Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 20 juni 2017
de Stichting We Gaan Ze Halen,
de Staat der Nederlanden (ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Onderwerp
Toepassingsgebied
Herplaatsing van 120 000 verzoekers naar andere lidstaten
Herplaatsingsprocedure
Inwerkingtreding
“Toewijzingen vanuit Italië
“Toewijzingen vanuit Griekenland
As previously reported, the number of people eligible for relocation present in Italy and Greece is below what is foreseen in the Council Decisions”(pagina 2)
.
“(…) the Netherlands (…) are also steadily progressing on their obligations for Greece and Italy”(pagina 3). Als aanbeveling voor Nederland is vermeld dat Nederland, net als enkele andere landen
“should continue, as a minimum, with their current monthly efforts”. Onder het kopje “way forward” is opgenomen dat
“relocation of all those anticipated to be eligible is possible and feasible by September 2017”.
.
”
grief 1voert de Stichting aan dat het Dublin-systeem de facto onderuit is gehaald en bovendien ten aanzien van Griekenland al jaren niet meer geldt. De voorzieningenrechter heeft daarvan onvoldoende blijk gegeven in het vonnis.
Grief 2is gericht tegen overweging 2.8 van het vonnis waarin is opgenomen dat de Raad van Ministers de “Verklaring EU-Turkije” heeft opgesteld. De Stichting wijst erop dat de Turkije-deal is aangegaan door de afzonderlijke lidstaten en dat de Turkije-deal op zichzelf geen implicaties heeft voor de gemaakte afspraken. Met de
grieven 3, 4, 5 en 7voert de Stichting aan dat de Besluiten rechtstreekse werking hebben, dat zij zich op die Besluiten kan beroepen en dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat particulieren zich eerst na ommekomst van de uitvoeringstermijn van die Besluiten, op de Besluiten kunnen beroepen. De Stichting voert in dit verband tevens aan dat, ook als de Besluiten geen rechtstreekse werking hebben, zij naast andere internationale regelgeving invulling kunnen geven aan de zorgplicht van de Staat en zodoende kunnen leiden tot de conclusie dat de Staat onrechtmatig handelt.
Grief 6is gericht tegen rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis. De Stichting voert aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte de verplichting van de Staat afhankelijk heeft gemaakt van het aantal herplaatsbare vluchtelingen.
Grief 8komt op tegen het oordeel dat uit het EVRM slechts verplichtingen voortvloeien voor personen die onder de rechtsmacht van de Staat ressorteren. De Stichting voert aan dat de Staat wel degelijk mogelijkheden heeft om op te treden, en daarmee effectieve controle heeft waaruit een verplichting op grond van het EVRM kan voortvloeien, althans dat het nalaten om op te treden invulling kan geven aan een vordering op grond van onrechtmatige daad.
Grief 9is gericht tegen de overweging dat het EU Handvest niet van toepassing is omdat de zaak niet binnen de reikwijdte van het Unierecht valt. De Stichting voert aan dat dit wel degelijk het geval is, en dat daarmee ook het EU Handvest van toepassing is.
Grief 10komt op tegen rechtsoverweging 4.11, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat vanwege het territorialiteitsbeginsel dat uitgangspunt is in het internationale asielrecht, niet geconcludeerd kan worden dat de Staat de vluchtelingen ten onrechte toegang tot Nederland weigert.
Grief 11valt rechtsoverweging 4.12 aan, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat aan de Staat een ruime beleidsvrijheid toekomt voor wat betreft beslissingen over de opvang van vluchtelingen.
Grief 12is gericht tegen rechtsoverweging 4.13, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat gesteld noch gebleken is dat de Staat in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de beslissing om het huidige aantal vluchtelingen per maand op te vangen. Met
grief 13voert de Stichting aan dat de voorzieningenrechter zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de omvang van de verplichtingen van de Staat, waar het gaat om het aantal vluchtelingen dat herplaatst moet worden. De Stichting betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het aanvullende aantal van 54.000 eveneens moet worden herplaatst naar de EU lidstaten, zodat hij ten onrechte in het midden heeft gelaten of de Staat 8.712 vluchtelingen of 5.947 vluchtelingen moet opnemen.
Grief 14stipt een kennelijke verschrijving in de weergave van de vordering van de Stichting aan: de Stichting heeft niet gevorderd dat er vluchtelingen moeten worden hervestigd
inTurkije, maar
vanuitTurkije. Het hof heeft deze verschrijving hierboven reeds verbeterd, zodat deze grief verder onbesproken blijft.
Grief 15komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat acties die vooraf zijn gegaan aan de oprichting van de Stichting geen invulling kunnen geven aan de overlegverplichting van de Stichting.
“zeer waarschijnlijk”is dat de migratie- en asielstelsels van Italië en Griekenland door de aanhoudende instabiliteit en conflicten in de regio onder een
“significante en verhoogde druk”zullen blijven staan. Evenzeer volgt dit uit overweging 26 van de considerans, waarin, zoals hierboven reeds is weergegeven, is opgenomen:
“Op basis van het totale aantal onderdanen van derde landen dat in 2015 op irreguliere wijze in Italië en Griekenland is aangekomen en het aantal van deze personen dat duidelijk internationale bescherming nodig heeft, zouden vanuit Italië en Griekenland in totaal 120 000 verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben, moeten worden herplaatst.”
“(…) the Netherlands (…) are also steadily progressing on their obligations for Greece and Italy”. Op pagina 4 is met betrekking tot de uit artikel 5 van Pro de Besluiten voortvloeiende verplichting tot “pledging” opgenomen:
“(…) and the Netherlands should continue, as a minimum, with their current monthly effort”. In het twaalfde voortgangsrapport krijgt Nederland, anders dan lidstaten die in de visie van de Commissie niet aan hun verplichtingen voldoen, geen bijzondere aandacht.
uit de Besluitenvoortvloeiende verplichtingen moet nakomen. Het beroep van de Stichting op het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 juni 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:7145) inzake Urgenda tegen de Staat mist reeds in zoverre relevantie dat in dat geschil een andersoortige vordering was geformuleerd. De vordering van de Stichting stuit daarom strikt genomen op het voorgaande reeds af. Voor zover in de stellingen van de Stichting besloten ligt dat los van de Besluiten, op de Staat een verplichting rust asielzoekers uit Griekenland en Italië op te nemen, overweegt het hof met betrekking tot de overige grieven als volgt.
gestelddat de Staat meer asielzoekers moet opvangen. Het hof heeft met die stellingen in het bovenstaande rekening gehouden, maar die kunnen niet tot een andere uitkomst van het geding leiden.