Uitspraak
1.[de verkoper/eigenaar]
1.[de koper]
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- het herstelexploot
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 7 juli 2026 is gehouden.
2.De kern van de zaak
3.De tussen partijen vaststaande feiten
Fundering, kruipruimte en kelder”) vermeld dat de kruipruimte droog is, dat er geen sprake is van vochtdoorslag door de kelderwand en dat wateroverlast niet tot problemen heeft geleid in de vorm van water in de kruipruimte c.q. kelder.
4.De toelichting op de beslissing van het hof
“voor zover nodig”is opgenomen, te weten voor het geval artikel 1:88 BW Pro van toepassing is. Uit deze standaardzin behoefden [de kopers] niet af te leiden dat [de vrouw] , ook al was zij vermeld als verkoper en ook al had zij in die hoedanigheid de koopakte getekend, niet hun wederpartij bij de koopovereenkomst was. [1] Zoals de rechtbank ook heeft opgemerkt is het van ondergeschikt belang dat [de vrouw] geen eigenaar was en daarom de leveringsverplichting niet kon nakomen. Naar Nederlands recht is een koopovereenkomst waarin een zaak van een ander wordt gekocht gewoon geldig. Naast [de vrouw] was ook [de verkoper/eigenaar] schuldenaar van de verbintenis tot levering van de woning. Hij is deze verplichting nagekomen, waarmee ook [de vrouw] werd gekweten van haar verplichting. Grief 1 is ongegrond.
“normaal gebruik als: wonen”ziet ook op het gebruik van het binnenzwembad in het bijgebouw. Dat betwisten [de verkopers] ook niet. Mede in het licht van de aandacht die het binnenzwembad in het verkoopmateriaal van de woning, zoals het Te-koopbord, kreeg, mochten [de kopers] verwachten dat ook het zwembad geschikt was voor normaal gebruik. De ernstige lekkages en het water in de kelder staan aan dit normaal gebruik van het zwembad in de weg, omdat [de kopers] niet behoefden te verwachten dat zij het zwembad permanent moesten bijvullen en het toegevoegde water moesten verwarmen, evenmin als zij behoefden te verwachten dat zich in de ruimte onder het zwembad water ophoopte. De lekkages waren zo ernstig dat de kwalificatie als
“onderhoudsgebrek”onjuist is. [de verkopers] hebben zich onvoldoende verweerd tegen de stelling van [de kopers] dat deze tijdens de bezichtigingen van de woning en het zwembad de lekkages niet hebben kunnen waarnemen en dat van hen geen verdergaande onderzoeksplicht rustte dan oplettendheid tijdens de bezichtigingen. Onjuist door haar algemeenheid is de stelling van [de verkopers] dat een koper van een woning alleen dan aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan als hij een deskundige opdracht heeft gegeven een bouwkundige keuring uit te voeren. Bovendien hadden [de verkopers] in de vragenlijst bij de koopovereenkomst aangegeven dat de kruipruimte droog was en dat er geen probleem was met water in de kruipruimte en de kelder. De door [de verkopers] aan [de kopers] verstrekte informatie gaf dus ook geen aanleiding tot het verrichten van nader onderzoek. Grief 2 is ongegrond.
“onroerende zaak (van) meer dan 113 jaar oud”[de kopers] niet behoefden te verwachten dat daaronder ook het bijgebouw met binnenzwembad zou vallen dat ongeveer 30 jaar oud is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit een onaannemelijk rechtsgevolg zou zijn in het licht van de geschiktheid voor normaal gebruik die [de verkopers] in artikel 6.3 hebben toegezegd. Uit de door [de verkopers] genoemde citaten uit de spreekaantekeningen van [de kopers] bij de rechtbank kan niet worden afgeleid dat [de kopers] zouden hebben aanvaard dat onder de ouderdomsclausule ook gebreken aan het zwembad zouden vallen. Uit de stellingen van [de kopers] in hun geheel beschouwd blijkt juist dat [de kopers] primair hebben verdedigd dat zij dit niet zo hebben begrepen, noch behoefden te begrijpen. Op de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [de koopster] over de clausule gezegd: “
het huis is van 1930, maar het bijgebouw is recenter. Alle investeringen en reserves hadden we bedacht voor onderhoud aan het huis en niet het bijgebouw wat veel jonger is.” Voor zover [de verkopers] verdedigen dat de rechtbank een striktere uitleg van de ouderdomsclausule hanteert dan [de kopers] hebben verdedigd, overweegt het hof dat de rechter bij de vaststelling van de bedoeling van partijen niet is gebonden aan de stellingen van partijen daarover en de betekenis van een clausule zelfstandig mag uitleggen, ook als die uitleg afwijkt van de uitleg die door de partijen is verdedigd. [2] Omdat de ouderdomsclausule ziet op de woning en niet op het zwembad, is irrelevant of de gebreken aan het zwembad mogelijk ook als een gevolg van ouderdom zouden kunnen worden aangemerkt. De grieven 3 en 4 falen.