Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 12 januari 2016
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[appellant],
KPN B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
's-Gravenhage van 28 juni 2007 met rolnummer 97/736 (hierna ook: het aansprakelijkheidsarrest). In het aansprakelijkheidsarrest heeft het hof als volgt beslist:
“ veroordeelt PTT tot vergoeding van de schade als gevolg van de beëindiging van de exploitatie per 1 oktober 1989 van de in de brief van 29 augustus 1989 genoemde telefoonnummers[hof: hierna ook: schadegrondslag A]
;veroordeelt PTT tot vergoeding van de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van het door PTT op 26 juli 1989 ten laste van [appellant] gelegde en niet vanwaarde verklaarde beslag, voor zover deze nog niet is vergoed[hof: hierna ook: schadegrondslag B]
;al deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;”In het hoofdgeding werd afgewezen de vordering van [appellant] tot schadevergoeding wegens ‘lasterlijke berichtgeving en schadevergoeding wegens het niet uitvoeren door KPN van in 1988 geplaatste en op termijn (1990) uit te voeren orders.
€ 34.460.175,67 + PM en subsidiair € 24.460.175,67 + PM.
€ 2.991.775,-- te vermeerderen met enkelvoudige wettelijke rente daarover, berekend over het tijdvak van 27 september 1996 tot het tijdstip van betaling, met dien verstande dat daarop in mindering strekt al hetgeen KPN ter zake al, bij wijze van voorschot, aan hem heeft betaald. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, in de diverse vonnissen als volgt overwogen:
i) Het gevorderde bedrag betreft mede omzet die door fraude is verkregen zodat de omzet moet worden gecorrigeerd. De fraude heeft 1,6% van de totale omzet belopen.
(ii) [appellant] kan in deze procedure alleen zijn eigen schade vorderen en niet die van contractanten. KPN kan immers slechts een keer worden aangesproken voor de schade die is ontstaan door haar onrechtmatig handelen. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [appellant] dat de contractanten Suiker en Waslander hun aanspraken jegens KPN aan [appellant] hebben overgedragen.
(iii) De schade van [appellant] moet worden begroot tot 1 juni 1995 omdat schade die na deze datum is ontstaan niet voor vergoeding in aanmerking komt.
(iv) [appellant] heeft onvoldoende feiten gesteld voor de conclusie dat zijn capaciteit zou zijn verdrievoudigd (van 30 naar 90 meldlijnen), zodat dit aspect niet kan meewegen bij de begroting van de gederfde ondernemingswinst.
(v) De beslagschade wordt afgewezen, aangezien [appellant] onvoldoende feiten heeft gesteld die aannemelijk maken dat hij de gestelde schade, bestaande uit het mislopen van participatie in Telenetwork International Holding B.V., heeft geleden.
(vi) De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 27 september 1996, aangezien (pas) de brief van die datum aan het vereiste voldoet van een aanzegging van wettelijke rente.
(vii) De wijze waarop [appellant] zijn vordering wegens kosten juridisch adviseur heeft onderbouwd is onvoldoende specifiek en niet te herleiden tot de schadegrondslag als bedoeld in het aansprakelijkheidsarrest. De rechtbank onderkent overigens wel dat [appellant] mogelijk hoge kosten heeft moeten maken om te komen tot voldoening buiten rechte, terwijl vaststaat dat minnelijk overleg heeft plaatsgehad. De buitengerechtelijke kosten worden daarom begroot op € 6.422,-- (twee punten liquidatietarief VIII).
(viii) De beslissing over de kosten van de financieel adviseurs zal worden aangehouden tot het eindvonnis.
(x) Scenario voor daling van het aantal belminuten na prijsverhoging: uitgegaan wordt van een daling van 35%.
(xi) De schade wordt, na herberekening met inachtneming van voormelde uitgangspunten, vastgesteld op het brutobedrag van € 2.991.775,--. Fiscale consequenties van het gegeven dat de schade nu pas kan worden vastgesteld, blijven buiten beschouwing.
(xii) Artikel 1286
oudBW is van toepassing. Deze regeling voorzag in ‘enkelvoudige’ berekening van de wettelijke rente.
