ECLI:NL:GHARL:2026:618

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
200.349.327
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 164 lid 2 (oud) Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen inzake aanspraak op mondeling toegekend winstaandeel

Appellante vorderde betaling van €40.000 van Pensioen B.V., gebaseerd op een mondelinge toekenning door haar overleden vader van een winstaandeel. Pensioen betwistte het bestaan van deze aanspraak en voerde verjaring aan. De rechtbank wees de vordering af wegens onvoldoende bewijs.

In hoger beroep stelde appellante dat de bewijslast omgekeerd moest worden en leverde aanvullend schriftelijk en getuigenbewijs. Het hof oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden voor omkering van de bewijslast bestonden en dat het bewijs onvoldoende was om de mondelinge toekenning aan te tonen. De verklaringen van getuigen werden als onvoldoende overtuigend beoordeeld, mede vanwege tegenstrijdigheden en belangenverstrengeling.

Het hof verwierp het bewijsaanbod voor nader getuigenverhoor en het overleggen van het volledige accountantsdossier, omdat appellante daartoe in eerste aanleg al gelegenheid had gehad. Het hoger beroep werd verworpen en appellante werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Pensioen. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarbij appellante geen aanspraak krijgt op het winstaandeel van €40.000.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.327
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 533600
arrest van 3 februari 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
hierna: [appellante]
advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto
en
[geïntimeerde] B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna: Pensioen
advocaat: mr. V.O. Agterberg

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 18 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het eindvonnis). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord en de nadien gezonden productie 4
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 23 oktober 2025 is gehouden.
1.2.
Partijen hebben hun overleg over een minnelijke regeling na de mondelinge behandeling tevergeefs voortgezet. Op de rol van 25 november 2025 is het hof verzocht arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak en de vaststaande feiten

2.1.
[appellante] is van mening dat Pensioen haar een bedrag van € 40.000 schuldig is dat door haar vader [naam1] (hierna: vader) namens Pensioen mondeling aan haar is toegekend bij wijze van ‘winstaandeel’. Pensioen , inmiddels bestuurd door alleen haar broer [naam2] (hierna: [de broer van appellante] ), meent dat deze aanspraak niet bestaat of anders is verjaard en weigert betaling van dit bedrag aan [appellante] .
2.2.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het tussenvonnis van 19 april 2023 vastgestelde feiten. Samengevat en aangevuld met nog een aantal vaststaande feiten komen die – voor zover nu nog relevant – op het volgende neer.
2.3.
De vader van [appellante] en [de broer van appellante] exploiteerde bij leven een schilders-, renovatie- en installatiebedrijf via verschillende besloten vennootschappen, waarvan [naam3] B.V. (hierna: Holding) alle aandelen houdt. Pensioen behartigde tot het overlijden van vader [in] 2017 zijn pensioenbelangen en die van [de broer van appellante] . Vóór zijn overlijden was vader samen met [de broer van appellante] aandeelhouder en bestuurder van Pensioen ; daarna was [de broer van appellante] daarvan de enige aandeelhouder en bestuurder. In ieder geval tot en met 2006 handelde Pensioen in onroerend goed. Al deze vennootschappen samen worden hierna [naam4] genoemd.
2.4.
Tot en met belastingjaar 2007 trad het accountants- en belastingadvieskantoor B&J Accountants Hilversum B.V. van [naam5] op als accountant en belastingadviseur van [naam4] . In 2008 heeft dit kantoor zijn klanten overgedragen aan een op hetzelfde adres gevestigd kantoor met de naam B&J Belastingadviseurs B.V. met [naam6] (een voormalig werknemer van [naam5] ) als aandeelhouder en bestuurder. Via dit andere kantoor verrichtte [naam5] tot in het najaar van 2013 verdere werkzaamheden voor [naam4] . Vanaf eind 2017 heeft [naam5] , die tevens advocaat was, opgetreden als gemachtigde/advocaat van [appellante] in tussen haar en [de broer van appellante] en/of de vennootschappen uit [naam4] gerezen geschillen.
2.5.
Vader was vanaf 2001 ook de enig aandeelhouder van de aandelen in Grachtenstaete B.V. (hierna: Grachtenstaete ). Hij heeft bij notariële akte van 10 januari 2017 alle aandelen in Grachtenstaete aan [appellante] geschonken.
2.6.
