ECLI:NL:GHARN:2005:AT9107
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Van Ginkel
- Rijken
- Wesseling-Lubberink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op omgang en belanghebbendheid bij ondertoezichtstelling van minderjarige
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Zutphen over de omgangsregeling en de positie van een man ten opzichte van een minderjarige, waarbij de man niet de biologische vader is maar wel een nauwe persoonlijke betrekking heeft.
De man verzocht om een omgangsregeling met het kind en om als belanghebbende te worden aangemerkt in procedures over de ondertoezichtstelling van het kind. De rechtbank had hem dit recht toegekend, maar het hof vernietigt dit laatste deel van de beschikking.
Het hof oordeelt dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgang op grond van artikel 1:377f BW, omdat hij een nauwe persoonlijke band met het kind heeft. De omgangsregeling wordt bevestigd, waarbij de gezinsvoogd de vorm en frequentie bepaalt. Echter, het hof stelt dat de man niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in procedures over ondertoezichtstelling, omdat zijn rechten of verplichtingen in die procedures niet rechtstreeks in het geding zijn.
De communicatie tussen partijen is verstoord, maar het belang van het kind staat centraal. De omgangsregeling wordt als passend gezien, mede omdat het kind uit huis is geplaatst en de gezinsvoogd toezicht houdt. De vrouw had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de omgang niet in het belang van het kind is.
De beschikking wordt derhalve deels bekrachtigd en deels vernietigd, waarbij het verzoek om belanghebbendheid wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het recht van de man op omgang met het kind en wijst af dat hij als belanghebbende wordt aangemerkt in ondertoezichtstellingsprocedures.