Naast de in rechtsoverweging 3 primair en subsidiair genoemde bedragen vordert [appellant] bij vermeerdering van eis een bedrag van NLG 70.308,85, althans
€ 31.849,91wegens niet uitgekeerde omzet uit de 06-lijnen over de maand september 1989 (memorie van grieven, § 18.3), een bedrag van € 88.069,53 wegens bijkomende kosten (grief 6), nog een extra bedrag van € 16.228,63 aan kosten Talanton ná 11 juli 2008 en een bedrag van € 1.047.886,-- althans van € 433.807,-- wegens belastingschade.
KPN voert gemotiveerd verweer en klaagt op haar beurt in het incidenteel appel over het niet-meewegen van het fiscale voordeel, dat [appellant] heeft/zou hebben gehad.
Uitgangspunten
Beoordeling van grief 18.3 (de omzet over september 1989)
Beoordeling van grief 1 (de 80 toegekende, niet aangesloten bellijnen)
af te sluiten, welke vraag door het hof bevestigend is beantwoord. Nu de betreffende 80 niet-aangesloten lijnen geen, althans geen kenbaar, onderwerp van debat zijn geweest in het aansprakelijkheidsarrest en nu het hof in het aansprakelijkheidsarrest slechts
de afsluitingvan de lijnen onrechtmatig heeft geacht, is in het hoofdgeding geen aansprakelijkheid vastgesteld ten aanzien van de betreffende 80
niet-aangesloten lijnen. De omstandigheid dat (voor zover het hof aan de hand van producties 49a-c heeft kunnen verifiëren) drie van de in de opzeggingsbrief van 29 augustus 1989 genoemde nummers [telefoonnummer 3], [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3]) terugkomen in deze producties, maakt dit niet anders. Er is immers, zoals gezegd, geen aanwijzing dat dit toen voor het hof (voldoende) kenbaar was en dat het hof mede over deze 80 bellijnen heeft beslist.
Voor deze uitleg wordt bovendien steun gevonden in de verjaringsdiscussie, waartoe wordt gewezen op rechtsoverwegingen 4 en 5 van het aansprakelijkheidsarrest. Niet alleen overweegt het hof daar dat de verjaring is gaan lopen
‘op het moment dat de telefoonlijnen daadwerkelijk zijn afgesloten’, maar ook wordt in de door het hof genoemde stuitingsbrief van [appellant] van 20 september 1994 verwezen
‘naar de schade die [appellant] c.s. hebben geleden als gevolg van de afsluiting van de lijnen’.Ook dit wijst er op dat de kwestie van de gestelde 80 niet-aangesloten lijnen in het hoofdgeding niet aan de orde is geweest.
Beoordeling van grieven 2 en 13 (de exploitatieschade contractanten)
Beoordeling van grieven 3 en 14A (beperking ondernemingsschade tot 1 juni 1995)
Weliswaar heeft het hof begrip voor de marktontwikkelingen en concurrentie, die het weer opstarten van een bedrijf bemoeilijken, maar voor de weigering van [appellant] om überhaupt weer te contracteren heeft deze geen goede gronden aangevoerd, temeer niet nu [appellant] zelf stelt (memorie van grieven § 4.8) dat in 1997 de lijnen nog zeer populair waren en de branche ook nu nog steeds bestaat. De gestelde financiële problemen acht het hof onvoldoende onderbouwd, temeer niet gelet op de omstandigheid dat KPN toen heeft aangegeven onder alles een streep te willen zetten. Het aanbod van KPN om onder de toen geldende algemene condities te contracteren acht het hof vanzelfsprekend. [appellant] heeft in ieder geval niet toereikend aangevoerd waarom KPN dit niet zou mogen vergen, zeker niet in het licht van de producties die [appellant] zelf heeft overgelegd. In dit verband wijst het hof op eerdervermelde producties (nummerreserveringen) 49a en volgende, waar [appellant] zelf een beroep op doet en die mede inhouden
“(…) Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden 06-diensten van toepassing. De voormelde tarieven betreffen uitsluitend 06-dienstverlening. Zij kunnen periodiek door PTT worden gewijzigd. (…)”.
Zeker bij een duur(vermogens)schade als de onderhavige mag van de benadeelde gevergd worden dat hij zich inspant om vervangende inkomsten te verwerven en/of zijn schade te beperken. In de omstandigheden van het geval ziet het hof in redelijkheid geen aanleiding om KPN nog ná 1 juni 1995 aansprakelijk te achten voor de gevolgen van haar onrechtmatige daad uit 1989. De beslissing van de rechtbank terzake wordt juist geacht. De grieven worden verworpen.
Beoordeling van grieven 4 en 14B (capaciteitsuitbreiding met 60 interactieve lijnen)
De grieven worden verworpen, aangezien niet is vastgesteld dat KPN aansprakelijk is voor de weigering in augustus 1989 om deze lijnen aan te sluiten. Voor verdere motivering wordt naar de beoordeling van grief 1 verwezen. Aan een verdere (inhoudelijke) beoordeling van deze grieven wordt niet toegekomen.
Beoordeling van grief 16 en onderdeel van grief 14 (gevolgen verdubbeling beltarieven in 1992 voor de schade)
(Talanton 1), dat deze tariefsverhoging tot een daling van 25% van het aantal belminuten zou hebben geleid, terwijl KPN uitgaat van een daling van 50%. De rechtbank heeft de daling begroot op 35%. [appellant] klaagt over de willekeurige benaderingswijze van de rechtbank. Volgens [appellant] heeft KPN de beschikking over de exacte gegevens, zodat er reden is de bewijslast om te draaien, dan wel op zijn minst ‘de voorshands-formulering’ toe te passen. KPN heeft gemotiveerd verweer gevoerd en betoogd dat zij deze gegevens niet (meer) heeft, waarbij zij (bij pleidooi) nog heeft aangegeven dat het indertijd geen digitaal tijdperk was.
Beoordeling van grief 6 (bijkomende kosten ten bedrage van € 88.069,53)
Beoordeling van grief 7 (wettelijke rente).
oudBW van toepassing is. Hij betwist wél het oordeel van de rechtbank dat de rente pas bij brief van 27 september 1996 is aangezegd. Volgens [appellant] is de wettelijke rente al vanaf 28 september 1989, althans 1 oktober 1989 aangezegd/gevorderd. De grief wordt verworpen. Het hof deelt de overwegingen van de rechtbank terzake en neemt deze over (rechtsoverwegingen 4.22 tot en met 4.27 TV1). Dit wordt niet anders door de verwijzing door [appellant] naar de (ook al in eerste aanleg overgelegde) (fax)brief van zijn toenmalige advocaat d.d. 28 september 1989, voor zover inhoudende:
“Mag ik u er op wijzen dat bij schade aan de kant van mijn kliënten u rekening moet houden met rente en kosten?”
oudBW luidt:
“De wettelijke interessen, worden, behoudens bijzondere wettelijke voorschriften, berekend van de dag dat zij in rechte worden gevorderd, tenzij de schuldenaar na het opeisbaar worden van de vordering schriftelijk tot betaling is aangemaand met de mededeling dat de schuldeiser in geval van verdere vertraging aanspraak maakt op vergoeding van interessen. In het laatste geval worden de wettelijke interessen berekend van de dag waartegen de schuldenaar is aangemaand.
Voor de goede orde merkt het hof nog op dat [appellant] voor het eerst bij pleidooi heeft geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat de regeling van artikel 1286
oudBW voorzag in ‘enkelvoudige’ berekening van de wettelijke rente. Volgens [appellant] bij pleidooi moet in dit bijzondere geval de samengestelde wettelijke rente worden toegekend. Het hof oordeelt dat deze klacht te laat, in strijd met de twee-conclusieregel, is voorgedragen, zoals ook KPN heeft aangevoerd. Het hof gaat dan ook reeds hierom aan deze klacht voorbij.
Beoordeling van grief 8 (kosten juridisch adviseurs)
Evenmin is in geschil dat [appellant] hoge kosten heeft moeten maken om te komen tot vaststelling van aansprakelijkheid en (mogelijk) tot voldoening buiten rechte.
