ECLI:NL:GHARL:2026:4283

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.368.919
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 aanhef en onder b FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw en geen financiële stabiliteit

De schuldenaar heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, die zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) had afgewezen. Het hof heeft het beroep behandeld en de afwijzing bekrachtigd.

De schuldenaar was bestuurder van een concern dat vanaf 2020 financiële problemen kende, wat leidde tot faillissementen van gelieerde vennootschappen in februari 2026. Hij heeft een omvangrijke schuldenlast opgegeven, waaronder rekening-courantschulden en hypothecaire leningen. De schuldenaar werkt sinds maart 2026 en wil zijn woning verkopen om zijn financiële situatie te verbeteren.

Het hof oordeelt dat de schuldenaar onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn schuldenpositie, met onduidelijkheden over de omvang, ontstaan en onderbouwing van diverse schulden. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in de drie jaar voorafgaand aan het wsnp-verzoek te goeder trouw was. Daarnaast is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsclausule, omdat de financiële situatie nog niet stabiel is en er geen bestendige gedragsverandering is aangetoond.

Daarom bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw en gebrek aan financiële stabiliteit.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.368.919
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 26-02941
arrest van 30 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker] ( [schuldenaar] )
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
advocaat: mr. M.A. López Gonzalez

1.De procedure bij de rechtbank

1.1.
Bij vonnis van 7 mei 2026 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, het verzoek van [schuldenaar] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp) afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis. [1]

2.De procedure bij het hof

2.1.
Door middel van een op 13 mei 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [schuldenaar] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 7 mei 2026. Met dit hoger beroep wil [schuldenaar] bereiken dat hij alsnog wordt toegelaten tot de wsnp.
2.2.
Het hof heeft naast het beroepschrift met producties kennis genomen van:
  • de brief van 17 juni 2026 van mr. López Gonzalez met producties
  • het bericht van 22 juni 2026 van mr. López Gonzalez met producties en de pleitnota voor de mondelinge behandeling.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Hierbij is [schuldenaar] verschenen bijgestaan door mr. López Gonzalez en de heer B.L. Menting.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

De feiten
3.1.
[schuldenaar] heeft in 2001 [Financial Holding] B.V. ( [Financial Holding] ) opgericht en is enig bestuurder van [Financial Holding] . [Financial Holding] is indirect de financiële holding van het Partners Network Concern (PNC) dat bestond uit een aanzienlijk aantal vennootschappen. PNC hield zich bezig met de internationale distributie van vers voedsel. In 2016 heeft [schuldenaar] [naam1] B.V. ( [naam1] ) opgericht. Via [naam1] hield [schuldenaar] (in)direct belangen in een aantal vennootschappen die actief waren in, onder meer, logistiek, kinderopvang en schoonmaak.
3.2.
Vanaf 2020 is PNC geconfronteerd met een toename van haar schuldenpositie en een aantasting van haar liquiditeitspositie waardoor de continuïteit van het concern onder druk is komen te staan. Op 10 februari 2026 zijn acht van de aan [schuldenaar] gelieerde vennootschappen, op eigen aangifte, in staat van faillissement verklaard.
3.3.
Op de door [schuldenaar] overgelegde crediteurenlijst staat een totale schuldenlast van € 5.200.553,94. Hiervan bestaat ongeveer € 2.000.000 uit rekening-courant schulden aan gelieerde vennootschappen. Daarnaast staat op die lijst een schuld van € 1.258.204,88 aan [naam2] B.V. ( [naam2] ) met als omschrijving ‘Derdenbeslag vordering [Financial Holding] B.V.’.
3.4.
[schuldenaar] is vanaf 1 maart 2026 werkzaam bij [naam3] B.V. op basis van een arbeidsovereenkomst voor 12 maanden en 36 uur per week tegen een (bruto) salaris van € 6.000 per maand. De woonlasten voor de hypothecaire geldlening bij de ING Bank bedragen € 5.494,24 per maand. [schuldenaar] wil zijn woning verkopen en is in afwachting van een door de ING Bank goedgekeurde taxatie. Op 18 juni 2026 heeft [schuldenaar] zich per e-mail aangemeld voor een budgetcoachingsprogramma.
Het oordeel van de rechtbank
3.5.
De rechtbank heeft het verzoek van [schuldenaar] tot toepassing van de wsnp afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is [schuldenaar] in de afgelopen drie jaren niet te goeder trouw geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden. Daarnaast heeft de rechtbank het beroep van [schuldenaar] op de hardheidsclausule afgewezen omdat zijn financiële situatie op dit moment nog niet stabiel is.
De stellingen van [schuldenaar]
3.6.
Volgens [schuldenaar] hebben de financiële problemen binnen PNC er toe geleid dat de managementvergoeding aan [Management] B.V. ( [Management B.V.] ), van waaruit hij zijn salaris en dividenduitkeringen ontving, vanaf november 2021 is gehalveerd. Dit heeft tot gevolg gehad dat hij vanaf dat moment uitsluitend nog zijn salaris van € 6.971,90 (netto) per maand ontving. Voor dividenduitkeringen was er geen financiële ruimte meer. De liquiditeitstekorten binnen PNC hebben er ook toe geleid dat zijn partner vanaf 2022 geen salaris meer ontving uit het concern en dat hij zich privé borg heeft moeten stellen voor een aantal zakelijke kredieten van de onderneming. Dit alles heeft er volgens [schuldenaar] toe geleid dat hij niet langer aan zijn vaste lasten kon voldoen.
3.7.
[schuldenaar] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het ontbreken van de goede trouw. De privé-onttrekkingen aan de ondernemingen waren volgens hem noodzakelijk om in de vaste lasten van zijn huishouden te kunnen voorzien en daarom te goeder trouw. Ook zijn er volgens hem geen concrete aanwijzingen dat de curator een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid tegen hem zal instellen. Bovendien zou een dergelijke vordering geen kans van slagen hebben. [schuldenaar] kan zich ook niet vinden in het oordeel van de rechtbank om het beroep op de hardheidsclausule af te wijzen. Volgens [schuldenaar] is er sprake van een wijziging in zijn uitgavenpatroon. Hij kan weliswaar met zijn huidige inkomsten niet al zijn lopende vaste lasten voldoen, maar zijn vrouw heeft inmiddels inkomen en het huis zal worden verkocht, waardoor zijn financiële situatie tijdens de wsnp stabiel zal zijn. Ook is er volgens hem een bestendige gedragsverandering geweest waardoor het aannemelijk is dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, namelijk het ondernemersrisico en het ontoereikende inkomen, onder controle heeft gekregen.
Het oordeel van het hof
Goede trouw niet aannemelijk
3.8.
