Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 22 augustus 2017
[appellante],
Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
Het geding
Dijkdoorbraak Wilnis(zie ook HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/816,
Gemeente Deventer/Reaal). Bij het antwoord op de vraag of een opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de betreffende trap in de sporthal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Daarbij zijn tevens de criteria van het
Kelderluik-arrest (HR 5 november 1965, LJN AB7079, NJ 1966, 136) van betekenis. In dat verband moet beoordeeld worden in hoeverre iemand die een situatie in het leven roept die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, rekening dient te houden met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zullen worden genomen en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen dient te treffen. Bij die beoordeling dient met name in aanmerking te worden genomen in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is, hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn, en in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is (vergelijk onder meer HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013, 366,
X/Het Land Curaçao).
Smeets/gemeente Heerlen, rov. 3.6 en 3.7).
Beslissing
opnieuw recht doende: