Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 20 december 2016
de gemeente Barendrecht,
de gemeente Dordrecht,
de gemeente Papendrecht,
de gemeente Ridderkerk,
de gemeente Zwijndrecht,
de gemeente Hendrik Ido Ambacht,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
In deze statuten wordt onder het begrip “deelnemende gemeente(n)” verstaan de overheden, die bijdragen aan het vermogen van de stichting tot verwezenlijking van het doel van de stichting en worden in die zin “subsidiënten” genoemd.
Ten behoeve van de instandhouding en uitbouwing van de relaties tussen de stichting en haar subsidiënten wordt bij deze een Subsidiëntenraad gevormd, bestaande uit vertegenwoordigers van de deelnemende gemeenten van de stichting, als overleg en adviesorgaan van de stichting, en uit dien hoofde heeft de Subsidiëntenraad de bevoegdheid tot: (…)
De Subsidiëntenraad, die wordt gevormd door de wethouders van de deelnemende gemeenten die belast zijn met de portefeuille waaronder de stichting ressorteert, de Directie en het voltallige managementteam van de stichting en een vertegenwoordiging van de Raad van Toezicht, indien de Directie dat gewenst acht, vergaderen viermaal per jaar.
De stichting wordt gesubsidieerd door de deelnemende gemeenten. Ten tijde van deze statutenwijziging kent de stichting de navolgende deelnemende gemeenten, in alfabetische volgorde: Barendrecht, Dordrecht, Oud-Beijerland, Papendrecht, Ridderkerk en Zwijndrecht.
Voorts kan de stichting subsidierelaties aangaan met andere gemeenten, zulks met het oog op een specifieke doelbestemming als hierna bij de doeluitgaven omschreven.
In de begroting van de stichting wordt een onderscheid gemaakt tussen concernkosten, productiekosten en doeluitgaven (…)
De deelnemende gemeenten verplichten zich bij te dragen in het exploitatietekort van de stichting volgens de volgende formule:
“Gezien onder meer (i) de inhoud van de brieven d.dis 21 en 26 november 2015, (ii) het feit dat betaling aan de Stichting steeds in de vorm van subsidieverlening heeft plaatsgevonden en (iii) het bepaalde in de Awb en de Algemene Subsidieverordening Barendrecht 2014 (“de subsidieverordening”) merken wij de e-mail d.d. 9 juli 2015 alsnog aan als een aanvraag om een subsidie in de zin van de Awb en de Subsidieverordening.
grieven I, III en IVzijn op verschillende gronden gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Barendrecht jegens de Gemeenten onrechtmatig handelt wanneer zij zich als enige van medewerking aan het herstelplan voor ToBe onthoudt.
Grief IIkomt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet is uitgesloten dat komt vast te staan dat Barendrecht ten aanzien van de tekorten in ToBe bijdrageplichtig is. Met
grief Vvoert Barendrecht aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het Barendrecht vrij stond op de geldende voorwaarden subsidiënt te blijven zonder het herstelplan te onderschrijven, terwijl
grief VIis gericht tegen het oordeel dat de Gemeenten een spoedeisend belang bij hun vordering hadden. Met
grief VIIkomt Barendrecht op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat er geen sprake is van louter een incassovordering. Met de grieven
VIII en IXvoert Barendrecht achtereenvolgens aan dat de voorzieningenrechter had moeten onderzoeken of de Gemeenten het “door hen bedoelde noodverband niet zelf konden leggen” en of er een restitutierisico was.
Grief Xis gericht tegen de veroordeling als zodanig en de proceskostenveroordeling.
zelfeen spoedeisend belang hadden. Het hof passeert dat betoog. De Gemeenten hebben (ook) aangevoerd dat zij door de weigering van Barendrecht om geld aan ToBe beschikbaar te stellen, zelf gehouden zouden zijn het meerdere aan ToBe beschikbaar te stellen en aldus schade zouden lijden. Daarmee is hun eigen belang gegeven en dat belang was ten tijde van de beoordeling door de voorzieningenrechter, gelet op de financiële noodtoestand waarin ToBe, naar onweersproken is gesteld, verkeerde, ook spoedeisend.
Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- verklaart de Gemeenten niet-ontvankelijk in hun vordering;
- verklaart Barendrecht niet-ontvankelijk in haar vordering tot betaling van € 52.500,-, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten;
- veroordeelt de Gemeenten in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Barendrecht tot op 21 december 2015 begroot op € 1.909,- aan verschotten en € 816,- aan salaris advocaat;
- veroordeelt de Gemeenten in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Barendrecht tot op heden begroot op € 812,08 aan verschotten en € 3.262,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.