ECLI:NL:GHARL:2026:4546

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
200.352.172/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 7:129e BWArt. 6:212 BWArt. 6:2 BWArt. 3:172 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen ex-samenlevers over draagplicht schulden en investeringen woning

Partijen, voormalige samenwonenden zonder samenlevingsovereenkomst, kochten gezamenlijk een woning en sloten leningen bij diverse banken. Na beëindiging van hun relatie ontstond geschil over de interne draagplicht van schulden en terugbetaling van door [appellante] ter beschikking gestelde €30.000 voor aflossing restschuld van het appartement van [geintimeerde2].

De rechtbank wees de meeste vorderingen af, behalve enkele met betrekking tot verkoop woning. In hoger beroep bevestigt het hof dat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de leningen en wijst het de vorderingen van [appellante] af wegens onvoldoende onderbouwing van een leningsovereenkomst, ongerechtvaardigde verrijking of redelijkheid en billijkheid. Ook de vordering tot vergoeding van investeringen in de woning wordt afgewezen, omdat sprake is van een stilzwijgende afspraak over verdeling van kosten.

Het hof oordeelt dat [appellante] zelf toegang had tot benodigde bankgegevens en onvoldoende heeft gedaan om haar vorderingen te onderbouwen. Het verzoek tot aanhouding voor forensisch handtekeningenonderzoek wordt afgewezen wegens late indiening en gebrek aan relevantie. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van [appellante] af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.352.172/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 235099
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellante],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,
hierna:
[appellante],
advocaat: mr. O.J.C. Toxopeus te Veendam,
tegen
Markar B.V., handelend onder de naam De Bewindvoerster,
die kantoor houdt te Veendam ,
in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[geintimeerde2],
die woont in [woonplaats1] ,
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie,
hierna:
[geintimeerde2],
advocaat: mr. M. Helmantel te Sappemeer.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, (hierna: de rechtbank) op 27 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het anticipatie exploot ex artikel 126 van Pro het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- de brief van het hof van 24 februari 2026 aan partijen;
- een H16 formulier van 2 maart 2025 namens [appellante] met bijlage(n);
- een H16 formulier van 2 maart 2025 namens [geintimeerde2] ;
- de akte overlegging producties van 5 maart 2026 namens [appellante] met bijlage(n);
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 maart 2026 is
gehouden.
1.2.
Naar aanleiding van de mondelinge behandeling heeft het hof nog de volgende stukken ontvangen:
- een H16 formulier van [geintimeerde2] van 30 maart 2026;
- een H16 formulier van [geintimeerde2] 14 april 2026 met bijlage(n);
- een akte uitlating van 11 mei 2026 van [appellante] .
Vervolgens heeft het hof een datum bepaald voor de uitspraak.

2.De feiten

2.1.
[appellante] en [geintimeerde2] hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.2.
Aanvankelijk woonden partijen samen in het appartement van [geintimeerde2] , dat is verkocht. Bij de verkoop van dit appartement in 2019 heeft [appellante] € 30.000 ter beschikking gesteld aan [geintimeerde2] voor de aflossing van zijn restschuld met betrekking tot zijn hypotheek.
2.3.
Vervolgens hebben partijen een woning gekocht aan [adres] te [woonplaats1] , waarvan zij elk voor de onverdeelde helft eigenaar zijn. De woning is verbouwd en er zijn zonnepanelen aangebracht op de woning.
2.4.
Er zijn op naam van [geintimeerde2] en [appellante] schulden aangegaan bij Interbank, Freo, Santander en ING-bank.
2.5.
In juni 2023 is de relatie van partijen geëindigd en daarmee ook hun samenleving. [geintimeerde2] is toen vertrokken uit de woning.
2.6.
[appellante] bewoont met haar huidige partner de woning.