In de jaarrekening 2006 van Pensioen is een post ‘winstaandeel derden’ opgenomen voor een bedrag van € 80.000. Op de algemene vergadering van aandeelhouders van Pensioen van 5 mei 2021 is besloten dit ‘winstaandeel derden’ vrij te laten vallen, omdat na onderzoek door mr. [naam7] – de door de rechter aangewezen vereffenaar van de nalatenschappen van vader en de moeder van [appellante] en [de broer van appellante] – niet duidelijk was geworden voor wie dit bedrag was bestemd. Tijdens deze vergadering werden [appellante] en [de broer van appellante] vertegenwoordigd door (een gemachtigde van) mr. [naam7] .

3.De procedure bij de rechtbank en het geschil in hoger beroep.

3.1.
Voor zover nu nog van belang heeft [appellante] bij de rechtbank gevorderd om Pensioen te veroordelen aan haar € 40.000 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat Pensioen zich heeft verplicht een winstaandeel ter grootte van genoemd bedrag aan [appellante] uit te betalen in verband met de bij verkoop van onroerende zaken door Pensioen gerealiseerde winst. Pensioen heeft primair het (rechtsgeldig) bestaan van deze toekenning betwist en subsidiair, voor zover deze aanspraak van [appellante] wel zou komen vast te staan, een beroep verjaring van die vordering gedaan.
3.2.
De rechtbank heeft [appellante] bij tussenvonnis van 19 april 2023 opgedragen te bewijzen dat Pensioen haar een winstaandeel van € 40.000 heeft toegekend. Na bewijslevering heeft de rechtbank in het eindvonnis geoordeeld dat [appellante] dit bewijs niet heeft geleverd en de vordering van [appellante] daarom afgewezen.
3.3.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat de afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen. Maar ook van het hof zal [appellante] geen gelijk krijgen. De beslissing van de rechtbank blijft in stand. Hierna licht het hof toe hoe het tot deze beslissing komt.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Bewijslastverdeling
4.1.
[appellante] heeft het hof verzocht de door de rechtbank gehanteerde bewijslastverdeling om te keren en Pensioen te laten bewijzen dat het winstaandeel van € 40.000 aan een ander toekomt dan aan [appellante] . De redenen daarvoor ziet [appellante] in nalatigheid van de boekhouders van Pensioen destijds om aan [naam5] of vader een toelichting op de post ‘winstaandeel derden’ in de jaarrekening te vragen, in de tegenstrijdige stellingname van Pensioen over de rechthebbenden op dat winstaandeel, de bewijsnood aan de zijde van [appellante] en de houding van [de broer van appellante] als (inmiddels) enig erfgenaam jegens [appellante] .
4.2.
Anders dan Pensioen betoogt, levert ook dit verzoek van [appellante] een grief op, ook al is deze opgenomen in de inleiding van de memorie van grieven, vóór de uitdrukkelijk als grieven aangeduide, genummerde grieven. De grief slaagt echter niet. Zoals [appellante] terecht niet bestrijdt, moet zij op grond van art. 150 Rv Pro de – door Pensioen gemotiveerd betwiste – feiten bewijzen waaruit volgt dat zij recht heeft op betaling aan haar door Pensioen van € 40.000. Wat [appellante] heeft aangevoerd, duidt niet op het bestaan van een bijzondere regel waaruit een afwijkende bewijslastverdeling voortvloeit en levert ook geen bijzondere omstandigheden op die maken dat naar de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere bewijslastverdeling is aangewezen. In het bijzonder geldt dat bewijsnood op zichzelf onvoldoende reden is om op deze grond de bewijslast om te keren, [1] terwijl [appellante] niet voldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat Pensioen (of [de broer van appellante] als bestuurder daarvan) heeft bewerkstelligd dat zij in bewijsnood verkeert. [2]
Bewijswaardering
4.3.
[appellante] klaagt in hoger beroep verder over de waardering door de rechtbank van het door haar bijgebrachte schriftelijke en getuigenbewijs. Zij beroept zich in hoger beroep nogmaals op stukken die zij bij de rechtbank al had overgelegd, aangevuld met e-mailverkeer van boekhouder [naam8] (hierna: [naam8] ) van Pensioen en haar accountant [naam9] (hierna: [naam9] ). Volgens [appellante] heeft de rechtbank aan een aantal van die stukken ten onrechte geen bewijskracht toegekend, terwijl de echtheid daarvan hetzij door [appellante] (alsnog) is aangetoond hetzij door de rechter of Pensioen bevraagd had kunnen worden tijdens het getuigenverhoor van [naam5] . Verder meent [appellante] dat de rechtbank bij de beoordeling van de getuigenverklaringen van [naam5] en [naam6] van onjuiste aannames is uitgegaan, hun verklaringen onjuist heeft weergegeven of geïnterpreteerd en daardoor te weinig gewicht aan hun verklaringen heeft gehecht.
