ECLI:NL:GHDHA:2015:3422
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
De appellant heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling, met een totale schuldenlast van €37.053,12. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het feit dat een aanzienlijk deel van de schulden was ontstaan door overbesteding, waaronder telefoonschulden van circa €7.400,-, en dat er specifieke schulden waren die naar hun aard niet te goeder trouw waren ontstaan, zoals boetes van het CJIB en een schuld aan Virenze voor medische kosten van haar zoon. De appellant voerde aan dat sommige schulden noodzakelijk waren en dat een deel door haar zus was veroorzaakt, maar dit werd niet onderbouwd met stukken.
Het hof oordeelt dat de appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij te goeder trouw was. Zij had moeten begrijpen dat zij haar schulden niet kon financieren gezien haar beperkte inkomsten en bestaande schulden. Ook haar verklaringen over de boetes en medische kosten werden niet geloofd wegens gebrek aan bewijs. Daarom wordt het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en wordt het verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.