Belanghebbende heeft BPM betaald voor 14 personenauto's en betwist dat de BPM berekend moet worden op basis van de hogere koerslijstwaarde van een BTW-auto. De rechtbank stelde de BPM vast op basis van de lagere waarde van een marge-auto en wees de Inspecteur toe tot het vergoeden van rente en proceskosten.
De Inspecteur ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde primair dat de BPM berekend moet worden op basis van de waarde van een BTW-auto en subsidiair dat belanghebbende niet kan terugkomen op haar keuze voor de BTW-waarde bij de aangifte. Het Hof oordeelt dat de fiscale herkomst van de auto geen eigenschap is die de BPM-heffing beïnvloedt en dat belanghebbende de laagste waarde op de koerslijst mag kiezen.
Het Hof wijst het primaire standpunt van de Inspecteur af en volgt ook niet diens subsidiaire stelling dat de keuze voor de BTW-waarde niet kan worden herzien. Tevens bevestigt het Hof de eerdere uitspraak over rentevergoeding en proceskosten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de Inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.