4.4.
Vaststaat dat vanaf 2006 tot 2017 in de jaarrekening van Pensioen een post ‘winstaandeel derden’ ter grootte van € 80.000 was opgenomen. Waar het om gaat is of, zoals [appellante] stelt en Pensioen betwist, vader de helft daarvan mondeling aan [appellante] heeft toegekend. [appellante] heeft als achtergrond hiervan gesteld dat degenen die hadden bijgedragen aan de binnen Pensioen gegenereerde winst op onroerend goed door vader vanaf 2004 met een soort bonus beloond werden en dat daarom ook in 2006 geld is toebedeeld aan hemzelf, [de broer van appellante] en [appellante] . Volgens [appellante] gaat dus niet om een winstaandeel die de onderneming heeft gemaakt.
4.5.
[appellante] wijst voor het bewijs van haar stelling op een door haar bij de rechtbank al overgelegd document met als opschrift ‘ [geïntimeerde] B.V. AANDEEL DERDEN’, waarvan zij in hoger beroep een door [naam5] voor ‘kopie conform accountantsdossier’ ondertekend afschrift heeft overgelegd. Uit dit document blijkt volgens [appellante] onder meer dat vader aan hemzelf en aan haar in 2006 ieder een bedrag van € 40.000 toekende en aan [naam10] B.V., een vennootschap van [de broer van appellante] , een bedrag van € 35.800. Alleen aan [naam10] B.V. is het toegekende bedrag in 2006 daadwerkelijk uitgekeerd, zoals blijkt uit datzelfde document en uit de door [naam10] B.V. in 2006 blijkens de winst- en verliesrekening genoteerde omzet van € 35.800, aldus [appellante] ; het aan haar toegekende bedrag zou aan haar via Grachtenstaete B.V. worden uitgekeerd zodra [naam1] alle aandelen in die vennootschap aan [appellante] zou hebben overgedragen. Haar aanspraak ziet zij verder bewezen door een Voorlopige Saldilijst Grootboekrekeningen (hierna: saldilijst) van Pensioen van 14 september 2017: daarop prijken (bij de passiva, onder de langlopende schulden) rekening-courantvorderingen van vader en haarzelf ter grootte van elk € 40.000. Dat Pensioen een op 28 september 2017 gedateerde, gecorrigeerde versie van de saldilijst heeft overgelegd doet aan de juistheid van haar vordering op Pensioen volgens [appellante] niet af. Zij verwijst in dit verband naar de opvatting van haar accountant [naam9] in zijn e-mail aan boekhouder [naam8] van Pensioen van 8 november 2017 en zijn e-mail van 9 februari 2024 aan mr. J.P. Sanchez Montoto alsmede de getuigenverklaringen van [naam5] en [naam6] over de inhoud van hun besprekingen met vader inzake de jaarrekeningen van Pensioen . Pensioen bestrijdt ook in hoger beroep dat [appellante] met het bovenstaande haar aanspraak op € 40.000 heeft bewezen.
4.6.