3.De kern van de zaak en de procedure bij de rechtbank

3.1.
[geintimeerde2] is bij de rechtbank een procedure gestart tegen [appellante] . Hij heeft daarbij een spoorboekje gevorderd ten behoeve van de verkoop en levering van de gezamenlijke woning aan een derde en een gebod aan [appellante] om daaraan mee te werken. Daarnaast heeft hij veroordeling van partijen tot aflossing van de door [geintimeerde2] vermelde gezamenlijke schulden gevorderd en veroordeling van [appellante] tot afgifte van een aantal roerende zaken aan hem.
[appellante] wil dat [geintimeerde2] het door haar aan hem ter beschikking gestelde bedrag van € 30.000 waarmee hij een restschuld van zijn hypotheek voor zijn verkochte appartement kon afbetalen, terugbetaalt. Daarnaast wil zij dat [geintimeerde2] haar een bedrag van € 21.023,60 betaalt vanwege de door haar betaalde investeringen in de gezamenlijke woning. Verder wil [appellante] dat vastgesteld wordt dat in de onderlinge verhouding tussen [appellante] en [geintimeerde2] , [geintimeerde2] draagplichtig is voor de schulden bij Freo, Santander en ING-Bank.
3.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [geintimeerde2] met betrekking tot de verkoop van de woning, met uitzondering van de gevorderde dwangsommen, toegewezen en die beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De overige vorderingen van [geintimeerde2] zijn afgewezen. Ook de vorderingen van [appellante] zijn afgewezen.
3.3.
[appellante] heeft met drie grieven hoger beroep ingesteld. Zij wil dat het hof de afwijzende beslissingen van de rechtbank met betrekking tot haar vorderingen vernietigt en:
- [geintimeerde2] gelast om stukken in te brengen in de procedure zoals hierna in 4.2 onder a)
omschreven;
- voor recht verklaart dat zij niet draagplichtig is voor de leningen van partijen bij Freo,
Santander en ING-bank;
- [geintimeerde2] veroordeelt tot betaling aan haar van € 30.000 te vermeerderen met wettelijke rente;
- [geintimeerde2] gelast om stukken in het geding te brengen zoals hierna in 4.2 onder b) omschreven;
- [geintimeerde2] veroordeelt om aan [appellante] te voldoen het bedrag van € 21.023,60 te vermeerderen
met de wettelijke rente.
- de kosten compenseert in die zin dat bepaald wordt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.4.
Op de zitting bij het hof heeft [appellante] verzocht de verdere behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van handtekeningenonderzoek bij het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau. Het hof heeft dit verzoek op de zitting afgewezen.
3.5.
[geintimeerde2] voert verweer. Hij vindt dat de beschikking van de rechtbank in stand moet blijven en dat [appellante] moet worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en van de procedure bij de rechtbank.

