ECLI:NL:GHARL:2026:895

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.362.776/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Haags Bewijsverdrag 1970Art. 9 Haags Bewijsverdrag 1970Art. 11 Haags Bewijsverdrag 1970Art. 14 Haags Bewijsverdrag 1970Art. 15a Uitvoeringswet Bewijsverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging beschikking inzake getuigenverhoor en verschoningsrecht

In deze civiele zaak verzocht de District Court Florida via het Haags Bewijsverdrag 1970 om een getuigenverhoor met speciale vormen en overlegging van documenten van verzoeker. De rechtbank Noord-Nederland gaf daartoe een beschikking, waartegen verzoeker hoger beroep instelde en tevens schorsing van de tenuitvoerlegging vroeg.

Het hof oordeelt dat verzoeker niet-ontvankelijk is in hoger beroep voor zover het gaat om het bevel tot het houden van het getuigenverhoor met speciale vormen, omdat het verdrag en de uitvoeringswet geen rechtsmiddelen voor getuigen tegen dergelijke beslissingen bieden. De beoordeling van het verschoningsrecht van verzoeker als getuige behoort aan de rechter-commissaris die het verhoor afneemt.

Ten aanzien van het bevel tot overlegging van documenten acht het hof het niet ondenkbaar dat verzoeker een verschoningsrecht toekomt. Gezien zijn kwetsbare positie en mogelijke repercussies in zijn thuisland, weegt het belang van verzoeker zwaarder dan dat van verweerster bij directe afgifte. Daarom wordt de tenuitvoerlegging van dat deel van de beschikking geschorst.

Het hof bepaalt dat de kostenbeslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak en stelt een termijn voor het indienen van een verweerschrift door verweerster. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen het bevel tot speciale vormen van getuigenverhoor; tenuitvoerlegging van het bevel tot overlegging van documenten wordt geschorst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.776/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/243086 / HA RK 25-10
beschikking van 13 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker]
die woont in [woonplaats1]
verzoeker in het incident
hierna:
[verzoeker]
advocaat: mr. P.J. Fousert te Groningen
en
[verweerster]
die is gevestigd in Naples, Florida (Verenigde Staten van Amerika)
verweerster in het incident
hierna:
[verweerster]
advocaat: mr. N. Saidi te Rotterdam

1.Het verloop van het geding

1.1
Bij verzoekschrift van 14 februari 2025, ingekomen bij de rechtbank Den Haag op 26 februari 2025, heeft The United States District Court Middle District of Florida Fort Myers Division, de Verenigde Staten (hierna: de District Court) genoemde rechtbank verzocht op grond van het Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken ’s-Gravenhage van 18 maart 1970 (hierna: het Haags Bewijsverdrag 1970) een getuigenverhoor te gelasten en [verzoeker] , met inachtneming van een aantal speciale vormen, als getuige te horen. Daarnaast is de rechtbank Den Haag verzocht te bepalen dat [verzoeker] de onder punt 11 van het verzoekschrift genoemde documenten moet verstrekken.
1.2
Bij beschikking van 18 maart 2025 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat het verzoek voldoet aan de bepalingen van het Haags Bewijsverdrag 1970, overwogen dat de rechtbank Noord-Nederland op grond van artikel 9 van Pro het Haags Bewijsverdrag 1970 zal hebben te beslissen over de verzochte speciale vormen en tevens een beslissing zal dienen te geven op het verzoek tot overlegging van documenten door [verzoeker] . Met het oog daarop heeft genoemde rechtbank het verzoek ter verdere uitvoering overgedragen aan de rechtbank Noord-Nederland. Bij beschikking van 14 november 2025 (hierna: de beschikking) heeft de rechtbank Noord-Nederland, voor zover hier van belang en verkort weergegeven, het verhoor van [verzoeker] , met inachtneming van een aantal speciale vormen, bevolen en hem tevens opgedragen de onder 4.37 van de beschikking genoemde documenten over te leggen.
1.3
[verzoeker] verzoekt in dit hoger beroep om de beschikking te vernietigingen en i) de gevraagde speciale vormen bij het getuigenverhoor niet toe te staan, ii) te oordelen dat de gevraagde rogatoire commissie niet kan worden uitgevoerd vanwege een aan [verzoeker] toekomend verschoningsrecht, althans een op hem rustende geheimhoudingsplicht en iii) veroordeling in de kosten overeenkomstig artikel 14 en Pro artikel 26 van Pro het Haags Bewijsverdrag 1970. Verder heeft [verzoeker] , bij wijze van voorlopige voorziening, incidenteel verzocht om de tenuitvoerlegging van de beschikking te schorsen.
1.4
In een verweerschrift, ontvangen op 23 januari 2026 op de griffie van dit hof, heeft [verweerster] primair verzocht om [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en subsidiair het schorsingsverzoek af te wijzen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten.
1.5
De rechtbank heeft de datum van het getuigenverhoor van [verzoeker] vastgesteld op 12 maart 2026.
1.6
Het hof zal in deze beschikking beslissen op het schorsingsverzoek. Het hof heeft partijen per e-mail nog gevraagd om aan te geven of uitvoering is gegeven aan de bestreden beschikking. Daarop is geantwoord dat dit niet het geval is. Voor zover partijen in hun antwoorden op die vraag nog op andere punten zijn ingegaan blijven die reacties bij de beoordeling buiten beschouwing.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid van het beroep
2.1
[verweerster] heeft primair het verweer gevoerd dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de beschikking.
2.2
Het hof oordeelt dat [verzoeker] inderdaad niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen voor zover dit zich richt tegen het door de rechtbank gegeven bevel om [verzoeker] als getuige te doen horen met inachtneming van de in rov. 5.7 van de beschikking omschreven speciale vormen. Daartoe is het volgende redengevend.
2.3
Tussen partijen is niet in geschil dat het hiervoor vermelde verzoek tot het houden van een rogatoire commissie en het toepassen van speciale vormen moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Haags Bewijsverdrag 1970 en de wijze waarop daaraan door de Nederlandse wetgever bij wet van 11 december 1980 (hierna: de Uitvoeringswet) uitvoering is gegeven. Artikel 5 van Pro het Haags Bewijsverdrag 1970 heeft betrekking op de beoordeling door de Centrale Autoriteit of een verzoek van een rechterlijke autoriteit van een andere verdragsluitende staat tot het verkrijgen van bewijs aan de bepalingen van het verdrag voldoet. Artikel 9 van Pro het Haags Bewijsverdrag 1970 gaat over het volgen van speciale methodes of procedures (het toepassen van speciale vormen) bij de bewijsgaring. Voor partijen in de hoofdprocedure staat ingevolge artikel 15a van de Uitvoeringswet tegen afwijzende beslissingen die zijn gegrond op deze artikelen van het Haags Bewijsverdrag 1970, hoger beroep open. Het Haags Bewijsverdrag 1970 noch de Uitvoeringswet voorzien in de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen door getuigen (zoals in casu [verzoeker] ) tegen toewijzende beslissingen op een verzoek van een rechterlijke autoriteit van een andere verdragsluitende staat tot het verkrijgen van bewijs of tot het toepassen van speciale vormen daarbij. Gelet hierop is [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, uitsluitend voor zover dit ziet op de toewijzende beslissing op het verzoek tot het gelasten van een getuigenverhoor, met speciale vormen. Het beroep op doorbrekingsgronden kan hieraan niet afdoen. Voor dit onderdeel van de beschikking is niet sprake van een appelverbod dat partijen belet om een rechtsmiddel aan te wenden. Een dergelijk appelverbod kan met een doorbrekingsgrond opzij worden gezet. In dit geval gaat het om het ontbreken van een appelmogelijkheid voor anderen dan partijen.
De inhoudelijke beoordeling van het incident
2.4
Het toepasselijke toetsingskader ter zake van het schorsen van de tenuitvoerlegging van een vonnis is onder meer in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) uiteengezet. Uit dat arrest volgt dat indien er geen, dan wel (zoals in de bestreden beschikking het geval is) een niet gemotiveerde, beslissing is gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, moet worden aangenomen dat nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden aan de hand van de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden. De rechter in de hogere instantie of de rechter in kort geding die oordeelt over een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitspraak moet in de hier bedoelde incidenten deze afweging daarom alsnog maken. In dat verband geldt het volgende.