Het hof is het met Pensioen eens dat [appellante] met het overleggen van deze stukken en haar toelichting erop niet heeft bewezen dat vader mondeling een bedrag van € 40.000 aan winst uit Pensioen aan haar heeft toegekend. Het document inzake ‘aandeel derden’ dat volgens [appellante] afkomstig is uit het interne accountantsdossier van de voormalige accountant van Pensioen is bij Pensioen niet bekend. Het bestaan van een dergelijk document verhoudt zich bovendien slecht met die hierna te bespreken door [naam5] als getuige onder ede afgelegde verklaring dat er in het accountantsdossier niets blijvend over winstaandelen is vastgelegd, zoals Pensioen terecht heeft aangevoerd. Als verklaring voor het feit dat [naam5] het document ‘aandeel derden’ niet heeft genoemd tijdens zijn verhoor als getuige is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep namens [appellante] aangevoerd dat niet uit die bij de voormalige accountant van Pensioen beschikbare interne informatie mocht worden geput en dat die daarom bij de rechtbank niet is overgelegd, maar dat vanwege de bewijsnood ervoor is gekozen in hoger beroep toch het document over te leggen. Deze verklaring is naar het oordeel van het hof aantoonbaar onjuist, aangezien [appellante] het document bij de rechtbank al als productie 5 (maar dan zonder de handtekening van [naam5] erop) heeft overgelegd. Deze feiten en omstandigheden roepen vragen op over de echtheid of in elk geval de status van het document. Bovendien is dit (ongedateerde) document slechts een deel van een niet overgelegd geheel zodat de context hiervan ook niet vastgesteld kan worden. De vermelding van een post aan omzet in de winst- en verliesrekening van [naam10] B.V. in 2006 ter grootte van precies het in het document ‘aandeel derden’ genoemde bedrag dat volgens [appellante] aan [naam10] B.V. is uitgekeerd, doet hieraan niet op zichzelf niet af. Pensioen heeft namelijk betwist dat [naam10] B.V. winstuitkeringen van haar heeft ontvangen. Schriftelijk bewijs dat dat wél is gebeurd, heeft [appellante] niet bijgebracht.
4.7.
Uit de door [appellante] ingeroepen rekening-courantposten in de versie van de saldilijst van 14 september 2017 volgt evenmin de door haar te bewijzen toekenning door vader, voor zover aan zo’n lijst al rechten zouden kunnen worden ontleend. In het midden kan blijven of de door [appellante] overgelegde saldilijst van boekhouder [naam8] afkomstig is (volgens [appellante] ) of niet (volgens Pensioen ). Pensioen heeft onder verwijzing naar de verklaring van [naam8] toegelicht, ook nog tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, dat de daarin vermelde rekening-courantposten op naam van vader en [appellante] een fout betrof, welke fout in de versie van 28 september 2017 door Pensioen is gecorrigeerd. Verwezen wordt in dit verband naar de verklaring daarover van [naam8] , zoals die blijkt uit de door [appellante] overgelegde e-mailwisseling tussen [naam9] en [naam8] van Pensioen . Volgens de e-mail van [naam8] is de fout ontstaan tijdens de wisseling van het boekhoudpakket, waarbij de post ‘winstaandeel derden’ ten onrechte in twee delen in rekening-courant is geboekt, bij vader en [appellante] . Ook volgens [appellante] is de omschrijving ‘rekening-courant’ in de door haar ingeroepen versie van de saldilijst niet juist. Zij meent dat de (kennelijk: onjuiste) omschrijving van die post niets afdoet aan de schuld van Pensioen tegenover [appellante] . Hoe de boeking van tweemaal € 40.000 in rekening-courant op haar naam en die van vader dan is terug te voeren op een mondelinge toekenning door vader aan hen beiden van een winstaandeel ter grootte van dat bedrag in 2006, heeft [appellante] niet toegelicht en valt ook zonder een nadere toelichting niet te begrijpen. Van tegenstrijdige verklaringen van [naam8] is, anders dan [appellante] meent, ook geen sprake. In genoemde e-mailwisseling tussen [naam8] en [naam9] gaat het om de reden voor een correctie op de saldilijst. In zijn als productie 24 bij akte (contra)enquête door Pensioen overgelegde verklaring heeft [naam8] het over het niet kunnen traceren van een specificatie van de sinds 2006 op de balans van Pensioen opgenomen post ‘winstaandeel derden’, reden waarom hij dat bedrag in de jaarrekening van 2017 heeft laten vervallen. Uit beide verklaringen van [naam8] volgt juist dat hij tussen de bedragen in rekening-courant in de saldilijst en het bedrag op de balans geen verband zag.
4.8.
De door de getuigen [naam5] en [naam6] afgelegde verklaringen leveren noch op zichzelf bezien, noch in samenhang met de door [appellante] overgelegde, hiervoor besproken stukken voldoende overtuigend bewijs op dat vader aan [appellante] een winstaandeel van € 40.000 heeft toegekend ten laste van de winst in 2006 van Pensioen .
4.9.
