ECLI:NL:GHARL:2026:4302

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
200.365.758/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 BWRichtlijn 2003/59/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet buschauffeur wegens weigering rijden op waterstofbus bevestigd

Een buschauffeur is op staande voet ontslagen door Qbuzz vanwege zijn hardnekkige weigering om te rijden op een bepaald type waterstofbus met technische problemen. De chauffeur had meerdere malen geweigerd de bussen te besturen, ondanks waarschuwingen en disciplinaire maatregelen.

De chauffeur stelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven en dat de waterstofbus onveilig was, maar het hof oordeelde dat Qbuzz voldoende pogingen had gedaan om het geschil op te lossen en dat de weigering een dringende reden vormde. De chauffeur had de verplichte e-learning niet gevolgd en kon geen goede reden geven voor zijn weigering.

Het hof verwierp het beroep van de chauffeur en bevestigde het ontslag op staande voet. Tevens werd hij veroordeeld in de proceskosten. De arbeidsovereenkomst werd beëindigd vanwege ernstig verwijtbaar handelen en plichtsverzuim.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt het ontslag op staande voet wegens hardnekkige weigering te rijden op een waterstofbus en wijst het beroep van de chauffeur af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.365.758/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, 11860895)
beschikking van 2 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker]
die woont in [woonplaats]
verzoeker in hoger beroep
bij de kantonrechter: verzoeker
hierna:
[de chaffeur]
advocaat: mr. D. Eggen te Groningen
tegen
Qbuzz B.V.
die is gevestigd in Amersfoort
verweerder in hoger beroep
bij de kantonrechter: verweerder
hierna:
Qbuzz
advocaat: mr. B.F.M. Kievitsbosch te Groningen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[de chaffeur] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 1 december 2025 heeft gegeven. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift van 27 februari 2026;
  • het verweerschrift met voorwaardelijk incidenteel appel van 28 april 2026;
  • de op 13 mei 2026 door [de chaffeur] ingediende productie 11;
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 20 mei 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

[de chaffeur] , werkzaam als buschauffeur, is op staande voet ontslagen vanwege het hardnekkig weigeren nog langer in een bepaald type waterstofbus te rijden. De kantonrechter heeft dat ontslag in stand gelaten en is niet toegekomen aan het subsidiaire verzoek van Qbuzz om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. [de chaffeur] wil dat het hof Qbuzz gelast [de chaffeur] weer tewerk te stellen als buschauffeur, onder doorbetaling van het loon vanaf de ontslagdatum. Het hof is het met de kantonrechter eens en verwerpt het beroep van [de chaffeur] .
Het hof zal die beslissingen hierna motiveren, nadat eerst de relevante feiten zijn vastgesteld.

3.De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten:
3.1
[de chaffeur] , geboren in 1969, is in 2002 begonnen als uitzendkracht bij Arriva. Op
1 december 2008 is [de chaffeur] in dienst getreden bij Arriva als buschauffeur. Na overgang van de desbetreffende openbaarvervoersconcessie naar Qbuzz is [de chaffeur] vanaf 2009
dienst is bij Qbuzz als buschauffeur. Zijn loon bedroeg laatstelijk € 2.951,39 bruto per maand, vermeerderd met emolumenten bij een arbeidsomvang van 28 uur per week.
3.2
Sinds het voorjaar van 2021 maakt Qbuzz gebruik van waterstofbussen van de bouwer [merknaam1] . Alle chauffeurs kregen een e-learning van 4 uur toegezonden over de bijzonderheden van deze bus. In die e-learning werd ook aandacht besteed aan het ‘nieuwe rijden’. Daaronder wordt verstaan energie-efficiënt, veilig en bewust rijden, waarbij het, voor zover hier van belang, gaat om het gedoseerd gebruik van het gaspedaal en het recupereren van de remenergie, waarvoor deze waterstofbus een voorziening had. Nadat de e-learning was gevolgd kregen de chauffeurs vier uur tijd gecompenseerd in vrije tijd.