2.5
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere (of andere) voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij die belangenafweging moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
Verschoningsrecht als getuige
2.6
[verzoeker] heeft in het kader van zijn schorsingsverzoek onder meer betoogd dat de rechtbank bij de beoordeling van en beslissing op het verzoek om hem als getuige te doen horen zijn beroep op een verschoningsrecht ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Daarover overweegt het hof als volgt.
2.7
Op het ingevolge de beschikking te houden getuigenverhoor zijn processueel de regels van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing. Die houden op het punt van de mogelijkheden van een getuige om zich te verschonen het volgende in. Ingeval een behoorlijk opgeroepen getuige zich op een verschoningsrecht wil beroepen, heeft als vast uitgangspunt te gelden dat deze op de voor het verhoor bepaalde dag ter zitting dient te verschijnen. Ter zitting zal de rechter dan ten overstaan van alle partijen (kunnen) beoordelen of de getuige een beroep op een verschoningsrecht toekomt (art. 177 lid 1 Rv Pro). Als echter meteen duidelijk is dat gronden voor een beroep op een verschoningsrecht aanwezig zijn, kan het uit praktisch oogpunt de voorkeur verdienen dat de getuige deze tevoren schriftelijk aan de rechter die is belast met het afnemen van het getuigenverhoor en de betrokken partijen bekendmaakt om verspilling van tijd en kosten te voorkomen. Als de partij die de getuigen wenst te horen niet vindt dat die gronden aanwezig zijn, zal de getuige alsnog ter zitting moeten verschijnen. Dit lijdt slechts uitzondering indien de partij die volhardt bij de verschijning van de getuige daarbij geen enkel in rechte te respecteren belang heeft. [1]
2.8
Het hiervoor geschetste toepasselijke processuele kader maakt duidelijk dat niet dit hof maar de rechter ten overstaan van wie het getuigenverhoor plaatsvindt, zal dienen te beoordelen of aan [verzoeker] als getuige een beroep op een verschoningsrecht toekomt. Dit is de door de rechtbank aangewezen rechter-commissaris. Het hof merkt nog op dat de rechter-commissaris die beslissing niet mag overlaten aan de Amerikaanse rechter die aan het verhoor mag deelnemen. De rechter-commissaris mag die rechter wel advies vragen over de inhoud van het Amerikaanse recht dat van toepassing is. Op grond van art. 11 van Pro het Haags Bewijsverdrag 1970 kan bij een beroep op het verschoningsrecht de (verdere) uitvoering van de rogatoire commissie worden geweigerd. Door het beroep op het verschoningsrecht ontstaat een incident waarbij de getuige partij is geworden. Als daarin het beroep op het verschoningsrecht wordt afgewezen, geldt dat ten aanzien van de getuige als een einduitspraak waartegen de getuige een rechtsmiddel kan aanwenden. [2]
2.9
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het door [verzoeker] gedane beroep op een hem toekomend verschoningsrecht als getuige niet kan dienen als grond voor schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking voor zover daarin het getuigenverhoor is bevolen. Aan een belangenafweging als hiervoor bedoeld wordt niet toegekomen.
Verschoningsrecht ten aanzien van over te leggen documenten
2.1
[verzoeker] voert in het kader van zijn schorsingsverzoek verder aan dat hem een verschoningsrecht toekomt in relatie tot het in de beschikking gegeven bevel (dictum onder 5.9) tot overlegging van de daarin omschreven documenten en dat hij daarom een zwaarwegend belang heeft bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bepaalde onder 5.9 van de beschikking. Het hof merkt op dat voor de afgifte van stukken door derden naar Nederlands procesrecht de derde ook een beroep kan doen op een verschoningsrecht (artikel 195a in samenhang met artikel 194 lid 2 Rv Pro).
2.11
Afgaande op de inhoud van de gedingstukken uit de eerste aanleg acht het hof het geenszins ondenkbaar of onmogelijk dat [verzoeker] ten aanzien van één of meerdere van de onder 5.9 van de beschikking genoemde documenten inderdaad een verschoningsrecht toekomt. Gelet daarop alsmede op hetgeen [verzoeker] ter zitting van 10 september 2025 bij de rechtbank heeft verklaard over zijn kwetsbare positie als geheimhouder en de door hem gevreesde potentiële repercussies in zijn thuisland bij een gedwongen doorbreking van die geheimhouding, kent het hof aan het belang van [verzoeker] bij het vooralsnog niet hoeven afgeven van de bedoelde documenten een zwaarder gewicht toe dan aan het belang van [verweerster] en andere betrokken partijen bij directe afgifte daarvan.
2.12
Het voorgaande brengt mee dat het schorsingsverzoek toewijsbaar is voor zover het op het bevel tot afgifte van de hiervoor bedoelde documenten ziet.
2.13
Tot slot merkt het hof op dat het in de rede ligt dat tijdens de zitting waarin [verzoeker] als getuige zal worden gehoord ook voldoende tijd zal worden ingeruimd voor een bespreking met [verzoeker] en de overige ter zitting aanwezige partijen van de merites van zijn beroep op een verschoningsrecht in relatie tot de hiervoor bedoelde documenten. De uitkomsten van die bespreking kunnen vervolgens in de hoofdzaak ter kennis van het hof worden gebracht met het oog op het nemen van een beslissing ten gronde op dit punt.

3.De beslissing

Het hof:
in het incident
3.1
schorst de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2025 voor wat betreft de veroordeling opgenomen in 5.9 van het dictum;
3.2
bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
3.3
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek om te bepalen dat de gevraagde bijzondere vormen bij het getuigenverhoor niet worden toegestaan;
3.4
bepaalt dat [verweerster] uiterlijk
31 maart 2026een verweerschrift indient in de hoofdzaak;
3.5
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.S. Bakker, mr. J.H. Kuiper en mr. J.G. Knot, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

Voetnoten

1.Zie voor dit alles recentelijk HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1462.
2.Zie HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8273.