ECLI:NL:GHARL:2026:924

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.346.916
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 EEX-Vo 2012Art. 4 lid 1 sub b Rome I-verordening nr. 593/2008Art. 3:310 lid 1 BWArt. 6:96 lid 1 c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dierenarts handelt onzorgvuldig bij aankoopkeuring paard met ernstige gebreken

De appellant, een Japanse dressuuramazone, kocht in 2018 een paard na een aankoopkeuring door een dierenarts in dienst van Evidensia. Kort na aankomst bleek het paard kreupel en werd het in 2025 geëuthanaseerd vanwege ernstige koliek. De appellant stelde Evidensia aansprakelijk wegens een onzorgvuldige keuring die een positief aankoopadvies gaf terwijl er sprake was van een wezenlijk verhoogd risico op kreupelheid.

De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof oordeelt dat Evidensia tekort is geschoten. De dierenarts had de overvulling van het hoefgewricht op de röntgenbeelden moeten opmerken en melden, evenals andere afwijkingen en de medische voorgeschiedenis. Het hof stelt dat de keuring niet voldeed aan de zorgvuldigheidsnorm van een redelijk handelend dierenarts.

Het hof verklaart de vordering van de appellant gegrond, wijst de buitengerechtelijke incassokosten af wegens onvoldoende specificatie, en verwijst de zaak naar schadestaatprocedure voor de vaststelling van de schade. Tevens veroordeelt het hof Evidensia tot betaling van proceskosten en verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Evidensia is toerekenbaar tekortgeschoten bij de aankoopkeuring en veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem|
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.346.916
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 563209
arrest van 17 februari 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats] ( Japan )
hierna: [appellante]
advocaat: mr. S.A. Wensing
tegen:
Evidensia Dierenklinieken B.V.
die is gevestigd in Vleuten
hierna: Evidensia
advocaat: mr. I.E. Boissevain

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), op 29 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
  • de akte overlegging producties (5 en 6) van [appellante]
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling op 17 december 2025.
1.2
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak en de beslissing

2.1
[appellante] heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat Evidensia tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en tevens schadevergoeding, nader op te maken bij staat gevorderd. Volgens [appellante] heeft dierenarts [naam1] , die bij Evidensia in dienst is, ten onrechte een positief aankoopadvies over het paard [naam2] verstrekt. Verder vordert [appellante] veroordeling van Evidensia tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en tot vergoeding van proceskosten.
2.2
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Volgens de rechtbank heeft Evidensia, in de persoon van [naam1] , in de gegeven omstandigheden gehandeld als een redelijk handelend dierenarts. Evidensia is daarom niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. De bedoeling van het principaal hoger beroep van [appellante] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Evidensia wenst met haar voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (voor het geval de grieven deels of geheel slagen) in de kern genomen te bewerkstelligen dat [appellante] om een aantal redenen niet-ontvankelijk wordt verklaard.
2.3
Het hof zal beslissen dat Evidensia onzorgvuldig jegens [appellante] heeft gehandeld, omdat [naam1] bij de aankoopkeuring niet als een redelijk handelend dierenarts heeft gehandeld. Het hof laat het vonnis van de rechtbank dus niet in stand en zal de vordering van [appellante] op deze grond alsnog toewijzen. Het hof licht dit oordeel hierna toe, na een korte schets van de achtergrond van het geschil.

3.De achtergrond van het geschil

3.1
[appellante] is een Japanse dressuuramazone (paardensport) die haar paarden traint en stalt bij [naam3] , een dressuurstal. Bij de zoektocht naar een paard om deel te nemen aan de Olympische Spelen van 2020 in Tokio heeft zij in 2018 de heer [naam4] (hierna: [naam4] ) van [naam3] verzocht om uit te kijken naar een geschikt paard. [naam4] heeft haar vervolgens geattendeerd op het paard [naam2] . Dit paard presteerde op internationaal Grand Prix-niveau. Op dat moment was [naam2] eigendom van een Spaans bedrijf, [naam5] B.V. (hierna: [naam5] ), en stond gestald in Portugal .
3.2
[naam4] nam vervolgens contact op met [naam1] met de vraag of hij [naam2] wilde keuren. Na een instemmend antwoord zijn [naam4] en [naam1] samen naar Portugal afgereisd. Op 3 april 2018 heeft [naam1] [naam2] op locatie gekeurd. [naam1] heeft een positief aankoopadvies verstrekt, waarna [appellante] [naam2] op 12 april 2018 voor € 1.150.000,- van [naam5] heeft gekocht.
3.3
Kort nadat [naam2] in Nederland aankwam bleek het paard kreupel. [naam2] is vervolgens door meerdere dierenartsen onderzocht. Op of omstreeks 27 mei 2025 is [naam2] vanwege ernstige koliekverschijnselen geëuthanaseerd.
3.4
[appellante] heeft [naam5] in rechte betrokken om de koopovereenkomst te laten vernietigen. Bij arrest van 17 oktober 2023 heeft het hof ’s-Hertogenbosch voor recht verklaard dat de koopovereenkomst van 12 april 2018 vanwege dwaling (de primair door [appellante] aangevoerde grondslag) is vernietigd en [naam5] veroordeeld om aan [appellante] € 1.150.000,- te betalen. Tot op heden heeft [appellante] dit bedrag niet op [naam5] kunnen verhalen.
3.5
[appellante] heeft ook [naam3] en [naam4] (hierna ook [naam3 en naam4] ) aansprakelijk gesteld omdat zij volgens haar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht dan wel bemiddelingsovereenkomst. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft op 1 november 2023, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen hen, geoordeeld dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [naam3 en naam4] Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. In afwachting van een uitspraak in de onderhavige procedure, is die zaak op de ‘parkeerrol’ geplaatst.
3.6
Op 15 november 2022 heeft [appellante] [naam1] aansprakelijk gesteld voor de geleden schade door het verstrekken van een positief aankoopadvies. Zij is vervolgens deze procedure tegen Evidensia gestart.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

bevoegdheid hof en toepasselijkheid Nederlands recht
4.1
Het hof is bevoegd van de vordering kennis te nemen op grond van artikel 4 van Pro de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012). Ook is Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 4 lid 1 sub b Rome Pro I-verordening, nr. 593/2008.
ontvankelijkheid
4.2
Evidensia meent dat [appellante] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat zij haar appeldagvaarding heeft ingetrokken en geen nieuwe heeft laten betekenen.
4.3
Dit betoog faalt. [appellante] heeft op 8 augustus 2024 Evidensia in hoger beroep gedagvaard. Bij de betekening van de hoger beroep dagvaarding heeft de deurwaarder abusievelijk niet alleen de hoger beroep dagvaarding betekend, maar ook het bestreden vonnis en bevel gedaan om de proceskosten te betalen. Dat laatste was onjuist. Immers Evidensia was in dit vonnis niet in de proceskosten veroordeeld, maar [appellante] . De advocaat van [appellante] heeft daarom bij bericht van 12 augustus 2024 de deurwaarder verzocht om ‘
de betekening van het vonnis met betalingsbevel omgaand ongedaan te maken’. Daarop heeft de deurwaarder op dezelfde dag de betekening van het vonnis in eerste aanleg en betalingsbevel ingetrokken. Anders dan Evidensia betoogt, is daarbij niet (ook) de hoger beroep dagvaarding ingetrokken, zoals door de deurwaarder is bevestigd in zijn e-mailbericht van 26 februari 2025 aan de advocaat van [appellante] . Het hof gaat er daarom van uit dat op 12 augustus 2024 alleen de betekening van het vonnis in eerste aanleg is ingetrokken en niet de hoger beroep dagvaarding. Evidensia heeft dit, gelet op deze gang van zaken, ook kunnen en moeten begrijpen. Bovendien is Evidensia in deze procedure verschenen en heeft zij verweer gevoerd, zodat zij niet in haar procesvoering is geschaad.
geen verjaring
4.4
Evidensia stelt zich verder op het standpunt dat, voor zover van een overeenkomst tussen haar en [appellante] al sprake is, de vorderingen die hieruit voortvloeien zijn verjaard. De keuring is immers op 3 april 2018 verricht en Evidensia is pas op 4 september 2023 bij dagvaarding aansprakelijk gesteld. Van stuiting van de verjaring is geen sprake omdat Evidensia de door [appellante] genoemde mail van 15 november 2022 waarin zij [naam1] aansprakelijk stelt, niet heeft ontvangen.
4.5
Het hof gaat niet mee in het standpunt van Evidensia dat de vordering van [appellante] is verjaard. De verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro (in dit geval verjaring van de vordering tot schadevergoeding) begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Nadat [appellante] erachter kwam dat [naam2] kreupel was, heeft zij [naam2] door meerdere dierenartsen laten onderzoeken, onder wie paardenarts [naam6] . [naam6] verklaart in zijn brief van 25 mei 2020 aan [appellante] dat hij op de röntgenopname van 3 april 2018 van de rechtervoorvoet een overvulling heeft gezien. Dit is een te vol hoefgewricht, waardoor het paard een hoge kans op kreupelheid oploopt, aldus [naam6] .
Dit betekent volgens het hof dat [appellante] pas vanaf 25 mei 2020 bekend was met de (mogelijk) aansprakelijke persoon, te weten (Evidensia als werkgever van) dierenarts [naam1] die deze röntgenopname heeft laten maken en heeft beoordeeld. Dat zij eerder bekend was met de mogelijke aansprakelijkheid van [naam1] en/of Evidensia is ook in hoger beroep gesteld noch gebleken. De verjaringstermijn is dus gestart op 25 mei 2020 (en niet op 3 april 2018) en daarmee is de dagvaarding (op 4 september 2023) ingediend voordat de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken. Bij deze stand van zaken behoeft de vraag of [naam1] het e-mailbericht van [appellante] van 15 november 2022 heeft ontvangen, waarin zij hem aansprakelijk stelt voor de geleden schade ten gevolge van een door hem ten onrechte verstrekt positief aankoopadvies, geen bespreking meer.
overeenkomst tussen Evidensia en [appellante]
4.6
Volgens Evidensia is tussen haar en [appellante] geen overeenkomst gesloten. Niet [appellante] maar [naam4] heeft [naam1] verzocht om de keuring van [naam2] te verrichten. [naam1] wist alleen dat het om een paard ging voor een Japanse cliënt van [naam4] . De factuur voor de keuring is aanvankelijk ook aan [naam4] gestuurd. Pas later heeft [naam1] , op verzoek van [naam4] , de factuur op naam van [appellante] gesteld en aan haar gestuurd. Voor zover al sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht, is dat volgens Evidensia eerder een bemiddelingsovereenkomst tussen [appellante] en [naam4] . Op het keuringsformulier dat door [naam1] is gebruikt is verder uitdrukkelijk aangegeven dat derden geen rechten kunnen ontlenen aan de keuring en de rapportage daarvan.
4.7
Het hof is van oordeel dat tussen Evidensia en [appellante] een overeenkomst (van opdracht) tot stand is gekomen. Voor het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, komt het aan op hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij invulling van deze norm acht het hof het volgende van belang. Hoewel op het keuringsrapport [naam3] als koper van het paard is aangeduid, wist [naam1] dat niet [naam3] maar een Japanse klant de koper van [naam2] was, zoals hij ook nog desgevraagd op de zitting bij het hof heeft geantwoord. Deze Japanse klant was ook, naar [naam1] wist, tijdens de keuring telefonisch aanwezig. [naam1] was zich er dus van bewust dat de feitelijk belanghebbende bij zijn keuring deze Japanse klant was. Wezenlijk is voorts dat de tenaamstelling van de factuur later door [naam1] is aangepast naar [appellante] . Daardoor wist en aanvaardde [naam1] dat de verbintenis tot betaling op [appellante] rustte. Dat deze aanpassing achteraf plaatsvond, staat er niet aan in de weg dat haar betekenis toekomt bij bepaling van de redelijke verwachting van partijen. [1]
Evidensia is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
4.8
Volgens [appellante] had [naam1] geen positief aankoopadvies mogen verstrekken omdat sprake was van een wezenlijk verhoogd risico op inzetbaarheid van [naam2] , in het bijzonder door overvulling van het hoefgewricht in het rechtervoorbeen. Dit was duidelijk te zien op de röntgenbeelden. Dat is niet alleen vastgesteld door [naam7] (hierna: [naam7] ) die als deskundige op verzoek van het hof ’s-Hertogenbosch in de procedure tussen [appellante] en [naam5] een rapport heeft opgesteld, maar ook door andere geraadpleegde dierenartsen, zoals paardendierenarts drs. [naam6] . In plaats van een positief aankoopadvies had [naam1] in zijn keuringsrapport moeten wijzen op dit verhoogde risico. In dat geval had [appellante] afgezien van de koop en had zij geen schade geleden. Verder had [naam1] de aanwezige MRI beelden moeten bestuderen, omdat deze beelden alleen bij paarden worden gemaakt indien daartoe aanleiding bestaat. Juist het bestaan van deze MRI beelden had voor [naam1] dus aanleiding moeten zijn deze te bestuderen, zodat hij de gebreken (naast overvulling van het hoefgewricht was [naam2] nog behept met andere gebreken) had kunnen opmerken. Dit klemde des te meer omdat [naam2] een periode niet op wedstrijden was uitgebracht wat [naam1] wist omdat hij inzage had gekregen in het wedstrijdboekje.
4.9
Volgens Evidensia heeft [naam1] daarentegen bij de keuring alle protocollen (zoals beschreven in het standaardboek ‘De veterinaire keuring van het paard’ door dr. M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan) die daarvoor gelden gevolgd, en zelfs meer dan dat.
[naam1] heeft [naam2] op locatie gekeurd omdat er volgens [naam8] , de dierenarts die namens verkoper [naam5] bij de keuring aanwezig was en laatstelijk met de zorg voor [naam2] was belast, geen geschikte kliniek in de buurt was. Hij heeft eerst vragen aan [naam8] gesteld over het veterinaire verleden van [naam2] , waarop [naam8] hem had verzekerd dat daarin geen bijzonderheden voorkwamen. Bij die gelegenheid heeft [naam1] ook inzage gekregen in het wedstrijdboekje van [naam2] waarbij hem opviel dat [naam2] al enige tijd niet op internationale wedstrijden was uitgebracht. Op de vraag of er in die periode wat speelde, vertelde [naam8] dat [naam2] eerder in België kreupel was geweest vanwege een disbalans in de voet. [naam8] vertelde in dat verband aan [naam1] dat er in het verleden MRI beelden van [naam2] zijn gemaakt en ook nog recente door de Universiteit van [plaats] , die [naam8] op zijn laptop had. Omdat de rapportage behorende bij deze beelden in het Spaans was opgesteld én [naam1] geen gespecialiseerd veterinair radioloog is, heeft [naam1] deze MRI beelden niet bekeken. Vervolgens heeft [naam1] [naam2] klinisch onderzocht. Daarvoor heeft hij onder meer de benen van [naam2] bevoeld/afgetast op zwellingen, bulten en andere rariteiten. Hij heeft niets afwijkends geconstateerd. Ook heeft hij de voeten (hoeven) van [naam2] onderzocht. Bij [naam2] waren de voeten niet gelijk, zoals [naam1] ook op het keuringsformulier heeft aangegeven. Er zat verschil in de rechter- en linkervoet. Daarna heeft [naam1] het paard ‘onder het zadel’ geobserveerd terwijl het werd bereden door een ter plaatse aanwezige ruiter. [naam1] heeft [naam2] in stap, draf en galop laten rijden. Daarnaast heeft hij een aantal stresstesten aan de benen uitgevoerd, de zogenaamde buigproeven. Vervolgens heeft [naam8] met mobiele apparatuur röntgenopnames gemaakt van rug, hals en benen van het paard. [naam1] heeft de röntgenopnames direct bekeken en later nog een keer op een rustig moment. Ook is een echografisch onderzoek uitgevoerd met de apparatuur van [naam8] , wat door [naam1] is bekeken. Op beide opnames zag [naam1] geen afwijkingen. Tenslotte is er nog bloed bij [naam2] afgenomen (dopingonderzoek) waarbij evenmin afwijkingen te zien waren.
4.1
Volgens het hof is Evidensia tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst jegens [appellante] , omdat de bij haar in dienst zijnde dierenarts [naam1] bij de aankoopkeuring van [naam2] niet als een redelijk handelend dierenarts heeft gehandeld.
Daartoe overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft in rov. 4.11 van het bestreden vonnis overwogen dat [naam1] heeft erkend dat hij de overvulling op de röntgenopnames niet heeft opgemerkt. Tegen deze overweging heeft Evidensia geen grief gericht zodat het ervoor moet worden gehouden dat [naam1] deze overvulling niet heeft gezien. Dat hij deze overvulling echter wel had
moetenzien blijkt uit het deskundigenrapport van [naam7] waarin deze schrijft dat de overvulling evident was. [naam7] verklaart hierover als deskundige:

De deskundige is van mening dat het klinisch onderzoek van [naam2] niet altijd volledig is geweest ofwel de verslaglegging is niet volledig geweest. Daardoor ontbreekt er veel potentieel waardevolle informatie. (…). Ook lijken er bevindingen zoals een overvuld hoefgewricht rechtsvoor te ontbreken op het keuringsrapport, deze bevinding is mogelijk gemist gedurende het klinisch onderzoek en gedurende de röntgenbeelden interpretatie, of deze informatie is niet correct gerapporteerd op het keuringsrapport. Dit is vervelend omdat de koper daarom mogelijk niet volledig is geïnformeerd gedurende de aankoop. Overigens wil deskundige hier wel aangeven dat het diagnosticeren van een overvuld hoefgewricht niet altijd eenvoudig is, zowel klinisch als op röntgenbeelden. Ook kan in theorie een gewricht kort voor een aankoopkeuring “leeggetapt” worden en daarmee het klinisch vaststellen van zo’n overvulling bemoeilijken. Overigens is de overvulling op de röntgenbeelden van de aankoopkeuring wel evident’.
Ook nadien hebben diverse dierenartsen de röntgenbeelden en de MRI beelden beoordeeld en zij kwamen tot dezelfde conclusie. Dierenarts [naam6] verklaart in zijn brief van 25 mei 2020 onder meer het volgende:

Op de röntgenopname van 3 april 2018 van de rechter voorvoet zie ik een overvulling. Dit is een te vol hoefgewricht, waardoor het paard een hoge kans op kreupelheid oploopt.
Op de MRI beelden van 25 april 2018 constateer ik een gelijkenis.(…)
Bij mijn wetenschap was dit paard op 3 april 2018 niet geschikt voor de dressuursport.’
Uit het deskundigenbericht van [naam7] en het expertise rapport veterinair van [naam9] van 4 november 2025 blijkt dat ook dierenarts [naam10] heeft verklaard dat op de röntgenbeelden tijdens de aankoopkeuring sprake is van een forse overvulling van het rechter hoefgewricht. Dit betekent volgens [naam10] dat dit ook klinisch waargenomen had kunnen worden. Dierenarts [naam11] heeft de MRI beelden van 10 maart 2017, 24 november 2017, 12 februari 2018 en 25 april 2018 bekeken en kwam ten aanzien van het hoefgewricht tot dezelfde conclusie.
4.11
Evidensia heeft hiertegen te weinig steekhoudends ingebracht om van de verklaringen van de deskundige [naam7] en de nadien geraadpleegde dierenartsen af te wijken. Het had op haar weg gelegen om verklaringen/rapporten over te leggen waaruit zou blijken dat [naam1] geen verwijt had kunnen worden gemaakt dat hij genoemde overvulling niet had opgemerkt. Dat heeft zij echter nagelaten. Het enige wat Evidensia hiertegenover heeft gesteld is de verklaring van [naam1] , ook ter zitting, dat er geen ‘rangorde’ in onderzoeken (waarmee bij bedoelt dat het röntgenonderzoek niet doorslaggevend is maar dat alle onderzoeken in samenhang moeten worden beoordeeld) is en dat hij de aankoopkeuring volgens de protocollen zoals neergelegd in het boek ‘De veterinaire keuring van het paard’ heeft uitgevoerd. Dat is tegenover de andersluidende rapporten een onvoldoende betwisting.
4.12
Uit het deskundigenrapport van [naam7] blijkt vervolgens dat [naam2] door deze overvulling van het hoefgewricht weliswaar niet feitelijk ongeschikt is als Grand Prix dressuurpaard, maar dat een paard met afwijkingen zoals geconstateerd (naast de overvulling zijn geconstateerd ongelijke voeten, irritatie van het hoefgewrichtskapsel en haakvorming in het hoefgewricht) een grotere kans heeft op kreupelheid dan een paard dat deze afwijkingen niet heeft. Volgens [naam7] is er daarom een verhoogd risico dat [naam2] haar carrière als Grand Prix dressuurpaard voortijdig moest afbreken. Verder verklaart [naam7] dat alle medische informatie die tijdens een aankoopkeuring wordt aangeboden mogelijk relevant is, omdat de dierenarts de koper adviseert of de aankoop aan het gestelde gebruiksdoel en toekomstverwachting kan voldoen. [naam7] is van oordeel dat de medische geschiedenis van [naam2] , waarin o.a. herhaalde kreupelheid is gelocaliseerd in de hoefregio, minimaal drie behandelingen met een corticosteroïd in het hoefgewricht hebben plaatsgevonden en beeldmateriaal met consistent afwijkingen passend bij een ontstoken hoefgewricht, een hoge mate van relevantie had voor de koper. Ook indien een paard op het moment van keuring geen kreupelheid laat zien, blijft de medische geschiedenis volgens [naam7] relevant, omdat een keuring slechts een momentopname is.
4.13
In het keuringsrapport is enkel door [naam1] melding gemaakt van ongelijke voeten. Uit het voorgaande volgt dat [naam1] de overvulling niet had mogen missen. Deze afwijking, in combinatie met de bij [naam1] bekende kreupelheid van [naam2] (door [naam8] hiervan op de hoogte gebracht) in het verleden en de haakvorming in het hoefgewricht (door [naam1] aangeduid als een ‘klein haakje’) had ertoe moeten leiden dat [naam1] dit als onderdeel van het keuringsrapport had opgemerkt als risicofactor. De bij [naam2] geconstateerde afwijkingen brachten immers een verhoogd risico op kreupelheid mee, zoals blijkt uit onder meer het deskundigenbericht van [naam7] . [naam1] had alle bevindingen moeten melden, omdat die tot een verhoogd risico op voortijdig afbreken van de carrière van [naam2] als Grand Prix dressuurpaard konden leiden. Een veterinaire aankoopkeuring met een conclusie/advies is er immers op gericht om de koper ( [appellante] ) in staat te stellen in te schatten welke potentiële risico’s aan de aankoop van het desbetreffende paard kleven en is niet bedoeld voor de dierenarts zelf, zoals ook blijkt uit het boek ‘De veterinaire keuring van het paard’ en geciteerd door Evidensia op p. 9 van haar memorie van antwoord. Dat is in dit geval niet gebeurd, wat wel van een redelijk handelend dierenarts gevergd had mogen worden. Daarmee heeft [naam1] onzorgvuldig gehandeld. Gelet op de voorgeschiedenis van kreupelheid, de ongelijke voeten en de hiaten in het wedstrijdboekje van [naam2] had [naam1] onder deze omstandigheden naar het oordeel van het hof bovendien de aanwezige MRI beelden moeten (laten) beoordelen dan wel het aanwezige verslag (dat in het Spaans was opgesteld) moeten laten vertalen en had hij niet zonder meer op de uitlatingen van de dierenarts van de verkoper mogen afgaan.
aannemelijkheid schade
4.14