[de chaffeur] heeft deze e-learning nooit gevolgd – ook niet na rappel - omdat hij het er niet mee eens was dat eerst de cursus gevolgd moest zijn in vrije tijd voordat compensatie in tijd werd gegeven. [de chaffeur] heeft alleen bij een collega chauffeur met bijzondere interesse in de waterstofbus (een zogeheten waterstofbus-ambassadeur) informatie ingewonnen over de startprocedure van de waterstofbus.
3.3
Deze waterstofbussen werden aanvankelijk regulier in het rooster op alle ritten ingezet en alle chauffeurs moesten erin rijden. Ook [de chaffeur] heeft op deze bussen gereden.
3.4
Bij sommige bussen is de brandstofcel (fuell cel) van mindere kwaliteit, waardoor de bussen tijdens de rit minder goed opladen. [de chaffeur] heeft op 27 november 2023 zijn beklag gedaan dat hij noodgedwongen onderweg bij een halte, op de lijnbus naar [plaats1] , moest opladen en 25 minuten vertraging opliep. Hij heeft aangegeven dat het waardeloze bussen zijn. [de chaffeur] kreeg van de verkeersleiding het advies om het nieuwe rijden toe te passen en het gaspedaal gedoseerd te gebruiken. Dit advies viel op dat moment niet in goede aarde bij [de chaffeur] . Dit advies is later door zijn teammanager (de heer [naam1] ) herhaald. Tijdens dit gesprek heeft [de chaffeur] aangegeven dat hij het gesprek met de verkeersleiding als onprettig heeft ervaren, omdat de indruk werd gewekt dat het incident werd toegeschreven aan zijn kwaliteiten als chauffeur. De teammanager heeft op zijn beurt gewezen op de extra aandacht die aan het gebruik van het gaspedaal moet worden gegeven bij een dergelijke waterstofbus.
3.5
De waterstofbussen met de brandstofcelproblemen werden door Qbuzz alleen nog ingezet als stadsbus in [plaats2] en kregen de naam [naam2] -bus en een gele sticker. Het oplossen van deze problemen werd bemoeilijkt door de faillissementsperikelen bij [merknaam2] .
3.6
Op 23 december 2024 was [de chaffeur] opnieuw genoodzaakt bij te laden tijdens een rit
met een [naam2] -bus naar [plaats3] (dit valt onder de stadsritten omdat de maximumsnelheid niet boven de 50 km komt). Ook toen heeft [de chaffeur] contact opgenomen met de verkeersleiding en werd hem geadviseerd niet te veel gas te geven en het gaspedaal eerder los te laten, zoals eerder ook was geadviseerd.
3.7
[de chaffeur] heeft naar aanleiding van dit incident weer contact gezocht met zijn teammanager via een e-mail en daarbij de volgende vragen gesteld:
"1. Deelt Qbuzz de mening dat het onvoldoende bijladen van een waterstofbus het gevolg is van het rijgedrag van de chauffeur?
2. Waarop baseert de verkeersleider de veronderstelling dat mijn rijgedrag niet voldoet aan de normen die je daaraan mag stellen en deelt Qbuzz deze mening?"
De teammanager heeft daarop als volgt gereageerd:
"Het onvoldoende bijladen is een gevolg van de steeds meer degradatie van de bepaalde onderdelen, een probleem wat al langer bekend is. (...) "
Zowel de teammanager als [de chaffeur] hebben daarover ook contact opgenomen met de verkeersleiding. [de chaffeur] heeft gevraagd:
“1. Je rijdt met een waterstofbus waarvan je ziet dat de accumeter steeds verder terugloopt. Moet je dat als chauffeur melden bij de verkeersleiding of hoef je je daar geen zorgen over te maken?
2. Als je het hebt gemeld, is de informatie dan juist dat dit niet gebeurt als je het gaspedaal niet te diep intrapt? ”
Daarop heeft het hoofd van de verkeersleiding geantwoord dat deze problemen bij de verkeersleiding gemeld moesten worden. Op de tweede vraag antwoordde hij
“2. Ja en nee, we hebben twee soorten waterstofbussen (…) Het grote verschil zit hem in het presteren van de fuelcell. Van de “waterstofbus stad” werkt de fuelcell niet naar behoren, het doseren van het gaspedaal kan hier negatieve gevolgen in hebben, dit is ook de reden waarom deze niet meer op N of A-wegen rijden. De waterstofbussen streek horen normaal te functioneren, hier zal de stand van het gaspedaal geen gevolgen mogen hebben."
