Uitspraak
[appellante],
die kantoor houdt te Veendam ,
[geintimeerde2],
[geintimeerde2],
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het anticipatie exploot ex artikel 126 van Pro het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- de brief van het hof van 24 februari 2026 aan partijen;
- een H16 formulier van 2 maart 2025 namens [appellante] met bijlage(n);
- een H16 formulier van 2 maart 2025 namens [geintimeerde2] ;
- de akte overlegging producties van 5 maart 2026 namens [appellante] met bijlage(n);
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 maart 2026 is
gehouden.
- een H16 formulier van [geintimeerde2] van 30 maart 2026;
- een H16 formulier van [geintimeerde2] 14 april 2026 met bijlage(n);
- een akte uitlating van 11 mei 2026 van [appellante] .
Vervolgens heeft het hof een datum bepaald voor de uitspraak.
2.De feiten
3.De kern van de zaak en de procedure bij de rechtbank
- [geintimeerde2] gelast om stukken in te brengen in de procedure zoals hierna in 4.2 onder a)
omschreven;
- voor recht verklaart dat zij niet draagplichtig is voor de leningen van partijen bij Freo,
Santander en ING-bank;
- [geintimeerde2] veroordeelt tot betaling aan haar van € 30.000 te vermeerderen met wettelijke rente;
- [geintimeerde2] veroordeelt om aan [appellante] te voldoen het bedrag van € 21.023,60 te vermeerderen
met de wettelijke rente.
- de kosten compenseert in die zin dat bepaald wordt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.Het oordeel van het hof
a) de contracten bij Santander en de mutaties van de gezamenlijke privérekening
en van de privérekening van [geintimeerde2] die betrekking hebben op de periode van 12 maanden vanaf de data dat de geleende bedragen op deze rekeningen zijn overgeboekt, vanaf 24 juli 2020 bij het aangaan van het contract bij Freo en de daaropvolgende leningen bij Santander op 4 februari 2021; bij ING-bank op 11 november 2022 en Santander op 20 december 2022, alsmede de rekeningoverzichten behorende bij de creditcardafschrijvingen ten laste van de gezamenlijke rekening bij ING-bank (productie 3) vanaf 2021 tot en met 2023;
b) de offertes, nota’s en bonnen betrekking hebbende op de investeringen in de woning als vermeld op het overzicht van [appellante] zoals vermeld op productie 6 die bij de conclusie van antwoord in conventie/eis van reconventie is overgelegd.
( [bankrekening] ) waarvan [appellante] vordert dat [geintimeerde2] die in het geding brengt, kan zij kennelijk zelf als mede-rekeninghouder bij de ING-bank opvragen. Aan de hand daarvan had [appellante] kunnen zien of de geleende gelden zijn doorgestort naar andere bankrekeningen, bijvoorbeeld op naam van [geintimeerde2] . De vordering van [appellante] tot overlegging van stukken zoals die nu voorligt, strandt daarom wegens het ontbreken van voldoende belang. [appellante] had de verlangde gegevens over de aangegane leningen en de uitbetaling daarvan zelf kunnen opvragen en dit opvragen had ook op haar weg gelegen; dit geldt ook – en eens te meer – voor zover die gegevens volgens [appellante] nodig zijn om haar vordering te onderbouwen. Daarom zal het hof de vordering van [appellante] in het incident zoals geformuleerd onder I.a. van haar petitum afwijzen.
