ECLI:NL:GHARL:2026:516

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
Wahv 200.350.211/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
  • Beswerda
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WahvArt. 62 RVV 1990Art. 68 lid 1 aanhef en onder c RVV 1990Art. 79 RVV 1990
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor niet stoppen voor rood verkeerslicht na passeren stopstreep

De betrokkene kreeg een boete van €250 opgelegd wegens het niet stoppen voor een rood verkeerslicht op 11 januari 2023 in Dordrecht. De betrokkene stelde dat hij niet het rode licht was gepasseerd en mogelijk voor het verkeerslicht tot stilstand was gekomen.

Het hof oordeelde dat het voertuig de stopstreep had gepasseerd terwijl het verkeerslicht rood was, wat voldoende is om de overtreding vast te stellen. Het is niet noodzakelijk dat het voertuig het rode licht zelf passeert. De betrokkene moest aannemelijk maken dat hij voor het rode licht was gestopt om de feitcode te wijzigen naar een minder ernstige overtreding, maar slaagde hier niet in.

Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De sanctie blijft gehandhaafd op basis van artikel 62 juncto Pro artikel 68 van Pro het RVV 1990 en de Wahv.

Uitkomst: De boete van €250 voor het niet stoppen voor rood licht na het passeren van de stopstreep wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.350.211/01
CJIB-nummer
: 255181154
Uitspraak d.d.
: 30 januari 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2024, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “R602 - doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 januari 2023 om 12.09 uur op de Laan der Verenigde Naties kruising Weeskinderendijk Beneden in Dordrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene het verkeerslicht is gepasseerd toen dit rood licht uitstraalde. Op de overgelegde flitsfoto’s is te zien dat het voertuig van de betrokkene het rood uitstralende verkeerslicht niet is gepasseerd. Het voertuig bevindt zich met de voorwielen ter hoogte van de eerste streep van de voetgangersoversteekplaats. Dat is voor het verkeerslicht. Er kan voorts niet worden uitgesloten dat het voertuig van de betrokkene voor het verkeerslicht tot stilstand is gekomen. De snelheid van het voertuig wordt vastgesteld op het moment dat het voertuig over de lusdetectoren rijdt. Lus 1 bevindt zich kort voor de stopstreep en lus 2 bevindt zich kort na de stopstreep. Op de foto is te zien dat het voertuig de stopstreep al is gepasseerd. De gemeten snelheid kan dan ook afwijken van de snelheid die met het voertuig werd gereden op het moment dat het zich bij het verkeerslicht bevond. Tussen de stopstreep en het verkeerslicht zit immers een aantal meters.
3. De advocaat-generaal heeft twee foto’s van de gedraging overgelegd. Hierop is het voertuig met voormeld kenteken te zien. Voorts hebben de advocaat-generaal en de gemachtigde een afbeelding van Google Maps van de situatie ter plaatse overgelegd.
4. Het hof stelt vast dat op beide foto’s het desbetreffende verkeerslicht rood licht uitstraalt. Dit verkeerslicht bevindt zich boven het wegdek en is bevestigd aan een horizontale balk die steunt op een verticale paal ter rechterzijde van het wegdek. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene zich voor het verkeerslicht bevindt. De achterwielen van het voertuig bevinden zich op de stopstreep. Op de tweede foto is zichtbaar dat het voertuig van de betrokkene verder is gereden, maar niet dat het voertuig het boven het wegdek hangende verkeerslicht is gepasseerd. Op basis van de gegevens in de databalk kan worden aangenomen dat het voertuig van de betrokkene de stopstreep met een snelheid van 51 kilometer per uur is voorbijgereden.
5. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wahv kunnen ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften die gesteld zijn bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Provinciewet of de Gemeentewet, op de wijze bij deze wet bepaald sancties worden opgelegd. Het derde lid van dit artikel bepaalt de in het eerste lid bedoelde bijlage voor elke gedraging de aan de Staat te bepalen geldsom.
6. De sanctie is hier opgelegd voor de in de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv opgenomen gedraging met feitcode R602. De omschrijving van deze gedraging is: “als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht”. Het overtreden voorschrift betreft artikel 62 juncto Pro artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel 62 van Pro het RVV 1990 houdt in dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het RVV 1990 luidt: “Bij driekleurige verkeerslichten betekent rood licht: stop.”
7. Nu hier sprake is van een stopstreep is het bepaalde in artikel 79 van Pro het RVV 1990 van belang. Artikel 79 van Pro het RVV 1990 luidt: “Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht.”
8. Uit artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het RVV 1990 in verbinding met artikel 79 van Pro dit reglement volgt dat de gedraging “als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht” is verricht indien komt vast te staan dat het desbetreffende voertuig voor het rood uitstralende verkeerslicht niet is gestopt voor de stopstreep (vgl. de arresten van de Hoge Raad van 7 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9752 en 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD9709).
9. Op grond van de foto’s in het dossier kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene de stopstreep is gepasseerd, terwijl het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Dat betekent dat artikel 62 juncto Pro artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het RVV 1990 is overtreden. De gedraging met feitcode R602 kan derhalve worden vastgesteld. Daarvoor is niet nodig dat ook wordt vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene het rood uitstralende verkeerslicht is gepasseerd.
10. Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde dat niet kan worden uitgesloten dat het voertuig van de betrokkene voor het verkeerslicht tot stilstand is gekomen, overweegt het hof dat de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv ook de gedraging met feitcode R620 kent. De omschrijving van die gedraging is: “als bestuurder niet stoppen voor stopstreep waar dit op grond van het RVV 1990 verplicht is”. Het overtreden voorschrift betreft artikel 62 juncto Pro artikel 79 van Pro het RVV 1990. Het bij deze gedraging horende sanctietarief is lager dan het tarief dat behoort bij de gedraging met feitcode R602. De gedraging met feitcode R620 wordt aldus in relatie tot de gedraging met feitcode R602 door de regelgever als een minder ernstig feit beschouwd. Grond voor dit onderscheid is, naar moet worden aangenomen, de omstandigheden waaronder artikel 62 juncto Pro artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het RVV 1990 is overtreden. Deze zijn minder ernstig als de weggebruiker - die niet is gestopt voor de stopstreep - wel is gestopt voor het rood uitstralende verkeerslicht.
11. Het ligt daarmee op de weg van een betrokkene om aannemelijk te maken dat de omstandigheden waaronder artikel 62 juncto Pro artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het RVV 1990 is overtreden, minder ernstig zijn en dat om die reden aanleiding bestaat om de feitcode R602 te wijzigen in R620. Daartoe dient een betrokkene - wiens voertuig niet is gestopt voor de stopstreep - aannemelijk te maken dat met het voertuig wel is gestopt voor het rood uitstralende verkeerslicht.
12. Hierin is de (gemachtigde van de) betrokkene niet geslaagd. De enkele stelling dat niet kan worden uitgesloten dat het voertuig van de betrokkene voor het verkeerslicht tot stilstand is gekomen, is daartoe onvoldoende.
13. Op grond van het vorenstaande treft de aangevoerde grond geen doel.
14. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.