Het is aan [schuldenaar] om aannemelijk te maken dat hij in de drie jaar voorafgaand aan zijn verzoek om toelating tot de wsnp te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Faillissementswet (Fw)). Dit brengt onder meer mee dat [schuldenaar] een actueel, compleet en onderbouwd inzicht in zijn schuldenpositie moet verstrekken, voorzien van de gegevens van zijn schuldeisers en de (exacte) hoogte, de ontstaansdata en de ontstaansredenen van zijn schulden.
3.9.
Het hof stelt vast dat het schuldenoverzicht dat [schuldenaar] heeft overgelegd bij zijn verzoek om toelating tot de wsnp tot de nodige onduidelijkheid heeft geleid bij het hof. [schuldenaar] is er onvoldoende in geslaagd deze onduidelijkheden weg te nemen en de noodzakelijke helderheid ten aanzien van zijn schuldenpositie te verschaffen. Het hof licht dat hierna verder toe.
-
[naam2]
Een van deze onduidelijkheden betreft onder meer de door [schuldenaar] opgevoerde schuld van € 1.258.204,88 aan [naam2] waarvan tijdens de mondelinge behandeling is geconstateerd dat [Financial Holding] en niet [schuldenaar] de debiteur is. De omstandigheid dat [naam2] voor de voldoening van de vordering die zij heeft op [Financial Holding] beslag heeft gelegd op de vorderingen die [Financial Holding] op haar beurt heeft op [schuldenaar] , maakt dat niet anders. Dit betekent dat [schuldenaar] de schuld aan [naam2] ten onrechte heeft opgenomen in het door hem overgelegde schuldenoverzicht.
-
Rekening-courant schulden
Daarnaast heeft [schuldenaar] onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke de ontstaansdata zijn van de in het schuldenoverzicht opgenomen rekening-courantschulden aan respectievelijk [Financial Holding] , [Management B.V.] en [naam1] . Volgens de opgave in het schuldenoverzicht zijn deze rekening-courantschulden ontstaan in 2001( [Financial Holding] , 2017 ( [Management B.V.] ) en 2016 ( [naam1] ). Het hof stelt voorop dat de in het schuldenoverzicht vermelde ontstaansdata niet aansluiten bij de door [schuldenaar] overgelegde IB-aangifte over 2021. Daaruit volgt dat de huidige rekening-courant schulden aan [Financial Holding] en [naam5] niet eerder dan in 2019 zijn ontstaan, omdat die volgens die aangifte in de jaren 2018 en 2017 op ‘0’ stonden. De rekening-courant schuld aan [Management B.V.] , die volgens het schuldenoverzicht in 2016 zou zijn ontstaan, komt in de IB-aangifte over 2021 in het geheel niet voor. Volgens [schuldenaar] zijn in de afgelopen drie jaren alleen de rekening-courant schulden aan [Financial Holding] en [Management B.V.] toegenomen. Daarbij heeft [schuldenaar] een overzichtje opgenomen in zijn beroepschrift met als toelichting dat zijn rekening-courant schuld aan [Financial Holding] is toegenomen met € 3.000 in 2023 en met € 78.000 in 2024 en dat zijn rekening-courant schuld aan [Management B.V.] is verhoogd met € 111.000 in 2023, met € 64.000 in 2024 en met € 86.000 in 2025. [schuldenaar] heeft evenwel geen stukken overgelegd waarop de mutaties van de drie rekeningen-courant zichtbaar zijn, waardoor dit overzichtje in het beroepschrift niet door het hof kan worden gecontroleerd. Daar komt bij dat in de IB-aangiftes over die jaren staat dat de rekening-courant schuld aan [Management B.V.] in 2023 met ruim € 125.000 is toegenomen, in 2024 met ruim € 80.000 en in 2025 met ruim € 100.000. Dit zijn fors hogere bedragen dan in het overzichtje in het beroepschrift van [schuldenaar] . Zonder toelichting, die volledig ontbreekt, kan het hof dus niet uitgaan van dat overzichtje van [schuldenaar] . De rekening-courant schuld aan [naam1] komt in dit overzichtje helemaal niet voor. Deze is door [schuldenaar] in het geheel niet voorzien van een nadere onderbouwing aan de hand waarvan de toename van deze schuld in de afgelopen drie jaren kan worden vastgesteld, terwijl uit de IB-aangiftes volgt dat die schuld in die jaren wel degelijk is toegenomen. Hij staat op de crediteurenlijst van [schuldenaar] als een schuld van € 431.231,96, terwijl deze schuld volgens zijn IB-aangifte van 2023 op 31 december 2023 € 381.835 bedroeg.
-
Leningen [Financial Holding]
In het schuldenoverzicht zijn als lening 2017-1, lening 2017-2 en lening 2017-3 drie schulden aan [Financial Holding] opgenomen voor een totaalbedrag van ruim € 1.400.000. [schuldenaar] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt wanneer en onder welke voorwaarden [Financial Holding] deze leningen heeft verstrekt. Hierdoor is het voor het hof niet inzichtelijk wat de aflossings- en renteverplichtingen zijn die [schuldenaar] is overeengekomen met [Financial Holding] en of hij hier in de afgelopen drie jaren aan heeft voldaan.