[naam5] heeft, samengevat, het volgende verklaard. Ter voorbereiding van het getuigenverhoor heeft hij het nog beschikbare accountantsdossier/jaarstukkendossier gelezen. Hij heeft op het kantoor van vader alleen met vader de bespreking over het winstaandeel 2006 gevoerd; [de broer van appellante] was geen bestuurder van Pensioen dus het was niet gek dat hij die gesprekken met alleen vader voerde. Vader verdeelde de winsten uit bepaalde transacties, bij wijze van beloning voor de inzet van partijen en om de winst te drukken over vader, [de broer van appellante] en [appellante] toenmalige echtgenoot en dit was de vaste gang van zaken. Na de scheiding moest [appellante] het aandeel van haar ex-echtgenoot krijgen, maar dat zou om fiscale redenen via de nog door vader aan haar over te dragen vennootschap Grachtenstaete gebeuren. Onder meer omdat vader toen nog niet alle aandelen Grachtenstaete in zijn bezit had, is die vennootschap pas in 2017 aan [appellante] overgedragen. Het aandeel van [de broer van appellante] werd aan [naam10] uitgekeerd, zoals ook in 2004 en 2005 wat uit de stukken blijkt. Die afspraak is wel vastgelegd want dat deed [naam5] met alle belangrijke afspraken. De aantekeningen ervan zijn er niet meer, want die maakte hij op het concept van de jaarrekening dat hij na verwerking weggooide. In reactie op een vraag over het moment waarop ook [de broer van appellante] directeur was van Pensioen (1995), verklaarde [naam5] dat hij dat niet wist en dat hij dat nog steeds betwijfelt. Wanneer [naam5] wordt geconfronteerd met het feit dat vader vanaf 2001 al alle aandelen in Grachtenstaete hield, blijft [naam5] bij zijn antwoord dat de aandelen van ene mevrouw [naam11] waren, zoals hij eerder verklaarde.
4.10.
De getuigenverklaring van [naam6] luidt, samengevat, als volgt. Ook hij las ter voorbereiding het nog beschikbare accountantsdossier van destijds; een map van zo’n 4 à 5 cm dik. Daarin zitten jaarrekeningen, aantekeningen, kolommenbalansen en specificaties uit 2006 en in dit geval ook gespreksaantekeningen dat er van vader een bedrag van € 80.000 dat later zou worden uitgekeerd in de jaarrekening moest worden opgenomen. Vader heeft dit bij het opmaken van de jaarrekening tegen [naam6] gezegd en dat was het gesprek waarin dat bedrag werd toegekend, aan vader en [appellante] of Grachtenstaete . Ieder jaar tot in 2012 of 2013, toen de relatie met [naam4] eindigde, vroeg [naam6] aan vader wat er met dat bedrag moest gebeuren en dan zei hij dat dat later werd uitgekeerd; dat klopte met de jaarrekening. Dat gesprek met vader was met z’n tweeën; of dat op kantoor was of telefonisch weet [naam6] niet meer. Eerst werd Pensioen gedaan en later kwam hij terug voor de andere vennootschappen van de groep en dan had vader commentaar op het concept voor Pensioen of andere instructies, zoals over dit winstaandeel. Tot 2008 bereidde hij de jaarrekening voor en controleerde de accountant [naam5] die, maar [naam6] voerde het gesprek erover; vanaf 2008 was [naam6] er zelf verantwoordelijk voor. [naam6] komt daarvan terug inzake Pensioen : Pensioen werd meestal besproken tussen [naam5] en vader, waar [naam6] soms bij was, maar hij maakte wel de jaarrekening voor Pensioen op basis van de verstrekte boekhouding. Daarover voerde [naam6] geen gesprekken, dat deed de accountant. Instructies over de jaarrekening kreeg [naam6] van vader nadat die hem met de accountant had besproken. Daar was [naam6] niet bij; die gesprekken voerde hij niet; er was nooit iemand anders bij dan vader en de accountant, denkt [naam6] . [de broer van appellante] was er niet bij betrokken, ook al zat ook zijn pensioen daarin. Vader bepaalde. Aan [appellante] zou worden uitgekeerd zodra ze een BV had; bij [de broer van appellante] werd aan [naam10] uitgekeerd en bij de ex-man van [appellante] aan P&J. Die € 80.000 ging naar vader en [appellante] ; [de broer van appellante] had al gekregen. Bijna elk jaar werd het winstaandeel op deze manier uitgekeerd, aan de BV van de ex-man van de zus, wat te zien zou moeten zijn in de jaarrekeningen van Pensioen en die van de ontvangende BV’s. De post winstaandeel derden in de jaarrekening 2006 van Pensioen is hetzelfde als de grootboekrekeningposten rekening-courant vader en zus, ieder voor € 40.000; dat heeft de boekhouder zo genoemd, wat niet klopt want een winstaandeel is wat je nog moet uitkeren en een rekening-courant is al uitgekeerd. De boekhouder [naam8] heeft het gecorrigeerd ten aanzien van [appellante] omdat dat een foutje moet zijn geweest, zo blijkt uit zijn e-mail aan [naam9] . De reden voor toekenning van een winstdeel aan [appellante] , die geen aandeelhouder was van Pensioen , weet [naam6] niet; vader deelde zijn succes met zijn dochter en zijn zoon. De instructie inzake het winstaandeel zal in 2007 zijn gegeven over de jaarrekening van 2006; met vader voerde [naam6] daarover geen formele gesprekken; vader kwam met instructies naar hem toe terwijl hij zat te werken.