3.8
Het hoofd van de verkeersleiding heeft in deze e-mail benadrukt dat het niet de bedoeling is geweest om het rijgedrag van de chauffeur als oorzaak te bestempelen en heeft hij namens de verkeersleiding zijn excuses aangeboden indien [de chaffeur] dit wel zo heeft opgevat.
3.9
Op 13 januari 2025 heeft [de chaffeur] aan zijn teammanager en de ondernemingsraad verzocht om te worden vrijgesteld van het rijden op de [naam2] -bus . Daarbij heeft hij het volgende aangegeven:
"(...) Daarbij begrijp ik ook de werkinstructie niet waarmee je kunt voorkomen dat deze incidenten plaatsvinden of wat QBUZZ van chauffeurs verwacht met betrekking tot het rijden met deze bussen en een correcte werkuitvoering. Naar het zich laat aanzien ben ik nu twee keer gezakt voor een test ‘rijden waterstofbus’ en ben ik weinig optimistisch dat het een derde keer wel gaat lukken zonder duidelijke instructies."
3.1
Op 24 februari 2025 heeft [de chaffeur] de volgende e-mail aan zijn teammanager gestuurd met een rappel voor zijn mail van 13 januari 2025 die sloot met het verzoek “alleen bussen in te zetten die passen bij mijn rijstijl totdat de kwestie is opgelost. (...)"
3.11
De teammanager heeft daarop diezelfde dag per mail geantwoord op basis van de bij hem bekende informatie, te weten de uitvoerige en heldere antwoorden van de verkeersleiding op de vragen van [de chaffeur] , geen aanleiding te zien om [de chaffeur] vrij te stellen van het rijden met een [naam2] -bus . Daarop reageerde [de chaffeur] diezelfde dag nog met een e-mail:
"(...) Het niet bijladen van de accu lijkt verband te houden met mijn rijstijl, maar het is mij niet duidelijk hoe dat werkt. Zonder duidelijke instructie daarover kan ik mijn werk niet naar behoren uitvoeren. Daarom blijf ik bij het verzoek dit duidelijk uit te leggen of mij alleen met bussen te laten rijden waarvoor deze bijzondere rijstijl niet nooddzakelijk is.(...)"
3.12
Op 7 april 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [de chaffeur] en de teammanager, in verband met de weigering van [de chaffeur] om op een hem toegewezen [naam2] -bus te rijden.
3.13
Op 30 april 2025 heeft [de chaffeur] een uitnodiging ontvangen voor een gesprek op 1 mei
2025. Aanleiding voor het gesprek was dat [de chaffeur] had geweigerd een [naam2] -bus te
besturen op 28 april 2025, terwijl deze conform planning aan hem was toegewezen. [de chaffeur] heeft geweigerd om op dit gesprek te verschijnen.
3.14
Op 1 mei 2025 heeft [naam1] [de chaffeur] een brief gestuurd met daarin een kort verslag
van het gesprek van 7 april 2025 en over de weigering van de uitnodiging voor 1 mei 2025
door [de chaffeur] . In de brief staat onder meer:
“Tevens heb ik u erop gewezen dat indien u opnieuw zou weigeren een toegewezen bus te besturen, ik genoodzaakt zal zijn (...) mogelijk een disciplinaire maatregel op te leggen. Ik gaf aan te hopen dat het niet zover zou komen. U gaf toen echter direct aan dat u, mocht u opnieuw een [naam2] -bus toegewezen krijgen, deze wederom pertinent zou weigeren te besturen (…) Op maandag 28 april 2025 ontving ik een e-mail (...) waarin staat dat u (...) weigert om met het betreffende voertuig te rijden. U zou daarbij hebben verwezen naar een dossier waarin zou zijn vermeld dat deze voertuigen niet bij uw rijstijl passen. (...)
Ik wil hierbij verduidelijken dat deze mening uitsluitend van u afkomstig is. Er is geen enkele verklaring of officiële vastlegging van een derde partij waaruit blijkt dat deze voertuigen daadwerkelijk niet bij uw rijstijl zouden passen. Feit is dat u, ondanks eerdere waarschuwingen, nog steeds weigert een [naam2] -bus te besturen. (...)