4.Het oordeel van het hof

Samenvatting
4.1.
Het hof zal de incidentele vorderingen tot inzage afwijzen. De geldvorderingen van [appellante] worden ook afgewezen. Het hof zal zijn beslissingen hieronder uitleggen.
De vorderingen in het incident op grond van artikel 194 Rv Pro
4.2.
[appellante] vordert met het oog op de door haar te geven onderbouwing van haar vordering met betrekking tot de draagplicht voor de leningen, dat het hof [geintimeerde2] gelast om de volgende stukken in het geding te brengen:
a) de contracten bij Santander en de mutaties van de gezamenlijke privérekening
en van de privérekening van [geintimeerde2] die betrekking hebben op de periode van 12 maanden vanaf de data dat de geleende bedragen op deze rekeningen zijn overgeboekt, vanaf 24 juli 2020 bij het aangaan van het contract bij Freo en de daaropvolgende leningen bij Santander op 4 februari 2021; bij ING-bank op 11 november 2022 en Santander op 20 december 2022, alsmede de rekeningoverzichten behorende bij de creditcardafschrijvingen ten laste van de gezamenlijke rekening bij ING-bank (productie 3) vanaf 2021 tot en met 2023;
b) de offertes, nota’s en bonnen betrekking hebbende op de investeringen in de woning als vermeld op het overzicht van [appellante] zoals vermeld op productie 6 die bij de conclusie van antwoord in conventie/eis van reconventie is overgelegd.
4.3.
[geintimeerde2] heeft aangevoerd dat hij geen administratie heeft bijgehouden, dat hij niet over de stukken beschikt en dat de verbouwing deels ook “zwart” ging.
4.4.
Uit de stukken maakt het hof op dat Santander, Freo en ING-Bank [appellante] als mede-contractant beschouwen voor de daar aangegane leningen. Daarom kan [appellante] , naar het hof veronderstelt, zelf bij de betreffende banken de contracten en verdere rekening-gegevens opvragen. Dat laatste is ter zitting bij het hof door [appellante] ook niet weersproken. De advocaat van [appellante] heeft op de mondelinge behandeling bij het hof medegedeeld dat alle bedragen die [geintimeerde2] heeft geleend zijn terechtgekomen op een bankrekeningnummer eindigend op [cijfers] (de gezamenlijke rekening). De mutaties van die gezamenlijke bankrekening
( [bankrekening] ) waarvan [appellante] vordert dat [geintimeerde2] die in het geding brengt, kan zij kennelijk zelf als mede-rekeninghouder bij de ING-bank opvragen. Aan de hand daarvan had [appellante] kunnen zien of de geleende gelden zijn doorgestort naar andere bankrekeningen, bijvoorbeeld op naam van [geintimeerde2] . De vordering van [appellante] tot overlegging van stukken zoals die nu voorligt, strandt daarom wegens het ontbreken van voldoende belang. [appellante] had de verlangde gegevens over de aangegane leningen en de uitbetaling daarvan zelf kunnen opvragen en dit opvragen had ook op haar weg gelegen; dit geldt ook – en eens te meer – voor zover die gegevens volgens [appellante] nodig zijn om haar vordering te onderbouwen. Daarom zal het hof de vordering van [appellante] in het incident zoals geformuleerd onder I.a. van haar petitum afwijzen.
4.5.
Voor zover de vordering van [appellante] in het incident tot inzage betrekking heeft op de investeringen in de woning verwijst het hof naar wat hierna is overwogen in 4.16 en 4.17, waaruit volgt dat het hof ook zonder die stukken tot een oordeel kan komen over het door [appellante] teruggevorderde bedrag van € 21.023,60. Daarom heeft [appellante] bij dit onderdeel van haar vordering in het incident geen belang en zal het hof dit onderdeel van de aanvullende vordering in het incident afwijzen.
De draagplicht met betrekking tot de gezamenlijke leningen bij Freo, Santander en ING
4.6.
De door [appellante] gevorderde verklaring voor recht heeft betrekking op de interne draagplicht van partijen met betrekking tot de leningen bij Freo, Santander en ING-bank.
Dit onderdeel van de vordering is gebaseerd op het door [appellante] gestelde en door [geintimeerde2] betwiste feit dat [geintimeerde2] de leningen buiten [appellante] om is aangegaan en/of dat hij de verkregen gelden grotendeels voor zichzelf heeft besteed. Het hof stelt hierbij voorop dat in deze procedure door partijen (veronderstellenderwijs) tot uitgangspunt wordt genomen dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn tegenover de kredietverschaffers. Het hof stelt verder vast dat [geintimeerde2] gemotiveerd betwist heeft dat hij de leningen zonder toestemming van [appellante] heeft afgesloten en dat hij de geleende bedragen voor zichzelf heeft gebruikt. Volgens [geintimeerde2] heeft [appellante] telkens met de leningen ingestemd, en heeft zij er ook wel bij gezeten toen hij leningen (digitaal) afsloot. De geleende bedragen zijn volgens [geintimeerde2] onder meer gebruikt voor gezamenlijke vakanties en voor cosmetische ingrepen bij [appellante] . Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] haar vordering op dit punt, gelet op dat gemotiveerde verweer, onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Daarbij merkt het hof allereerst op dat [appellante] zelf toegang had tot de benodigde gegevens van Freo, Santander en ING, en dat zij kennelijk verzuimd heeft het nodige te doen om haar vordering te onderbouwen (zie hierboven, onder 4.4). Ter zitting bij het hof heeft [appellante] opgemerkt dat zij het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO) opdracht heeft gegeven tot een forensisch handtekeningenonderzoek ter zake van een leningcontract bij ING. De uitslag van dat onderzoek zou nog niet bekend zijn. Ook dit gegeven baat [appellante] echter niet, en het hof ziet daarin ook geen reden om de procedure aan te houden. Daarbij merkt het hof in de eerste plaats op dat [appellante] verklaard heeft dat sprake was van digitaal geplaatste handtekeningen (IDIN), van gescande handtekeningen van [appellante] , of van ondertekening met haar DigiD. Ook staat tussen partijen helemaal niet ter discussie dat de bankzaken geregeld werden door [geintimeerde2] , en ook op diens computer. Dat en waarom het bedoelde onderzoek van NFO zou kunnen bijdragen aan de conclusie dat [geintimeerde2] de leningen zonder instemming van [appellante] op hun beider naam heeft afgesloten, valt dan ook niet in te zien, in elk geval niet zonder nadere toelichting en onderbouwing. Daar komt bij dat [appellante] haar beroep op de opdracht aan NFO en het bijbehorende verzoek tot aanhouding van de procedure pas in een (zeer) laat stadium van de procedure heeft gedaan. Dat laatste is, zeker nu de relevantie van dat onderzoek niet of onvoldoende is toegelicht, niet verenigbaar met de goede procesorde. [appellante] heeft ook op dit punt dus nagelaten tijdig het nodige te doen om haar stellingen voldoende toe te lichten en te onderbouwen. Een onderbouwing met behulp van bijvoorbeeld bankafschriften, ontbreekt eveneens (zie hiervoor, onder 4.4. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat, in afwijking van de hoofdregel, de draagplicht voor de gezamenlijke schulden bij Freo, Santander en ING-Bank, volledig (of voor meer dan de helft) bij [geintimeerde2] ligt. Dit betekent dat de daaromtrent gevorderde verklaring voor recht ook in hoger beroep zal worden afgewezen..
4.7.
Voor de duidelijkheid merkt het hof op dat het voorgaande oordeel voortbouwt op door partijen in deze procedure tot uitgangspunt genomen vooronderstelling dat [appellante] en [geintimeerde2] tegenover de kredietverstrekkers (Freo, Santander en ING-Bank) hoofdelijk aansprakelijk zijn ter zake van de afgesloten leningen. Mocht tussen partijen komen vast te staan dat van zo’n hoofdelijke aansprakelijkheid van [appellante] tegenover de kredietverstrekker, geen sprake is, dan is ook de interne draagplicht zoals hiervoor bedoeld niet aan de orde.
De vordering van € 30.000
4.8.
Niet in geschil is dat [appellante] € 30.000 ter beschikking heeft gesteld aan [geintimeerde2] om de restschuld van de hypotheek van het op zijn naam staande appartement af te betalen. De vraag ligt voor of [geintimeerde2] dit bedrag moet terugbetalen aan [appellante] , hetzij omdat er sprake was van een lening, hetzij op grond van ongerechtvaardigde verrijking of op grond van de redelijkheid en billijkheid.
Lening
4.9.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] haar primaire stelling dat er sprake was van een lening aan [geintimeerde2] , gelet op de betwisting daarvan door [geintimeerde2] , niet onderbouwd. Het is het hof niet gebleken dat het ten tijde van de storting van de € 30.000 de bedoeling van [appellante] was om terugbetaling van [geintimeerde2] te verlangen en dat dat voor [geintimeerde2] duidelijk was. Dat [appellante] na de verbreking van de samenleving € 30.000 heeft teruggevorderd van [geintimeerde2] doet daar niet aan af. Ook is niet gebleken van een afspraak tussen partijen die inhield dat [geintimeerde2] moest terugbetalen als hij daartoe financieel de ruimte had. Daarom is naar het oordeel van het hof geen sprake van een lening van [appellante] aan [geintimeerde2] op grond waarvan [geintimeerde2] een terugbetalingsverplichting had aan [appellante] . Het beroep van [appellante] op artikel 7:129e BW slaagt daarom niet.
Ongerechtvaardigde verrijking
4.10.
