Uitspraak
Afdeling Civiel recht
arrest van 14 augustus 2018
GOLDEN CABLE WEST B.V.,
MR. [geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- het volgens GCW door haar in de zaak Crisci maximaal verschuldigd honorarium (met BTW) ten bedrage van € 3.570,-- en
- de ten onrechte in rekening gebrachte griffierechten van € 6.470,-- , welke griffierechten, aldus GCW, reeds in een andere procedure (procedure I, begrijpt het hof) “zijn terug gevorderd, zodat deze buiten beschouwing kunnen blijven”
“Indien mr. [naam 1] volgende week failliet wordt verklaard wordt vervolgens direct het faillissement van de stichting derdengelden en van de bestuurders aangevraagd, omdat duidelijk is dat de stichting is komen te verkeren in die situatie dat zij haar schulden niet meer betaalt en de bestuurders daarvoor aansprakelijk zijn en weigeren de tekorten aan te zuiveren.(...)Cliënten stellen dat de bestuurders ( [geïntimeerde] , mr. [naam 2] en mr. [naam 3] ) de afgelopen jaren niets hebben gedaan om de tekorten die aanwezig zijn aan te zuiveren. Zoals u weet gaat het hier om aanzienlijke bedragen die aan derden toebehoren. Volgens vaste jurisprudentie zijn de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor deze tekorten. Met de beslissing van de rechtbank dat de vorderingen opeisbaar zijn is ook gegeven dat de stichting deze direct dient te betalen en de bestuurders daarvoor voor het geheel verantwoordelijk zijn.”
- “vanwege het actief opnemen/overschrijven van het derdengeld (De zgn. tweehandtekeningen vereiste)” – hierna ook: grondslag A –;
- “omdat zij nu zij de stichting derdengelden heeft opgegeven (opgeheven, begrijpt het hof) zonder uit te betalen zelf verantwoordelijk is voor de uitbetaling” – hierna ook: grondslag B – en
- “uit hoofde van bestuursaansprakelijkheid van de stichting derdengelden art 2.9 BW”.
door de advocaat gehouden geldenmet toestemming van de cliënt. Al omdat niet is gesteld of gebleken dat voldaan is aan alle voorwaarden waaronder verrekening met derdengelden volgens de Vafi mogelijk was, behield GCW jegens de Stichting haar recht op uitkering van het aan [naam 1] betaalde bedrag. De stelling van [geïntimeerde] dat in de algemene voorwaarden van [naam 1] “de mogelijkheid van verrekenen van derdengeld met openstaande declaraties op grond van de Boekhoudverordening aan de orde kwam” doet daar niet aan af. Weliswaar voorzagen die voorwaarden in “een onherroepelijke volmacht aan het bestuur van de stichting om met eventuele te behoeve van cliënt(e) ontvangen bedragen op de bank- of girorekening van de stichting openstaande declaraties van Aerendsdorp Advocaten volledig te doen” (art. 17 algemene Pro voorwaarden Aerendsdorp Advocaten), maar een verrekening slechts op grond van een dergelijke algemene volmacht voldoet niet aan de daaraan door de Vafi gestelde voorwaarde van ondubbelzinnige instemming, die blijkens de toelichting op de Vafi betrekking dient te hebben op een concrete declaratie en dus niet in het algemeen en vooraf kan worden gegeven, en evenmin aan de voorwaarde van onverwijlde schriftelijke vastlegging (naar het hof begrijpt: in een bericht aan de cliënt) met verwijzing naar een specifiek omschreven declaratie en het verschuldigde bedrag.
jegens de cliënt aansprakelijkis”, Kamerstukken II, 1993/94, 23 706, nr. 3, p. 33; cursivering toegevoegd, hof).
Beslissing
- een bedrag van € 6.470,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 juli 2009 en
- een bedrag van € 6.049,79, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2015;