4.11.
Het hof kan zich grotendeels vinden in wat de rechtbank over deze getuigenverklaringen heeft overwogen in het eindvonnis (onder nummers 3.8 tot en met 3.20). Om te beginnen met de mindere bewijswaarde van hun verklaringen (onder 3.8): [appellante] voert op zichzelf terecht aan dat [naam5] en [naam6] niet haar belangenbehartiger waren in enig geschil met Pensioen , maar zij bestrijdt niet dat [naam5] haar wel heeft bijgestaan in geschillen met andere vennootschappen uit [naam4] en/of [de broer van appellante] , de latere enig aandeelhouder en bestuurder van Pensioen . [naam5] heeft verklaard dat [appellante] hem nog steeds wel eens wat vraagt inzake de dossiers die hij toen voor haar behandelde. Bij deze stand van zaken kan niet zonder meer worden aangenomen dat de verklaring van [naam5] afkomstig is van een neutrale getuige, zodat ook het hof daaraan minder gewicht toekent. Gelet op de nauwe samenwerking tussen [naam5] en [naam6] , ook binnen het formeel door [naam6] voortgezette accountantsbedrijf van [naam5] onder bijna dezelfde naam waarvoor ook [naam5] nog werkzaamheden verrichtte, geldt dit ook voor [naam6] . Dat ook [naam6] zelf als belangenbehartiger voor [appellante] optreedt of optrad, blijkt uit zijn e-mail van 25 januari 2022 aan mr. [naam7] waarin hij namens haar vragen stelt over de jaarrekening 2020 van Pensioen . Al deze feiten en omstandigheden doen af aan de bewijskracht van de verklaringen van beide getuigen.
4.12.
Met betrekking tot de inhoud van de verklaring van [naam5] (door de rechtbank besproken onder 3.9 tot en met 3.15 van het eindvonnis) komt daar het volgende bij. Zijn stellige verklaring dat vader in een gesprek tussen hen tweeën zoals gebruikelijk de winst in Pensioen verdeelde en ook een deel aan [appellante] toekende, waarbij [naam5] ook gedetailleerd de context hiervan schetste, zoals de reden voor de afwezigheid van [de broer van appellante] bij de besprekingen over Pensioen en de aandeelhoudersverhoudingen in Grachtenstaete , verhoudt zich ook wat het hof betreft minder goed met enkele tegenstrijdigheden, vaagheden en onjuistheden in de rest van zijn verklaring. Voor zover [naam5] verklaringen over het wel of niet bestaan, maken en bewaren van in dit verband cruciale aantekeningen in het dossier al met elkaar te rijmen zijn, is opvallend dat hij ter staving van zijn verklaring over het toegekende winstaandeel niet expliciet wijst op het – door [appellante] bij dagvaarding al overgelegde – document met opschrift ‘aandeel derden’. Dit stuk bevond zich volgens [appellante] en [naam6] immers in het accountantsdossier dat [naam5] ter voorbereiding op het verhoor heeft gelezen. [naam5] verklaarde wel over aantekeningen die hij maakte op de conceptjaarrekeningen over de verdeling van de winst, bijvoorbeeld die € 80.000 over 2006, maar die gooide hij weg na het definitief maken van de jaarrekening ‘omdat het daarin stond’. Nu uit de jaarrekening echter niet blijkt aan wie dat winstaandeel toekwam, had het voor de hand gelegen dat [naam5] ondubbelzinnig naar dat document ‘aandeel derden’ had verwezen en dat heeft hij niet gedaan. Namens [appellante] zijn hem over dat document tijdens het getuigenverhoor ook geen vragen gesteld, wat gelet op de bewijswaarde die volgens haar toekomt aan dit document wel voor de hand had gelegen. Opvallend is verder dat [naam5] in detail over toekenning van het winstaandeel verklaarde, maar onjuist verklaarde over in de door hem geschetste context cruciale andere feiten. Zo verklaarde hij onjuist over het niet zijn van medebestuurder van Pensioen van [de broer van appellante] en volhardde hij daarin na confrontatie met die onjuistheid. Ook verklaarde hij onjuist over wie toen de aandelen in Grachtenstaete bezat en volhardde hij ook daarin na kritische bevraging daarover. Op grond van het voorgaande deelt het hof het oordeel van de rechtbank over de verminderde overtuigingskracht van deze getuigenverklaring. Voor de door [appellante] bepleite, juist hogere waardering van [naam5] verklaring, omdat hij nog steeds accountant is en daarom deskundige, ziet het hof geen aanleiding.