Het hof verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 10 mei 2019 [1] , waaruit volgt dat voor het oordeel dat [geintimeerde2] is verrijkt, nodig is dat als [appellante] de € 30.000 niet had betaald, [geintimeerde2] dit bedrag zelf had betaald of verplicht was te betalen. Vast staat dat dankzij de storting van [appellante] van € 30.000 [geintimeerde2] de op zijn naam staande hypotheekschuld, die hij verplicht was af te lossen, kon afbetalen. Hieruit volgt dat [geintimeerde2] is verrijkt en [appellante] is verarmd. Dan resteert de vraag of de verrijking van [geintimeerde2] ongerechtvaardigd is.
4.11.
Bij de beoordeling van de hiervoor vermelde vraag hecht het hof waarde aan het volgende:
  • [appellante] heeft op de zitting van het hof de stelling van [geintimeerde2] erkend dat voor hem de verhuizing uit zijn appartement niet hoefde, maar dat de verhuizing haar wens was ter wille van hun opgroeiende dochter. Het appartement was klein en oud, en [appellante] wilde behulpzaam zijn bij de aankoop van betere woonruimte;
  • [appellante] heeft niet weersproken dat zij liever € 30.000 ter beschikking wilde stellen aan [geintimeerde2] om zijn restschuld af te betalen, dan dat die schuld zou worden meegefinancierd bij het afsluiten van de hypotheek voor de nieuwe woning, wat zou hebben geleid tot hogere woonlasten;
  • [appellante] heeft niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken dat zij in de periode dat partijen woonden in het appartement dat eigendom was van [geintimeerde2] (de periode tot 2019), niet of niet in evenredigheid heeft bijgedragen in de woonlasten. De hypotheeklasten (de rente) werden in die periode, naar het hof begrijpt, enkel betaald door [geintimeerde2] .
4.12.
Het hof maakt uit de stukken en de door en namens partijen op de zitting geschetste gang van zaken tijdens de samenleving op dat partijen het erover eens waren dat [geintimeerde2] van zijn inkomen de meeste kosten van het gezin betaalde. Er was geen afspraak op grond waarvan [appellante] naar rato van haar inkomen aan de gezinskosten mee betaalde, maar er was in hun onderlinge verhouding een gang van zaken, die het hof kwalificeert als een stilzwijgende afspraak, dat [appellante] ’s salaris (buiten de haar maandelijkse bijdrage van € 500) niet op de gezamenlijke bankrekening werd gestort, maar op haar eigen bankrekening, zodat zij kon sparen. Daardoor kon [appellante] van het door haar gespaarde bedrag de restschuld van de hypotheek van [geintimeerde2] afbetalen en bleven de hypotheeklasten voor de nieuwe gezamenlijke woning beperkt. [appellante] heeft op die manier bijgedragen aan de (beperking van de) kosten van het samenleven. Dat [appellante] heeft erkend dat zij tijdens de samenleving het bedrag van € 30.000 niet heeft teruggevorderd en dat er nooit over terugbetaling ervan is gesproken, bevestigt deze stilzwijgende afspraak. Daarom is er naar het oordeel van het hof geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking.
Redelijkheid en billijkheid
4.13.
Omdat er geen sprake is van een lening en ook niet van ongerechtvaardigde verrijking, komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of [appellante] ’s vordering van € 30.000 op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden toegewezen. Uit de hiervoor in 4.10 vermelde uitspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat een vergoedingsrecht in verband met bijzondere omstandigheden kan voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW Pro bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid.
4.14.
Naar het oordeel van het hof zijn de door [appellante] geschetste omstandigheden
  • dat zij het bedrag ter beschikking heeft gesteld in het kader van de lotsverbondenheid van partijen en hun affectieve relatie, opdat partijen gezamenlijk na het inlossen van de restschuld van [geintimeerde2] de nieuwe gezamenlijke woning konden financieren;
  • dat partijen anders hogere hypotheeklasten hadden gehad en [geintimeerde2] middels een nieuwe hypothecaire lening had moeten instaan voor terugbetaling;
geen bijzondere omstandigheden die een beroep op artikel 6:2 BW Pro rechtvaardigen. Het beroep van [appellante] op de redelijkheid en billijkheid slaagt dus ook niet.
4.15.
Omdat het hof de vordering van [appellante] afwijst, hoeft het door [geintimeerde2] gedane beroep op verjaring niet te worden besproken.
De vordering van € 21.023,60 ter zake de door [appellante] gedane investeringen in de woning
4.16.
[appellante] vordert van [geintimeerde2] het bedrag van € 21.023,60, primair op grond van ongerechtvaardigde verrijking en subsidiair op grond van artikel 6:2 BW Pro. Volgens [appellante] is dit de helft van € 42.047,20, het bedrag dat zij aantoonbaar heeft betaald aan investeringen in de woning. Dit betreft de vernieuwing en installatie van de badkamer en keuken, de installatie van de airconditioning en andere kosten die samenhangen met de verbouwing en verbetering van de woning. [geintimeerde2] heeft de vordering van [appellante] betwist.