Op donderdag 1 mei 2025, om 10:15 uur, verscheen u op mijn kantoor en gaf u aan dat het gesprek om twee redenen niet door zou gaan. (...)
Als tweede reden gaf u aan dat u ‘niet weet waar het gesprek over gaat '. (...) U stelde dat dit gesprek reeds had plaatsgevonden en dat er geen nieuwe feiten waren, waardoor u volgens de wet geen verplichting had om opnieuw in gesprek te gaan. Ik vroeg u normaals om plaats te nemen om het gesprek aan te gaan, zodat u een en ander zou kunnen aanhoren. U bleef echter bij uw standpunt en verliet het kantoor."
3.15
Op 15 mei 2025 heeft [de chaffeur] opnieuw geweigerd te rijden op een [naam2] -bus . Daarop heeft Qbuzz [de chaffeur] op 19 mei 2025 een disciplinaire maatregel aangezegd. Op 22 mei 2025 heeft [de chaffeur] daarop gereageerd met een briefje dat het niet acceptabel is om de problemen met de [naam2] -bussen bij de chauffeurs neer te leggen. Op 26 mei 2025 heeft Qbuzz [de chaffeur] een disciplinaire maatregel opgelegd in de vorm van een waarschuwing.
3.16
Op 27 mei 2025 heeft [de chaffeur] wederom geweigerd op een [naam2] -bus te rijden. Qbuzz heeft diezelfde dag opnieuw een disciplinaire maatregel aangezegd. [de chaffeur] heeft per e-mail van 30 mei 2025 gereageerd op deze aanzegging en voor de
motivatie van zijn weigering verwezen naar het gesprek van 7 april 2025, de mailwisseling
over dit onderwerp en zijn briefje van 22 mei 2025. Op 2 juni 2025 heeft Qbuzz opnieuw een disciplinaire maatregel opgelegd aan [de chaffeur] in de vorm van een boete ter hoogte van eenmaal het geldende dagloon. In de brief staat eveneens opgenomen:
"(...) Het feit dat u al eerder bent gewaarschuwd voor het weigeren om met een bepaald bustype te rijden en wederom een dienstopdracht weigert uit te voeren is voor ons ontoelaatbaar. Wij wijzen u erop dat wanneer u opnieuw soortgelijke gedragingen ten toon spreidt, wij ons zullen beraden op de mogelijke juridische consequenties die dit voor u zal hebben. Qbuzz kan en wil uw gedrag niet tolereren.”
3.17
Op 29 mei 2025 heeft [de chaffeur] opnieuw een rit op de [naam2] -bus geweigerd waarna Qbuzz op 3 juni 2024 opnieuw een disciplinaire maatregel aangezegd en [de chaffeur] uitnodigde voor een gesprek op 6 juni 2025. [de chaffeur] heeft op 6 juni 2025 hierop gereageerd en voor de motivatie van zijn weigering opnieuw verwezen naar het gesprek van 7 april 2025, de mailwisseling over dit onderwerp en zijn reactie van 22 mei 2025. Diezelfde dag, 6 juni 2025, heeft [de chaffeur] opnieuw geweigerd op een [naam2] -bus te rijden. [de chaffeur] heeft vervolgens beroep ingesteld bij het Scheidsgerecht Koninklijk Nederlands Vervoer tegen de disciplinaire maatregel van 2 juni 2025. Het Scheidsgerecht heeft laten weten dat Qbuzz deze maatregel niet direct ten uitvoer had mogen leggen. Tot een inhoudelijke beoordeling door het Scheidsgerecht is het verder niet gekomen als gevolg van het ontslag.
3.18
[de chaffeur] heeft op 2 juni 2025 de (interne) cursus rijoptimalisatie (met praktijktoets) gevolgd. Qbuzz biedt deze cursussen aan in het kader van de verplichte na- en bijscholing, bekend onder Code-95, gebaseerd op richtlijn 2003/59/EG.
3.19
Op 11 juni 2025 heeft Qbuzz wederom een disciplinaire maatregel aangezegd en
[de chaffeur] weer uitgenodigd voor een gesprek waarbij de teammanager schreef:
"Ik heb u meermaals uitgenodigd voor een gesprek maar u heeft zowel schriftelijk als woordelijk te kennen gegeven daar geen gehoor aan te geven. Omdat ik geloof in hoor wederhoor en een goedgesprek te allen tijde kan leiden tot oplossingen leg ik deze keer een ‘open’ uitnodiging neer. Indien u toch besluit het gesprek met mij aan te willen gaan laat mij dat dan a.u.b. binnen 5 dagen na 11 juni 2025 weten waarna wij samen een moment kiezen om het gesprek te voeren (...)”
3.2
Op 16 juni 2025 heeft [de chaffeur] op deze e-mail gereageerd. Voor de motivatie van zijn
weigering heeft [de chaffeur] zijn standpunt herhaald zoals onder meer op 30 mei 2025 kenbaar
is gemaakt. Op de uitnodiging van [naam1] heeft [de chaffeur] als volgt gereageerd:
“Voor het aangaan van een nieuw gesprek heb ik reeds eerder aangegeven dat een gesprek mij alleen nuttig voorkomt als er zich nieuwe feiten of omstandigheden voordoen. De uitnodiging voor gesprek geeft geen aanleiding te veronderstellen dat daar sprake van is. Ik zal daarom geen gebruik maken van deze uitnodiging”
3.21
Op 24 juni 2025 heeft [de chaffeur] opnieuw een rit op de [naam2] -bus geweigerd.
Diezelfde dag heeft [de chaffeur] een brief van zijn teammanager ontvangen dat hij met onmiddellijke ingang wordt geschorst.
In die brief staat:
“Met inachtneming van de eerder aan u opgelegde disciplinaire maatregelen zal echter niet opnieuw de mogelijkheid van een disciplinaire maatregel worden overwogen. Qbuzz zal tot een beslissing moeten komen over de juridische gevolgen van uw herhaalde werkweigering en plichtsverzuim voor de bestaande arbeidsovereenkomst.”
3.22
Op 1 juli 2025, nadat de datum op verzoek van [de chaffeur] was uitgesteld, heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [de chaffeur] , de operationeel manager (de heer [naam3] ) en de HR-adviseur (mevrouw [naam4] ). De operationeel manager heeft [de chaffeur] te verstaan gegeven dat ontslag tot de mogelijkheden behoorde als [de chaffeur] volhardde in zijn werkweigering. [de chaffeur] aangegeven bereid te zijn om alle werkzaamheden te verrichten, behalve het rijden op een [naam2] -bus .
3.23
Bij brief van 2 juli 2025 heeft Qbuzz [de chaffeur] op staande voet ontslagen. In de
brief staat onder meer:
“(…) Tijdens het gesprek hebben wij u gevraagd of u, in het licht van deze schorsing en alle voorgaande waarschuwingen, bereid bent om de instructies van de werkgever voortaan op te volgen en uw diensten uit te voeren op alle typen bussen, inclusief de waterstofbus. U heeft aangegeven dat u bereid bent om
alle werkzaamheden te verrichten, echter nadrukkelijk met uitzondering van het rijden op een waterstofbus. Na deze weigering hebben wij u medegedeeld dat wij, op basis van deze herhaalde weigering, ons wilden beraden en contact zouden opnemen met onze advocaat om te onderzoeken op welke wijze wij op uw weigering zouden moeten reageren en mogelijk tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen komen. Daarbij hebben wij vermeld dat wij ook kunnen inzetten op ontslag op staande voet op grond van werkweigering, plichtsverzuim en ernstig verwijtbaar handelen.
Na deze mededeling hebben wij u nogmaals gevraagd of u bij uw standpunt blijft en weigert om de instructie van de werkgever op te volgen. U heeft bevestigd dat u blijft weigeren om op een waterstofbus te rijden en dat u de consequenties van deze weigering accepteert.
Na overleg met onze advocaat en na zorgvuldige afweging delen wij het volgende mede.
(...) Uw stelselmatige weigeringen zijn in strijd met datgene wat van u als goed werknemer mag worden verwacht. Uw bewust en stelselmatig weigeren van uw werkzaamheden, voor het laatst op 1 juli 2025 is aan te merken als ernstig verwijtbaar gedrag en geven een dringende reden in de zin van de wet om u arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.
(...) Op grond van (...) wordt u middels deze brief op staande voet ontslagen in verband met uw plichtsverzuim, werkweigering en ernstig verwijtbaar handelen. Bovendien is door u handelen en toedoen het vertrouwen in u als werknemer volledig teniet gegaan."
3.24
De [naam2] -bussen worden gereviseerd. In september 2025 heeft Qbuzz de laatste nog niet gereviseerde bussen uit de dienstregeling gehaald in afwachting van de revisie.

4.De beoordeling door het hof

De verzoeken in hoger beroep
4.1
[de chaffeur] verzoekt het hof om voor recht te verklaren dat het aan [de chaffeur] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, Qbuzz te gelasten hem weer te werk te stellen in zijn functie van buschauffeur op straffe van verbeurte van een dwangsom en te bepalen dat het loon moet worden doorbetaald vanaf de ontslagdatum onder verstrekking van bruto-nettospecificaties. Daarnaast wil [de chaffeur] dat Qbuzz een rectificatietekst met excuses voor het verleende ontslag in de organisatie rondstuurt, dit ook op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.2
[de chaffeur] heeft vijf als zodanig benoemde beroepsgronden geformuleerd.
Qbuzz vindt dat die gronden niet opgaan en wil dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt. Als het hof dat niet zou doen, wil Qbuzz dat het hof, in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep, opnieuw kijkt naar haar voorwaardelijk ontbindingsverzoek.
4.3
Het hof zal de beroepsgronden van [de chaffeur] hierna thematisch behandelen. De eerste beroepsgrond die zich richt tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter heeft het hof hiervoor al behandeld door de feiten opnieuw vast te stellen.
Het beoordelingskader
4.4
Het hof schetst allereerst het juridische toetsingskader voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De werkgever heeft op grond van artikel 7:677 BW Pro de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens een dringende reden. Die reden moet onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Artikel 7:678 BW Pro bepaalt dat als dringende reden wordt beschouwd zodanige omstandigheden die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daarvan ook voorbeelden. Uit die opsomming blijkt dat het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De bewijslast daarvan rust op de werkgever. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.
Onverwijldheid
4.5
Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven. De ‘onverwijldheidsklok’ begint te lopen wanneer een vermoeden van een dringende reden ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen.
4.6
Volgens [de chaffeur] is het ontslag te laat, en daarmee niet onverwijld gegeven. Hij stelt dat op 28 april 2025 al duidelijk was dat [de chaffeur] weigerde om nog langer op de [naam2] -bus te rijden en dat het verlenen van het ontslag op staande voet op 2 juli 2025 dan te laat was. Ook als gerekend zou worden vanaf de laatste weigering van [de chaffeur] om daadwerkelijk een voor hem ingeplande rit met een [naam2] -bus te rijden, is volgens [de chaffeur] het ontslag op staande voet op 2 juli 2025 te laat.
4.7
Het hof verwerpt die gedachtegang. Qbuzz heeft - terecht - in de hele periode vanaf de eerste daadwerkelijke weigering van [de chaffeur] om nog in een [naam2] -bus te rijden, begin april 2025, tot de ontslagdatum geprobeerd om met [de chaffeur] in gesprek te blijven en, eerst in gesprekken en later met ook met disciplinaire maatregelen van oplopende zwaarte, gepoogd [de chaffeur] zijn gedeeltelijke werkweigering te doen beëindigen. Qbuzz was niet verplicht om, nadat de gesprekken op dit punt vruchteloos bleven en [de chaffeur] weigerde om nog langer in gesprek te gaan, direct de zwaarste sanctie die het arbeidsrecht kent, het ontslag op staande voet, in stelling te brengen.
Na de weigering op 24 juni 2025 heeft Qbuzz bij brief van diezelfde dag ‘uitgenodigd’ voor een gesprek op 27 juni 2025 met de operationeel manager. Dat gesprek is op verzoek van [de chaffeur] verplaatst naar 1 juli 2025. In dat gesprek is [de chaffeur] nog een laatste kans gegeven om zijn verzet tegen het rijden op de [naam2] -bus te staken, waarop hij niet is ingegaan en in zijn weigering heeft volhard. Dat laatste is hem in de ontslagbrief van 2 juli 2025 ook als reden voor het ontslag op staande voet meegedeeld.
4.8
Het hof oordeelt met de kantonrechter dat Qbuzz aan de onverwijldheidseis heeft voldaan.
Het ontslag is niet prematuur
4.9
Een tweede bezwaar dat [de chaffeur] tegen het ontslag op staande voet heeft opgeworpen - en dat zich naar het oordeel van het hof niet goed verdraagt met het hiervoor besproken bezwaar - is dat het ontslag op staande voet ‘te vroeg’ zou zijn gegeven omdat [de chaffeur] niet duidelijk genoeg is gewaarschuwd dat zijn weigering om op de [naam2] -bus te rijden tot ontslag op staande voet zou kunnen leiden. Het hof verwerpt ook dit bezwaar. Qbuzz heeft [de chaffeur] steeds zwaardere sancties opgelegd na zijn hardnekkige weigering om in een [naam2] -bus te rijden. In de brief van 24 juni 2025 heeft de teammanager aangegeven dat het Qbuzz zich beraadt over het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst. Tijdens het gesprek van 1 juli 2025 is [de chaffeur] nogmaals te verstaan gegeven - zoals [de chaffeur] ter zitting van het hof ook heeft erkend - dat hij zal worden ontslagen als hij volhardde in zijn weigering om op de [naam2] -bus te rijden. Dat heeft hem er niet toe gebracht op zijn weigering terug te komen.
De werkweigering levert een dringende reden op
4.1
Het bij voortduring (hardnekkig) weigeren om te voldoen aan redelijke opdrachten van de werkgever levert ingevolge de (niet limitatieve) opsomming in artikel 7:678 lid 2 BW Pro onder j een dringende reden voor ontslag op. Dat [de chaffeur] hardnekkig heeft geweigerd in 2025 nog langer op de [naam2] -bus te rijden, staat vast. Dat dit voor Qbuzz, c.q. de busreiziger, vervelende gevolgen had staat eveneens vast: op het moment dat [de chaffeur] ingepland stond voor een rit waarvoor een [naam2] -bus was ingezet en hij weigerde die rit uit te voeren, verviel in de meeste gevallen die rit. Zoals ook de kantonrechter al heeft overwogen kan Qbuzz slechts in uitzonderingsgevallen, voornamelijk bij medische redenen, rekening houden met de voorkeur of bezwaren van chauffeurs tegen een bepaald type bus waarop zij ingezet worden.
4.11
[de chaffeur] heeft aangevoerd dat de [naam2] -bus gevaarlijk en ongeschikt was en dat de opdracht om deze bus te besturen geen redelijke opdracht was. Het hof gaat hierin, evenals de kantonrechter, niet mee. Dat de [naam2] -bus gevaar opleverde in het verkeer heeft [de chaffeur] niet aannemelijk gemaakt. Vanwege de gebrekkige brandstofcel was de [naam2] -bus non-conform en niet meer geschikt voor langere ritten, maar dat de [naam2] -bus ook in het stadsvervoer niet meer veilig ingezet kon mogen worden, is niet gebleken. Het grootste ‘risico’ met de [naam2] -bus was dat deze onderweg moest worden bijgeladen waarmee de rit vertraging opliep. Om dit te voorkomen moest de chauffeur voorzichtig met het gaspedaal omgaan. Dit is aan de orde geweest in de e-learning die bij de introductie van de waterstofbus aan alle chauffeurs ter beschikking is gesteld. [de chaffeur] heeft deze e-learning nooit willen volgen, ook niet toen hij problemen met de [naam2] -bus ondervond. Voor dat laatste heeft hij ook ter zitting bij het hof geen goede verklaring kunnen geven. De instructies die [de chaffeur] desgevraagd heeft gekregen toen hij met een [naam2] -bus kwam stil te staan – namelijk het gaspedaal niet te diep in te trappen – oordeelt het hof voldoende duidelijk.