4.13.
In de verklaring van [naam6] (door de rechtbank besproken onder 3.16 tot en met 3.20 van het eindvonnis) valt op dat ook hij het hier relevante accountantsdossier heeft doorgenomen en daarbij een map noemt van 4 à 5 cm dik. Vervolgens noemt [naam6] het bestaan van gespreksaantekeningen dat van vader € 80.000 in de jaarrekening moest worden opgenomen, welk bedrag later zou worden uitgekeerd. Volgens [naam5] zijn dergelijke aantekeningen er echter niet. Ze zijn ook niet overgelegd in deze procedure, wat wel voor de hand had gelegen gelet op de bewijsopdracht. Ook de verklaring van [naam6] over de feitelijke gang van zaken bij de bespreking van de jaarrekeningen roept vragen op. Zo verklaart hij aanvankelijk dat vader met hem altijd eerst de jaarrekening van Pensioen besprak en dan terug kwam voor de andere groepsvennootschappen en dan commentaar op of instructies voor de jaarrekening van Pensioen gaf en dat in zo’n gesprek vader tegen [naam6] heeft gezegd dat er een winstaandeel moest worden opgenomen en dat in dat gesprek de toekenning van een bedrag aan ook [appellante] of Grachtenstaete plaatsvond. Later verklaart hij dat het gesprek over de jaarrekening van Pensioen in 2006 door [naam5] werd gevoerd en dat hij, [naam6] , daar soms wel bij was en hij wel de jaarrekeningen opmaakte, terwijl hij nog weer later verklaart dat hij (of anderen) nooit bij de bespreking tussen [naam5] en vader over de jaarrekening was, maar dat hij wel achteraf instructies over de jaarrekening kreeg nadat vader en de accountant die hadden besproken. [naam6] wijst slechts in algemene zin naar de jaarrekeningen van Pensioen en de ontvangende vennootschappen waarin te zien zou moeten zijn dat bijna elk jaar winstuitkeringen werden gedaan aan [naam10] en de BV van de ex-man ( [naam12] ) van [appellante] . Ook [naam6] wijst in dit verband niet naar het overgelegde document met opschrift ‘aandeel derden’ en kreeg daarover tijdens zijn getuigenverhoor ook geen vragen namens [appellante] . [naam6] verklaart dat de post in de jaarrekening 2006 van Pensioen ‘winstaandeel derden’ hetzelfde is als de grootboekposten in rekening-courant voor vader en [appellante] , maar verklaart daarbij ook dat dat boekhoudkundig niet klopt. Hij wijst op de correctie door [naam8] in de boekhouding en verklaart niet te weten wat de reden voor toekenning van een winstdeel aan [appellante] was. Ook naar het oordeel van het hof doet aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [naam6] af dat die wisselend van inhoud is en bovendien deels niet strookt met die van [naam5] (zoals het al dan niet bestaan van gespreksaantekeningen).
4.14.
De schriftelijke verklaringen van [naam12] en [naam9] leveren evenmin (een bijdrage aan het) bewijs op dat aan [appellante] een bedrag van € 40.000 is toegekend uit Pensioen . Terecht overwoog de rechtbank over de verklaring van [naam12] dat die niet op eigen wetenschap maar op aannames is gebaseerd. De verklaring van [naam9] is overwegend gebaseerd op stukken waaruit hij zijn eigen conclusies trekt, met name de eerder besproken saldilijst, waaruit die aanspraak niet valt af te leiden (zie onder 3.21 eindvonnis).
