Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 6 december 2016
Masters in Finance B.V.,
[verweerder],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
finance medewerkers” bij klanten. Het was de taak van [verweerder] – in de kern – om plaatsingen van deze medewerkers bij klanten te realiseren en nieuwe klanten te werven en behouden.
€ 6.500,-- bruto.
alledoor hem gerealiseerde plaatsingen voor de target meetellen. Dit sluit aan op de (tekst van de) bonusregeling:
“Bonus uitkering op basis van gerealiseerde marge”en
“Target op basis van werkzame professionals x gemiddelde contractwaarde 2014”.De door MIF als productie A3 overgelegde verklaring van de heren [naam 1] (Commercieel Directeur) en [naam 2] (Salesmanager) is daarmee niet in strijd. Zo verklaren zij onder meer dat is uitgelegd
“dat alleen die plaatsingen van financials meetellen die de accountmanager zélf heeft gerealiseerd”en dat het aan de accountmanager toekennen van marge door hen werd gedaan
“aangezien het ook is voorgekomen dat accountmanagers in het verleden accounts hebben overgenomen waar bijvoorbeeld reeds een financial van MIF werkzaam was en zij deze dus zelf nooit hebben geplaatst en daar dus de revenu’s van verdiende”.
bij indiensttredingis gezegd dat alleen plaatsingen bij nieuwe klanten meetellen, is niet gesteld. Wel is gesteld dat dit [verweerder]
nadienbij herhaling is gezegd – hetgeen door hem overigens is betwist – maar ook als dat zo is heeft MIF onvoldoende onderbouwd waarom daaruit volgt dat tussen partijen als overeengekomen norm is gaan gelden dat alleen plaatsingen bij nieuwe klanten meetellen.
([naam 3]), en op basis van dat stuk onderbouwd dat door hem over 2015 een marge van € 116.955,-- is behaald. Volgens MIF is die conclusie niet juist nu bedoeld overzicht een bruto marge aangeeft en niet alle marges op conto van [verweerder] kunnen worden geschreven. Het hof gaat hieraan voorbij nu MIF niet onderbouwt welke marge niet aan [verweerder] kan worden toegeschreven, behalve dan met de hiervoor verworpen stelling dat alleen plaatsingen bij nieuwe klanten meetellen.
28 januari 2016 gesproken over een beëindiging van zijn dienstverband. Dat dienstverband had toen net een jaar geduurd. De beoordeling van [verweerder] over het eerste kwartaal was goed. Van enige begeleiding, anders dan de algemene opmerkingen aan het adres van [verweerder] dat hij planmatiger moest werken en meer executiekracht moest tonen, en vergelijkbare algemeenheden, is niet gebleken. [verweerder] is op 2 februari 2016 op non-actief gesteld, en hij is gedwongen zijn door MIF ter beschikking gestelde auto en telefoon in te leveren. Gevraagd naar de reden van de op non-actiefstelling heeft MIF ter zitting gezegd niet te weten waarom de non-actiefstelling nodig was.
“vrijstelling van werkzaamheden met behoud van loon”. Op grond van art. 16 van Pro de arbeidsovereenkomst en de Personeelsgids stond het MIF volledig vrij om bij vrijstelling van werkzaamheden de auto c.a. en de telefoon in te nemen. MIF heeft [verweerder] tegemoet willen komen door deze zaken te komen ophalen in plaats van door hem te laten brengen. MIF heeft [verweerder] ook tegemoet willen komen door haar aanspraken op het concurrentiebeding te laten vallen, aldus nog steeds MIF.
“begrijpelijk [is] nu het einde van het dienstverband aanstaande was en het in het belang van de continuïteit van contacten van MIF met klanten en zakenrelaties er in die zin radiostilte in acht werd genomen”(beroepschrift in principaal hoger beroep sub 41). Er was geen grond om op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst vooruit te lopen, terwijl de schadelijkheid van het verder laten verrichten van werkzaamheden door [verweerder] onvoldoende is onderbouwd. Het is duidelijk dat MIF door deze handelwijze [verweerder] voor een voldongen feit wenste te stellen nadat de laatste niet met een beëindigingsvoorstel wenste in te stemmen. Zo heeft de heer F.W. Claus, directeur van MIF bij comparitie van partijen in eerste aanleg verklaard:
“We wilden met een goede minnelijke regeling uit elkaar, daar was mondeling zo goed als een akkoord over bereikt. Toen ging [verweerder] naar zijn toenmalige adviseur, waarmee wij hebben gesproken. Toen kwam er een conflictsituatie waarin alleen nog via de gemachtigden werd gesproken. Vanwege die conflictueuze houding van [verweerder] en het niet meer normaal kunnen praten over de voorwaarden van het minnelijk uiteen gaan, besloot ik om [verweerder] op non-actief te stellen”.
Dit is laakbaar gedrag van MIF.
“voornemens is een ontbinding als bedoeld in artikel 671b of 671c uit te spreken”(art. 7:686a lid 7 BW)
.
Beslissing
- bekrachtigt de bestreden beschikking van de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag van 11 april 2016;
- veroordeelt MIF in de proceskosten in principaal hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 314,-- aan griffierecht en € 1.788,-- aan salaris advocaat;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- veroordeelt [verweerder] in de proceskosten in incidenteel hoger beroep en stelt deze op nihil;
- wijst af het meer of andere verzochte.