4.12
[de chaffeur] heeft die instructies opgevat als algemene kritiek op zijn rijstijl. Qbuzz heeft benadrukt dat dit niet het geval is en het hoofd van de verkeersleiding heeft in zijn mail van 23 december 2024 ook zijn excuus aangeboden voor zover dit zo is overgekomen. Ondanks deze excuses is het naar het oordeel van het hof vooral dit wat [de chaffeur] dwars is blijven zitten. Ter zitting van het hof heeft hij verklaard dat hij een chauffeur met een ‘gouden voetje’ is, dat zijn rijstijl uitstekend is wat ook tijdens de rijproef van 2 juni 2025 zou zijn bevestigd en dat hij zijn rijstijl niet heeft gewijzigd als gevolg van het ‘nieuwe rijden’. Daarom heeft hij geconcludeerd dat de [naam2] -bus niet bij zijn rijstijl zou passen en weigerde hij die nog langer te besturen en zelfs om daar nog met zijn teamleider verder over te praten.
4.13
Het hof volgt [de chaffeur] ook niet in zijn stelling dat Qbuzz hem een externe training in het kader van het nascholingsprogramma Code 95 had moeten aanbieden. Immers niet ter discussie staat dat [de chaffeur] over het algemeen een ervaren en uitstekende chauffeur is, maar een die daarvan zeer overtuigd is en weinig flexibiliteit vertoont als een andere rijstijl wordt geadviseerd voor een suboptimale bus. Waar [de chaffeur] heeft geweigerd om de interne e-learning te volgen valt niet in te zien waarom dan een externe cursus zou moeten worden aangeboden, nog daargelaten dat niet voor de hand ligt dat op een externe cursus aandacht zou worden geboden voor een typisch tijdelijk fenomeen als de [naam2] -bussen, die immers wachtten op revisie. Daar komt bij dat [de chaffeur] op 2 juni 2025 nog de interne Code-95 rijvaardigheidstraining heeft gevolg en daar ook desgewenst feedback had kunnen vragen voor het gebruik van het gaspedaal bij het ‘nieuwe rijden’.
4.14
Het hof oordeelt evenals de kantonrechter dat de opdracht van Qbuzz aan [de chaffeur] om ook op [naam2] -bussen te rijden binnen zijn dienstrooster, niet als onredelijk kan worden bestempeld. Daarmee staat vast dat [de chaffeur] hardnekkig heeft geweigerd om aan een redelijke opdracht van Qbuzz te voldoen.
Qbuzz heeft de omstandigheden van [de chaffeur] voldoende meegewogen
4.15
[de chaffeur] heeft aangevoerd dat Qbuzz zijn leeftijd en de lengte en onberispelijkheid van zijn dienstverband onvoldoende heeft meegewogen en dat dit reden had moeten zijn om geen ontslag op staande voet te verlenen.
4.16
Het hof oordeelt dat de kantonrechter deze omstandigheden voldoende heeft meegewogen. Qbuzz heeft [de chaffeur] heel veel kansen gegeven om op zijn weigering om nog langer een [naam2] -bus te besturen terug te komen. De leeftijd van [de chaffeur] en de duur en onberispelijkheid van zijn dienstverband leggen daarbij niet een zodanig gewicht in de schaal dat Qbuzz hem alleen vanwege die omstandigheden niet had mogen ontslaan. Zijn kansen op de arbeidsmarkt in de nabije omgeving van zijn woonplaats, maken dit oordeel niet anders. Dat [de chaffeur] door het ontslag in financiële problemen is gekomen is overigens ook niet gebleken. Ter zitting bij het hof heeft hij verklaard dat hij met prepensioen is, dat hij zich dat financieel kan veroorloven en dat hij na zijn ontslag ook niet elders heeft gesolliciteerd.
De slotsom
4.17
De bezwaren van [de chaffeur] tegen het vonnis van de kantonrechter gaan niet op. Het hof zal het beroep verwerpen en de vorderingen van [de chaffeur] afwijzen. Hij zal, als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld, te begroten op het van Qbuzz geheven griffierecht en een vergoeding voor haar advocaatkosten conform het liquidatietarief. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. [1]

5.De beslissing

Het hof:
5.1
verwerpt het beroep;
5.2
wijst de vorderingen van het [de chaffeur] af;
5.3
veroordeelt het [de chaffeur] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Qbuzz begroot op € 851,- aan verschotten en op € 2.580,- aan salaris advocaat (twee punten naar tarief II van het liquidatietarief);
5.4
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, M. Willemse en J. Schulp en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.