ECLI:NL:GHARN:2012:BW9134
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- M.C.M. de Kroon
- A.J. Kromhout
- M.G.J.M. van Kempen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over waardebepaling en objectafbakening van beneden- en bovenwoning volgens Wet WOZ
Belanghebbende is eigenaar van een pand bestaande uit een beneden- en bovenwoning in Utrecht. De gemeente stelde de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde OZB-aanslagen vast, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank stelde de waarden lager vast dan de gemeente. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het geschil betrof de vraag of de beneden- en bovenwoning als één onroerende zaak of als twee afzonderlijke onroerende zaken moesten worden aangemerkt en of de vastgestelde waarden per 1 januari 2008 niet te hoog waren. Het hof oordeelde dat beide woningen afsluitbaar zijn en beschikken over eigen voorzieningen, waardoor zij als afzonderlijke onroerende zaken moeten worden gewaardeerd.
Met betrekking tot de waardebepaling stelde het hof vast dat de waarde van de benedenwoning van €120.000 aannemelijk was, mede gelet op vergelijkbare woningen en rekening houdend met de slechte staat en geluidsoverlast. Voor de bovenwoning was de waarde van €75.000 niet voldoende onderbouwd door de gemeente, noch de door belanghebbende voorgestelde lagere waarde. Daarom stelde het hof de waarde van de bovenwoning in goede justitie vast op €70.000.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken van de ambtenaar, en bepaalde de waarden en OZB-aanslagen dienovereenkomstig. Tevens werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: Het hof stelt de benedenwoning en bovenwoning als afzonderlijke onroerende zaken vast met waarden van respectievelijk €120.000 en €70.000 per 1 januari 2008.