Ongerechtvaardigde verrijking of regresrecht
4.17.
Het hof verwijst nogmaals naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 mei 2019 waaruit volgt dat voor ongerechtvaardigde verrijking nodig is dat als [appellante] de investeringskosten niet voor haar rekening had genomen, [geintimeerde2] die kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken. Op de zitting heeft [appellante] bevestigd dat voor [geintimeerde2] de verhuizing naar de nieuwe woning niet had gehoeven en dat zij degene was met de wens dat hun dochter in een mooi huis kon wonen. Daarom staat niet vast dat [geintimeerde2] zelf de kosten zou hebben gemaakt als het alleen aan hem had gelegen. Dat [geintimeerde2] niet dwarslag bij de te maken kosten en voor [appellante] contacten heeft onderhouden met leveranciers en aannemers en aanwezig was bij de uitvoering van de werkzaamheden doet daar niet aan af. Het hof verwijst naar wat hiervoor onder 4.12 is overwogen en herhaalt zijn oordeel dat er in de onderlinge verhouding tussen [appellante] en [geintimeerde2] de stilzwijgende afspraak was, die inhield dat [appellante] spaarde en [geintimeerde2] het merendeel van zijn inkomen besteedde aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en dat [appellante] zo de investeringen kon bekostigen. Ieder droeg zo zijn aandeel bij in de kosten van het samenleven en van de (verbeteringen van de) woning. Dit wordt bevestigd door de mededeling van [appellante] ter zitting dat [geintimeerde2] zei: “Ik betaal de gemeente en de verzekering en dan kun jij de investeringen betalen.” Gelet op het vorenstaande, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking van [geintimeerde2] . Dat [appellante] een regresrecht zou hebben vanwege een door haar voldane gezamenlijke schuld, valt gelet op de voorgenoemde stilzwijgende afspraak evenmin in te zien.
Redelijkheid en billijkheid
4.18.
[appellante] stelt zich subsidiair op het standpunt dat uit de in artikel 6:2, eerste lid BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid volgt dat [geintimeerde2] haar een bedrag van € 21.023,60 moet vergoeden vanwege de door haar betaalde investeringen. Naar het oordeel van het hof zijn de door [appellante] geschetste feiten en omstandigheden, in het licht dat elk zijn aandeel bijdroeg in de kosten van het samenleven zoals hiervoor is overwogen, onvoldoende om haar een vergoedingsrecht voor de investeringen toe te kennen. Dat [geintimeerde2] behulpzaam is geweest bij het uitzoeken van materialen, gesprekken heeft gevoerd met contractspartijen en aannemers en aanwezig was bij de werkzaamheden doet maakt dit niet anders. Het feit dat [geintimeerde2] als mede-eigenaar meeprofiteert van een waardestijging van de woning, leidt niet tot een ander oordeel omdat ook [appellante] als mede-eigenaar van een eventuele waardestijging profiteert. Verder heeft [appellante] niet betwist dat zij na het vertrek van [geintimeerde2] uit de woning nog geruime tijd zonder gebruiksvergoeding de woning heeft bewoond en nog steeds bewoont. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [appellante] op de redelijkheid en billijkheid niet slaagt.
4.19.
Op de mondelinge behandeling bij het hof is partijen ambtshalve voorgehouden dat [appellante] mogelijk bedoelt een beroep te doen op artikel 3:172 BW Pro. Mocht [appellante] een beroep hebben willen doen op het bepaalde in artikel 3:172 BW Pro, en de door haar genoemde uitgaven kunnen worden geschaard onder artikel 3:170 BW Pro, dan geldt evenzeer dat uit de (stilzwijgende) afspraken zoals hierboven omschreven moet worden afgeleid dat partijen een andere regeling zijn overeengekomen dan in dat artikel is omschreven.
Conclusie
4.20.
De vorderingen in het incident worden afgewezen en de grieven slagen niet. De vorderingen van [appellante] van € 30.000 en van € 21.023,60 zullen ook in hoger beroep worden afgewezen. Daarom zal het hof beslissen als volgt.
4.21.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat de procedure voortvloeit uit de verbroken relatie van partijen.

5.De beslissing

Het hof,
5.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 27 november 2024,
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het hoger beroep;
5.3.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Koopman, A.A.J. Smelt en K.H.P. Selcraig, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.