Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 29 mei 2018
[de V.O.F.],
[de vennoot 1],
[de vennoot 2],
[naam] ,
Het geding
Beoordeling in hoger beroep
dat [de V.O.F.] daarmee de volledig verschuldigde huur heeft voldaan. Daartoe is betaling van het bedrag van € 48.938,92 vereist. De vraag in hoeverre dat bedrag in rechte invorderbaar is, laat het hof hierbij onbeantwoord.”Deze overwegingen hebben niet tot een ander dictum geleid en het hof heeft overwogen dat het dictum leidend is, ondanks zijn andere bedoeling.
in aanvulling ophet bedrag van € 58.769,82 ingevolge arrest I. Deze vordering is afgewezen bij vonnis van 2013 en het hof heeft deze afwijzing bij arrest III bekrachtigd. Ook dit arrest heeft gezag van gewijsde en ook hierop heeft [de V.O.F.] een beroep gedaan.
al hetgeenter uitvoering van het vonnis is verricht, teruggedraaid moet worden. Hetgeen [de V.O.F.] naar aanleiding van het vonnis van 2010 heeft betaald, is onverschuldigd betaald. Het hof verwerpt de stelling van [geïntimeerde] dat de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten in eerste aanleg niet onverschuldigd zijn betaald omdat [de V.O.F.] bij arrest I en arrest II opnieuw is veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en de proceskosten van de eerste aanleg. Arrest II strekt ertoe dat die nieuwe veroordeling niet wegneemt dat door de algehele vernietiging van het vonnis van 2010, de rechtsgrond is komen te ontvallen aan betalingen van [de V.O.F.] ter uitvoering van het vonnis van 2010, inclusief de kosten van executie.
akte partijen tevens houdende wijziging van eisvan 19 mei 2016 onder 2) en [de V.O.F.] niet heeft bestreden is het eigenbeslag van [geïntimeerde] inmiddels opgeheven. Vordering b. zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.