ECLI:NL:GHDHA:2016:2796
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- W.P.C.M. Bruinsma
- R.M. Bouritius
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens niet tijdig ingesteld hoger beroep
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Tegen dit vonnis werd namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal vorderde echter dat de verdachte niet-ontvankelijk zou worden verklaard omdat hij niet tijdig in hoger beroep was gekomen.
De raadsvrouw van de verdachte voerde aan dat de appeltermijn pas zou zijn gaan lopen vanaf het moment dat zij bekend was met het vonnis, omdat zij niet tijdig een afschrift van de dagvaarding had ontvangen. Het hof oordeelde echter dat op grond van artikel 408, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering, en de jurisprudentie van de Hoge Raad, voor het aanvang van de appeltermijn alleen van belang is of de verdachte zelf op de hoogte was van de datum van de inhoudelijke behandeling.
Aangezien de dagvaarding persoonlijk aan de verdachte was betekend en deze niet binnen veertien dagen na de uitspraak in hoger beroep was gekomen, werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Het verweer van de raadsvrouw werd verworpen en het arrest werd uitgesproken op 31 augustus 2016.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet tijdig instellen daarvan.