ECLI:NL:GHDHA:2016:1715
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken klachtvereiste bij vervolging smaad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor smaad, waarbij hij werd beschuldigd van het opzettelijk aantasten van de eer en goede naam van een aangever door middel van een e-mail aan gemeenteraadsleden. De politierechter veroordeelde de verdachte zonder strafoplegging. De verdachte ging in hoger beroep.
Het hof stelde vast dat het Wetboek van Strafrecht artikel 269 vereist Pro dat voor vervolging wegens smaad een klacht van het slachtoffer moet zijn ingediend. Hoewel aangifte was gedaan, ontbrak een dergelijke klacht en bleek niet dat de aangever vervolging wenste. Daarnaast was er geen sprake van een strafverzwarende omstandigheid die het klachtvereiste zou uitsluiten.
Daarom verklaarde het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging, vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. Dit arrest benadrukt het belang van het klachtvereiste bij smaadzaken en de strikte toepassing daarvan door het hof.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een klacht, waardoor de vervolging is beëindigd.