevens is uw verzoek om een voorschot en tijdelijk onderdak in een hotel reeds ingewilligd.”
Wat betreft de door [appellant] overgelegde e-mails heeft [getuige 1C (naam 1)] verklaard dat het goed zo kan zijn gegaan dat zijn e-mail van 24 december 2011 een antwoord is op de e-mail van [appellant] van diezelfde dag, en dat hij het onderwerp van de e-mail iets heeft aangevuld. [getuige 1C (naam 1)] heeft verder verklaard dat hij de e-mail van 14 december 2011 herkent, evenals zijn eigen e-mail van 24 december 2011, en dat het mogelijk is dat hij de e-mail van 20 december 2011 ook heeft gezien. De e-mail van 16 december 2011 van [appellant] aan hem, waarin onder meer de minimale duur van de huur van het chalet van 18 maanden vermeld is, kon hij zich niet herinneren. Dat het chalet een minimale huurtermijn kende had hij pas onlangs vernomen. Toen hij het dossier doornam zag hij pas het contract van [naam 2] met daarin een minimale huurtermijn. Wat betreft het contract van [naam 2] heeft [getuige 1C (naam 1)] nog verklaard dat hij dit contract misschien eind 2011/begin 2012 ook wel heeft gezien, maar dat hij toen in ieder geval de minimale huurtermijn niet heeft opgemerkt. Volgens [getuige 1C (naam 1)] is dit toen ook niet besproken. De e-mail van [getuige 2C] van 28 februari 2012 kon hij zich wel herinneren, hij wist wel dat er zes maanden huur vooruit moest worden betaald aan [naam 2] , en ook dat de reguliere huurtermijnen moesten worden betaald. Volgens [getuige 1C (naam 1)] paste dit mooi in het plaatje zoals zij dat toen hadden dat het herstel van de woning een paar maanden zou duren. Zij zijn ervan uitgegaan dat na het herstel van de woning de huur van het chalet beëindigd zou worden en dat het te veel betaalde door [naam 2] aan Aegon zou worden gerestitueerd. Toen de onderhandelingen met [appellant] over het herstel van de woning begin 2012 stroef begonnen te worden is opnieuw overleg geweest binnen Aegon en zijn de polisvoorwaarden er op nageslagen, en is door de voormalig manager van [getuige 1C (naam 1)] , [naam voormalig manager] , gezegd: wij betalen het chalet tot 1 juni 2012 en daarmee is de kous af. Op dat moment was bij Aegon nog niet bekend dat de woning niet meer hersteld kon worden.
[getuige 1C (naam 1)] heeft de verklaring van de getuige [getuige 1] dat hij zou hebben toegezegd dat de kosten van het chalet zouden worden vergoed “zolang dit nodig zou zijn” betwist. Het klopt wel dat hij nooit een expliciete beperking in tijd heeft genoemd, maar op dat moment was het uitgangspunt nog dat de woning zou worden hersteld en dat dit een paar maanden zou duren.
Ook de verklaring van de getuige [getuige 2] heeft [getuige 1C (naam 1)] betwist. [getuige 1C (naam 1)] heeft verklaard dat hij nooit met [getuige 2] over het chalet heeft gesproken, alleen met [appellant] , en dat hij de door [getuige 2] gestelde toezeggingen niet heeft gedaan, en al helemaal niet aan [getuige 2] .
De getuige [getuige 3] heeft [getuige 1C (naam 1)] volgens zijn verklaring nog nooit gezien, en hij kan zich haar aanwezigheid in dezelfde ruimte bij enige bespreking ook niet herinneren.
Ook de andere getuigenverklaringen heeft [getuige 1C (naam 1)] betwist.
heeft verder ter comparitie van het hof van 11 januari 2018 erkend dat de hotelkosten door Aegon zijn vergoed, en dat hij op dit punt geen vordering meer heeft.
Grief VIII wordt daarmee verworpen.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt Aegon om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 23.292,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2014 tot het moment van algehele voldoening;
- veroordeelt Aegon in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.636,26 aan verschotten (griffierecht € 1.533,- en kosten dagvaarding € 103,26) en op € 1.158,- (2 punten tarief III, oud) aan salaris voor de advocaat;