Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 15 december 2015
[naam] ,
Envita Nijmegen B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Bij de aanvraag van de offertes aan Envita voor de onderhavige werkzaamheden is, zoals vermeld onder 1.3 van dit arrest, expliciet verzocht om twee offertes, één met een opdrachtenblad waarop de handtekeningen van alle vijf erven konden worden geplaatst, en één waarop alleen de handtekening van [appellant] behoefde te worden geplaatst. Met betrekking tot het verzoek om de tweede offerte is toegelicht dat “eventueel (…) een der Erven, zijnde P.A. [appellant] , opdracht (zal) geven”. Het hof leidt hieruit af dat het op dat moment nog niet zeker was of de opdracht zou worden gegeven door alle erfgenamen gezamenlijk, of alleen door [appellant] . Vast staat dat de beide offertes die Envita heeft uitgebracht vervolgens voor akkoord zijn ondertekend door (alleen) [appellant] . Dit wijst er op dat (alleen) [appellant] de opdrachtgever was. In zijn akte na antwoord onder 4 benadrukt [appellant] voorts dat hij bij het sluiten van de overeenkomst met Envita niet heeft gehandeld namens de overige erfgenamen, en dat hij dat ook niet kon omdat hij niet over een volmacht beschikte. Hieruit kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat [appellant] de offertes heeft ondertekend op persoonlijke titel, en dat (in elk geval) hijzelf als opdrachtgever van de werkzaamheden moet worden aangemerkt.
Anders dan [appellant] lijkt te menen, leidt de (door Envita weersproken) stelling van [appellant] dat hij met Envita is overeengekomen dat niet hijzelf maar de gezamenlijke erven de opdrachtgever zijn, er – indien juist – nog niet toe dat, bij gebreke van toestemming of volmacht van de andere erven, ook zij als opdrachtgever van de werkzaamheden kunnen worden aangemerkt. De andere erven kunnen geen opdrachtgever zijn geworden zonder dat zij hier zelf mee hebben ingestemd, en dat dit laatste het geval is geweest is niet gesteld of gebleken.