Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:589

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.322.088/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 401a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eindarrest over stallingskosten vee en waardebepaling afgevoerde koeien naar Duits recht

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 3 februari 2026 het eindarrest gewezen in een hoger beroep betreffende stallingskosten van vee en de waardebepaling van afgevoerde koeien volgens Duits recht.

Het geschil betreft een verzoek van de appellanten, vertegenwoordigd door mr. P. Stehouwer, tegen de geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. T. Teke. Het hof heeft eerder tussenarresten gewezen op 9 januari 2024 en 3 juni 2025. Na benoeming van een deskundige is diens rapport ontvangen, waarop het hof het eindarrest baseert.

Een verzoek van de appellanten om alsnog verlof te verkrijgen voor cassatie tegen het tussenarrest van 9 januari 2024 is door het hof afgewezen, mede omdat de deskundige inmiddels zijn rapport had ingediend en het eindarrest op korte termijn kon worden gewezen.

De uitspraak betreft de beoordeling van stallingskosten en waardebepaling van vee volgens het toepasselijke Duitse recht, waarbij het hof de deskundigenrapportage heeft betrokken in zijn oordeel.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door de rechters J.H. Kuiper, W.F. Boele en J. Smit, in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om cassatieverlof af en wijst het eindarrest over stallingskosten en waardebepaling van afgevoerde koeien volgens Duits recht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.322.088/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 9278555
beslissing op verzoek ex artikel 401a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in de zaak van
1.
De Stille maatschap [appellant1] , h.o.d.n. [appellant1],
die is gevestigd in [vestiginsplaats] ,
2.
[appellant2],
3.
[appellant3],
die wonen in [woonplaats1] ,
hierna allen samen te noemen:
[appellanten],
advocaat: mr. P. Stehouwer,
tegen:

[geïntimeerde] ,

die woont in [woonplaats2] (Duitsland),
advocaat: mr. T. Teke
Het hof heeft in deze zaak op 9 januari 2024 en op 3 juni 2025 tussenarrest gewezen.
Het hof heeft kennisgenomen van een verzoek van mr. Stehouwer bij brief van
8 januari 2026 namens de partij [appellanten] om alsnog verlof te verlenen voor het instellen van beroep in cassatie tegen het tussenarrest van 9 januari 2024.
Mr. Teke is in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. Deze heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Het hof is van oordeel dat er geen gronden zijn voor inwilliging van het verzoek. De in het tussenarrest van 3 juni 2025 benoemde deskundige heeft inmiddels zijn rapport ingediend. Naar verwachting kan op korte termijn eindarrest worden gewezen. Dat verzoek wordt derhalve afgewezen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, W.F. Boele en J. Smit en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.