De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat de wijze waarop [appellant] zijn vordering heeft onderbouwd het niet mogelijk maakt onderscheid te maken tussen kosten waarop de proceskostenveroordelingen van de verschillende tussen partijen gevoerde procedures hebben gezien enerzijds en de werkelijke buitengerechtelijke kosten anderzijds, terwijl veelal een specificatie ontbreekt, waarna de rechtbank tot voormelde begroting is gekomen.
Beoordeling van grief 9 (kosten financieel adviseurs)
€ 30.000,-- terzake redelijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2008 (vanaf omstreeks het tijdstip van het eerste Talanton-rapport). Het hof heeft deze rentedatum laten meewegen bij de begroting van de hoogte van het bedrag. Een hoger bedrag is niet aan de orde, mede gelet op de omstandigheiddat het hof slechts een gering percentage van de vordering zal toewijzen.
Beoordeling van grief 5 (schadegrondslag B)
€ 5.400.000,--. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat deze schadepost is gebaseerd op “een gemiste kans waardoor [appellant] niet kon participeren in Telenetwork International Holding BV”. Volgens de rechtbank heeft [appellant] deze vordering verder onvoldoende onderbouwd, onder meer doordat alle door [appellant] overgelegde producties voor zover in de Nederlandse taal gesteld – uitgaan van een nog op te richten samenwerking in nog op te richten vennootschappen.
Daarnaast beroept [appellant] zich op productie 16 bij conclusie van repliek van Kap en Van Santvliet van 12 juni 2008, waarin wordt gesproken over de geplande “Kick-off ” van Telenetwork, waarin [appellant] niet kon participeren omdat bekend werd dat KPN [appellant] verdacht van fraude met 06-lijnen en omdat er beslag was gelegd op bankrekeningen van [appellant] waardoor hij de investering van NLG 500.000,-- niet kon betalen. Ook was [appellant] “Besmet geraakt” door de geruchten omtrent zijn betrokkenheid bij fraude, aldus samengevat deze brief.
De brief van Kap en Van Santvliet (productie 16) noemt naast onvermogen tot investeren wegens gelegd beslag – onduidelijk is hoe zij aan deze kennis komen – ‘het besmet zijn van [appellant] wegens de verdenking van fraude’ als omstandigheid waarom besloten is om met Telenetwork door te gaan zonder [appellant].
§ 5.12 memorie van grieven gestelde als een zodanige vordering moet worden opgevat.
Beoordeling van de fiscale effecten, grieven 14.12 en 19 [appellant] (in het principaal appel) en vermeerdering van eis alsmede de grief van KPN (in het incidenteel appel)
Het hof stelt het volgende voorop. Naar gelang de aard van de schade dient bij de vaststelling van schadevergoeding in beginsel ook met fiscale voor- en nadelen rekening te worden gehouden. Daarbij dienen deze voor- en nadelen in onderling verband te worden bezien en in rekening te worden gebracht. Gelet op de omstandigheden van deze zaak, waarbij de schade moet worden bepaald in de hypothetische situatie dat het onrechtmatig handelen van KPN in 1989 achterwege was gebleven, stuit de berekening op dit moment van de fiscale consequenties (zowel in positieve als in negatieve zin) voor de uit te keren schadevergoeding op de nodige complicaties, niet in de laatste plaats omdat thans ruim 26 jaar later nauwelijks meer is vast te stellen welke omstandigheden voor deze beoordeling bepalend zijn. Het hof zal, gelet op het vorenoverwogene, zowel het eventuele belastingvoordeel als het eventuele belastingnadeel buiten beschouwing laten.
Overigens, ook op na te melden gronden ziet het hof geen basis voor enige fiscale compensatie. Voor schatting in de zin van artikel 6:97 BW Pro heeft het hof onvoldoende aanknopingspunten.
Slotsom
Beslissing
- bekrachtigt de bestreden vonnissen,
- veroordeelt KPN tevens om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 30.000,--, te vermeerderen met de enkelvoudige wettelijke rente daarover, berekend over het tijdvak vanaf 1 juni 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 68,00 voor de explootkosten voor het geval betekening nodig is, met wettelijke rente over de nakosten vanaf 14 dagen na deze uitspraak;
- veroordeelt KPN in de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 3.895,-- aan salaris advocaat;
- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.