ECLI:NL:GHDHA:2016:2512
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over marktwaarde hotel voor WOZ-belasting vaststelling
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of de door de rechtbank vastgestelde waarde van een hotel onroerende zaak voor de Wet WOZ te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar had de waarde oorspronkelijk vastgesteld op ruim €5 miljoen, terwijl de rechtbank deze waarde had verlaagd naar €4 miljoen. Zowel de heffingsambtenaar als belanghebbende gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De heffingsambtenaar baseerde zijn waardering op de landelijke Taxatiewijzer Hotels en een rapport van een hotel- en vastgoedadviseur, maar kon onvoldoende onderbouwing en marktgegevens overleggen die de gehanteerde methodiek en kapitalisatiefactoren transparant en toetsbaar maakten. Ook de vergelijkingen met andere hotels lieten belangrijke verschillen en verouderde transactiedata zien, waardoor het bewijs onvoldoende was.
Belanghebbende kon evenmin de door haar verdedigde lagere waarde van €2,9 miljoen aannemelijk maken. Haar taxatierapport ontbrak een onderbouwing van de omzetafleiding en het bruto aanvangsrendement. Ook haar vergelijkingen met andere hotels waren onvoldoende onderbouwd.
Het Hof concludeert dat geen van beide partijen het bewijs heeft geleverd om de waarde te bepalen en stelt daarom de waarde schattenderwijs vast op het door de rechtbank bepaalde bedrag van €4 miljoen. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep worden ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en het griffierecht wordt geheven.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de waarde van het hotel op €4.000.000 en verklaart het hoger beroep en incidenteel hoger beroep ongegrond.