Dit alles betekent dat het aannemelijk is dat [appellante] door het toerekenbare tekortschieten van Evidensia (als werkgever van [naam1] ) schade heeft geleden. [appellante] heeft onbetwist naar voren gebracht dat zij de koop niet had gesloten als zij op de hoogte was geweest van het verhoogde risico dat [naam2] voortijdig haar carrière als Grand Prix dressuur paard had moeten staken. Het hof zal daarom de zaak naar de schadestaatprocedure verwijzen, zoals hierna te melden. In dat kader kunnen, voor zover relevant, dan ook aan de orde komen of er voor wat betreft de omvang van de schade een rol is weggelegd voor de stellingen van Evidensia dat de hoefproblemen van [naam2] door het transport naar Nederland kunnen zijn veroorzaakt en dat [appellante] zelf heeft besloten over te gaan tot euthanasie, waardoor nooit meer kan worden vastgesteld of het paard had kunnen herstellen van kreupelheid en of het aan dressuurwedstrijden had kunnen deelnemen. Datzelfde geldt voor het betoog dat het hof ‘s -Hertogenbosch [naam5] al veroordeeld heeft tot betaling aan [appellante] zodat de gestelde schade al is vergoed. Voor deze procedure behoeven deze stellingen echter gelet op wat hiervoor is overwogen, geen nadere behandeling. Zij kunnen er immers niet aan afdoen dat [naam1] bij de keuring onzorgvuldig heeft gehandeld.
4.15
Omdat Evidensia, gelet op hetgeen in rov. 4.11 is overwogen, onvoldoende onderbouwd heeft betwist dat [naam1] een zorgvuldige aankoopkeuring heeft verricht, komt het hof niet aan bewijslevering toe. Het hof passeert daarom het in eerste aanleg door Evidensia gedane bewijsaanbod.
geen vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
4.16
De in eerste aanleg gevorderde en betwiste buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Voor vergoeding van deze ‘redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte’ op de voet van artikel 6:96 lid Pro 1 c BW, geldt de dubbele redelijkheidstoets. Zowel het maken van deze kosten als de omvang ervan moeten redelijk zijn. [appellante] heeft deze kosten niet gespecificeerd, zodat deze vordering als onvoldoende onderbouwd wordt afgewezen. [2]
4.17
Wegens het slagen van het principaal hoger beroep, komt het hof toe aan het incidenteel hoger beroep. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, faalt het incidenteel hoger beroep dat ziet op de verjaring en de betwisting dat sprake is van een overeenkomst tussen Evidensia en [appellante] . Het incidenteel hoger beroep behoeft daarom geen verdere aparte bespreking.
de conclusie
4.18
Het principaal hoger beroep slaagt en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep faalt. Omdat Evidensia zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Evidensia veroordelen tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep (principaal en incidenteel) als bij de rechtbank.
4.19
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). Het hof gaat voorbij aan de bezwaren van Evidensia om de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat deze bezwaren (overschrijding verjaringstermijn, overige gebreken, gebrek aan motivering en bewijs) geen gronden opleveren om af te zien van een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, nog afgezien van het feit dat deze bezwaren gelet op de uitkomst van de procedure niet opgaan.

5.De beslissing

Het hof:
in het principaal en in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 29 mei 2024 en beslist:
4.2
verklaart voor recht dat Evidensia toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht met [appellante] ;
4.3
veroordeelt Evidensia tot betaling van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, die [appellante] heeft geleden ten gevolge van dit toerekenbaar tekortschieten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2022 (bedoeld zal zijn 2022 in plaats van 2021 gelet op de aansprakelijkstelling van die datum) tot aan de dag van volledige betaling;
4.4
veroordeelt Evidensia tot betaling van de volgende proceskosten van [appellante] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 314,- aan griffierecht
€ 129,14 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Evidensia
€ 1.228,- aan salaris van de advocaat van [appellante] (2 procespunten x € 614,-)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellante] in
het principaal hoger beroep:
€ 349,- aan griffierecht
€ 144,32 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Evidensia
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van [appellante] (2 procespunten x tarief II)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellante]
in het incidenteel hoger beroep:
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van [appellante] (1 punt x tarief II)
4.5
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.6
verklaart de (proceskosten)veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, D.W.J.M. Kemperink en J.L. Smeehuijzen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572
2.Vergelijk HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6690