Dit onderdeel van de vordering is gebaseerd op het door [appellante] gestelde en door [geintimeerde2] betwiste feit dat [geintimeerde2] de leningen buiten [appellante] om is aangegaan en/of dat hij de verkregen gelden grotendeels voor zichzelf heeft besteed. Het hof stelt hierbij voorop dat in deze procedure door partijen (veronderstellenderwijs) tot uitgangspunt wordt genomen dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn tegenover de kredietverschaffers. Het hof stelt verder vast dat [geintimeerde2] gemotiveerd betwist heeft dat hij de leningen zonder toestemming van [appellante] heeft afgesloten en dat hij de geleende bedragen voor zichzelf heeft gebruikt. Volgens [geintimeerde2] heeft [appellante] telkens met de leningen ingestemd, en heeft zij er ook wel bij gezeten toen hij leningen (digitaal) afsloot. De geleende bedragen zijn volgens [geintimeerde2] onder meer gebruikt voor gezamenlijke vakanties en voor cosmetische ingrepen bij [appellante] . Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] haar vordering op dit punt, gelet op dat gemotiveerde verweer, onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Daarbij merkt het hof allereerst op dat [appellante] zelf toegang had tot de benodigde gegevens van Freo, Santander en ING, en dat zij kennelijk verzuimd heeft het nodige te doen om haar vordering te onderbouwen (zie hierboven, onder 4.4). Ter zitting bij het hof heeft [appellante] opgemerkt dat zij het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO) opdracht heeft gegeven tot een forensisch handtekeningenonderzoek ter zake van een leningcontract bij ING. De uitslag van dat onderzoek zou nog niet bekend zijn. Ook dit gegeven baat [appellante] echter niet, en het hof ziet daarin ook geen reden om de procedure aan te houden. Daarbij merkt het hof in de eerste plaats op dat [appellante] verklaard heeft dat sprake was van digitaal geplaatste handtekeningen (IDIN), van gescande handtekeningen van [appellante] , of van ondertekening met haar DigiD. Ook staat tussen partijen helemaal niet ter discussie dat de bankzaken geregeld werden door [geintimeerde2] , en ook op diens computer. Dat en waarom het bedoelde onderzoek van NFO zou kunnen bijdragen aan de conclusie dat [geintimeerde2] de leningen zonder instemming van [appellante] op hun beider naam heeft afgesloten, valt dan ook niet in te zien, in elk geval niet zonder nadere toelichting en onderbouwing. Daar komt bij dat [appellante] haar beroep op de opdracht aan NFO en het bijbehorende verzoek tot aanhouding van de procedure pas in een (zeer) laat stadium van de procedure heeft gedaan. Dat laatste is, zeker nu de relevantie van dat onderzoek niet of onvoldoende is toegelicht, niet verenigbaar met de goede procesorde. [appellante] heeft ook op dit punt dus nagelaten tijdig het nodige te doen om haar stellingen voldoende toe te lichten en te onderbouwen. Een onderbouwing met behulp van bijvoorbeeld bankafschriften, ontbreekt eveneens (zie hiervoor, onder 4.4. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat, in afwijking van de hoofdregel, de draagplicht voor de gezamenlijke schulden bij Freo, Santander en ING-Bank, volledig (of voor meer dan de helft) bij [geintimeerde2] ligt. Dit betekent dat de daaromtrent gevorderde verklaring voor recht ook in hoger beroep zal worden afgewezen..
- [appellante] heeft op de zitting van het hof de stelling van [geintimeerde2] erkend dat voor hem de verhuizing uit zijn appartement niet hoefde, maar dat de verhuizing haar wens was ter wille van hun opgroeiende dochter. Het appartement was klein en oud, en [appellante] wilde behulpzaam zijn bij de aankoop van betere woonruimte;
- [appellante] heeft niet weersproken dat zij liever € 30.000 ter beschikking wilde stellen aan [geintimeerde2] om zijn restschuld af te betalen, dan dat die schuld zou worden meegefinancierd bij het afsluiten van de hypotheek voor de nieuwe woning, wat zou hebben geleid tot hogere woonlasten;
- [appellante] heeft niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken dat zij in de periode dat partijen woonden in het appartement dat eigendom was van [geintimeerde2] (de periode tot 2019), niet of niet in evenredigheid heeft bijgedragen in de woonlasten. De hypotheeklasten (de rente) werden in die periode, naar het hof begrijpt, enkel betaald door [geintimeerde2] .
- dat zij het bedrag ter beschikking heeft gesteld in het kader van de lotsverbondenheid van partijen en hun affectieve relatie, opdat partijen gezamenlijk na het inlossen van de restschuld van [geintimeerde2] de nieuwe gezamenlijke woning konden financieren;
- dat partijen anders hogere hypotheeklasten hadden gehad en [geintimeerde2] middels een nieuwe hypothecaire lening had moeten instaan voor terugbetaling;