ECLI:NL:GHARN:2010:BM6773
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake waardebepaling perceel met windmolenbestemming voor inkomstenbelasting
Belanghebbende exploiteert een landbouwbedrijf en heeft een perceel onttrokken aan het ondernemingsvermogen met de bedoeling daarop een windmolen te bouwen. De discussie betreft de waarde in het economische verkeer (WEV) van dit perceel op 31 maart 2002, waarbij de Inspecteur een hogere waarde hanteert dan belanghebbende.
De Rechtbank had de waarde vastgesteld op €350.000, waarbij rekening werd gehouden met de bestemming als ondergrond voor een windmolen. Belanghebbende stelde dat de waarde lager moest zijn, onder meer omdat de waardering door de Inspecteur gebaseerd was op de DCF-methode en niet op vergelijkingsobjecten, en dat de waardedaling van nabijgelegen gebouwen moest worden meegenomen.
Het Hof oordeelt dat de waarde van het perceel moet worden bepaald aan de hand van de zakelijke vergoeding die is overeengekomen voor het recht van opstal, waarbij ook de potentiële gebruiksmogelijkheden worden betrokken. De vergoeding voor het opstalrecht is deels compensatie voor waardedaling van niet tot het perceel behorende onroerende zaken, waardoor de door de Inspecteur voorgestelde hogere waarde niet aannemelijk is gemaakt. De door belanghebbende voorgestelde lagere waarde is eveneens niet aannemelijk gemaakt.
Het Hof bevestigt de waardering van de Rechtbank en wijst het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur af. Tevens veroordeelt het Hof de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende over bezwaar, beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt de waardering van het perceel op €350.000 en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten.