ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ5602
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Labohm
- Stollenwerck
- Mollema
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep verdeling huwelijksgoederengemeenschap en waardering appartementsrechten
Partijen waren getrouwd in gemeenschap van goederen van 1974 tot 1986. De huwelijksgemeenschap is ontbonden maar nog niet verdeeld. De kern van het geschil betreft de peildatum voor de waardering van twee appartementsrechten die tijdens het huwelijk door de man zijn verkregen.
De rechtbank had de waarde vastgesteld op 1 oktober 1986, de datum van ontbinding van de gemeenschap. De vrouw vordert dat de waardering plaatsvindt op de datum van feitelijke verdeling of zo dicht mogelijk daarbij. Het hof overweegt dat de hoofdregel is dat bij verdeling wordt uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of de redelijkheid en billijkheid een afwijking vereisen.
Het hof oordeelt dat geen rechtens relevante feiten zijn gesteld om af te wijken van deze hoofdregel. De man had zelf de verdeling kunnen vorderen en heeft dat nagelaten. De waardering moet daarom plaatsvinden op de datum van het arrest, 7 maart 2012. Daarnaast is vastgesteld dat de appartementsrechten mede gefinancierd zijn met hypothecaire geldleningen, waarvoor de man regresrecht kan hebben bij aflossing.
Met betrekking tot de onderneming van de man kan het hof niet vaststellen welke activa en schulden tot de gemeenschap behoorden, zodat de vordering van de vrouw op dit punt faalt. Het hof verzoekt partijen gezamenlijk een taxateur aan te wijzen voor de waardebepaling van de appartementsrechten en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: Het hof vernietigt gedeeltelijk het vonnis en bepaalt dat de waardering van de appartementsrechten moet plaatsvinden per datum van feitelijke verdeling met nader taxatieonderzoek.