4.15.
Bewijs dat vader tegen [appellante] zelf heeft gezegd dat aan haar een winstdeel van € 40.000 uit het resultaat van Pensioen van 2006 is toegekend, zoals [appellante] tijdens de mondelinge behandeling heeft herhaald, is niet bijgebracht. [appellante] heeft er bij de rechtbank van afgezien zichzelf als getuige te laten horen en heeft in hoger beroep niet aangeboden zichzelf als getuige te horen. Overigens geldt dat, als [appellante] wel onder ede een getuigenverklaring zou hebben afgelegd en hebben verklaard dat vader dit tegen haar heeft gezegd, haar verklaring een partijgetuigeverklaring zou betreffen. Onder het in deze zaak geldende oude bewijsrecht zou haar verklaring beperkte bewijskracht hebben gehad. Artikel 164 lid Pro 2 (oud) Rv bepaalt namelijk dat een partijgetuigenverklaring geen bewijs ten voordele van die partij oplevert, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Opgeteld bij het verder door [appellante] bijgebrachte bewijs zou wat het hof betreft ook met een dergelijke getuigenverklaring van [appellante] de door haar te bewijzen stelling niet bewezen zijn. Bij dit alles komt ook nog dat [appellante] gedurende de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep steeds andere – door Pensioen betwiste – verklaringen heeft gegeven waarom aan haar genoemd bedrag zou zijn toegekend, zoals Pensioen in haar conclusie na (contra)enquête terecht heeft aangevoerd.
Geen nader getuigenverhoor
4.16.
In verband met het oordeel van de rechtbank over het niet als ‘echt’ kunnen aannemen van het document ‘aandeel derden’ heeft [appellante] aangevoerd dat [naam5] daarover moet worden gehoord, onder overlegging van het volledige accountantsdossier, indien ook het hof aan de echtheid twijfelt of die echtheid door Pensioen nog steeds wordt betwist. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij. [appellante] heeft bij de rechtbank tijdens de getuigenverhoren de gelegenheid gehad [naam5] én [naam6] over dat document en de echtheid ervan te bevragen, ongeacht of niet ook de rechtbank en/of Pensioen daarover vragen hadden kunnen stellen. Het lag in de eerste plaats juist op de weg van [appellante] hierover vragen aan de getuigen te stellen, gelet op de aan haar verstrekte bewijsopdracht en de betwisting van de echtheid van het stuk door Pensioen . Ook het in dit verband overleggen van het volledige accountantsdossier had [appellante] al eerder in de procedure kunnen doen. Het hof behoeft haar daartoe niet (alsnog) in de gelegenheid te stellen. [3]
4.17.
Voor het opnieuw horen van [naam6] als getuige ziet het hof evenmin aanleiding. Als reden voor haar verzoek daartoe noemt [appellante] dat het proces-verbaal van getuigenverhoor op essentiële punten verschilt van wat [naam6] heeft verklaard of willen toelichten. Het proces-verbaal is echter aansluitend aan het verhoor aan de getuige voorgelezen in het bijzijn van de advocaat van [appellante] . [naam6] heeft in zijn verklaring volhard en die ondertekend. Als de weergave van zijn verklaring onjuist of onvolledig was, had daarover op dat moment moeten worden geklaagd en dat is niet gebeurd, ook niet in de conclusie na enquête.
4.18.
Verdere specifieke stellingen of daarvoor relevante feiten en omstandigheden waarover [naam5] en [naam6] als getuigen (nader) gehoord zouden moeten worden heeft [appellante] in haar bewijsaanbod niet genoemd, zodat ook in zoverre het bewijsaanbod wordt gepasseerd.
De conclusie
4.19.
Wat [appellante] verder in haar hoger beroep heeft aangevoerd, kan niet tot een andere uitkomst leiden. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van Pensioen veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten. [4]
4.20.
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het vonnis van 18 september 2024 van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht;
5.2.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van Pensioen :
€ 2.175 aan griffierecht
€ 3.340 aan salaris van de advocaat van Pensioen (2 procespunten x het toepasselijke tarief III);
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, C.M.E. Lagarde en W. Heemskerk, ondertekend door de rolraadsheer en door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2476, inhoudelijk gepubliceerd in o.a. NJ 1998, 85.
2.HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4529.
3.HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, ro. 3.5.
4.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.