-
Schuldenlast neemt toe
[schuldenaar] erkent dat hij met zijn huidige salaris niet in staat is de vaste (woon)lasten op grond van de hypothecaire geldlening bij de ING Bank te voldoen. Hieruit leidt het hof af dat de achterstand bij de ING Bank toeneemt. De enkele constatering dat de partner van [schuldenaar] een eigen inkomen heeft waaruit zij zou kunnen bijdragen in de woonlasten en de eenzijdige mededeling van [schuldenaar] aan de ING Bank dat hij met het voldoen van de rentecomponent van de hypothecaire geldlening kan volstaan, maken dat niet anders. Ook overigens heeft [schuldenaar] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de achterstand bij de bank niet is opgelopen.
-
Overzicht niet compleet
Uit de door [schuldenaar] overgelegde IB-aangifte 2025 volgt dat [schuldenaar] naast een hypothecaire geldlening bij de ING Bank ook twee hypothecaire geldleningen is aangegaan met [Financial Holding] . Daarnaast heeft hij een hypothecaire geldlening bij [naam4] B.V. ( [naam4] ). De hypothecaire geldlening bij [naam4] ontbreekt in het door [schuldenaar] overgelegde schuldenoverzicht. Of de hypothecaire geldleningen aan [Financial Holding] wel op dat overzicht voorkomen is onduidelijk. [schuldenaar] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt wanneer en onder welke voorwaarden [Financial Holding] en [naam4] de leningen hebben verstrekt. Hierdoor is het voor het hof onder meer niet inzichtelijk of [schuldenaar] in de afgelopen drie jaren heeft voldaan aan de aflossings- en renteverplichtingen van deze leningen.
-
Mogelijke vordering afwikkeling faillissementen
Mogelijk wordt het schuldenoverzicht van [schuldenaar] nog aangevuld met een door de curator in het faillissement van de aan [schuldenaar] gelieerde ondernemingen in te stellen vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de curator zich volgens [schuldenaar] kritisch heeft uitgelaten over diens rol bij het ontstaan van deze faillissementen. Ook heeft de curator in zijn faillissementsverslag te kennen gegeven in een later stadium van het faillissement nog een rechtmatigheidsonderzoek te zullen uitvoeren. Bovendien zijn in het rapport dat in juni 2025 is opgesteld in het kader van het levensvatbaarheidsonderzoek van [Financial Holding] reeds kanttekeningen geplaats bij de privé-onttrekkingen door [schuldenaar] . Daarbij is als conclusie opgenomen:
“(…) Ten slotte dient de vordering op de aandeelhouder apart bekeken te worden. Een vordering van dergelijke omvang op een aandeelhouder van een onderneming in financiële moeilijkheden is niet passend.(…)”. Door onder de gegeven omstandigheden te volstaan met het enkele betoog dat van een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake is en dat een vordering met die strekking geen kans van slagen heeft, heeft [schuldenaar] de goede trouw bij het ontstaan en het verder laten oplopen van zijn schulden aan deze ondernemingen onvoldoende aannemelijk gemaakt.
3.10.
Uit het bovenstaande volgt dat [schuldenaar] het hof onvoldoende in staat heeft gesteld zijn schulden te toetsen aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw. Dit brengt mee dat [schuldenaar] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de drie jaar voorafgaand aan zijn wsnp verzoek te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden.
Geen beroep op de hardheidsclausule
3.11.
Voor toepassing van de hardheidsclausule is tenminste vereist dat het voldoende aannemelijk is dat [schuldenaar] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen (artikel 288 lid 3 Fw Pro). Hiervan is naar het oordeel van het hof op dit moment nog geen sprake.
3.12.
[schuldenaar] heeft erkend dat er geen sprake is van een financieel stabiele situatie zolang zijn woning niet is verkocht, terwijl nog niet bekend is wanneer die verkoop kan plaatsvinden. Daar komt bij dat ook de verkoop van de woning niet zonder meer zal leiden tot een financieel stabiele situatie voor [schuldenaar] . Gelet op het door [schuldenaar] overgelegde taxatierapport van de woning en het totaalbedrag van de in de IB-aangifte 2025 vermelde openstaande hypothecaire geldleningen bij zowel de ING Bank, [Financial Holding] als [naam4] , staat niet op voorhand vast dat al deze leningen volledig kunnen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning. Bij een ontoereikende verkoopopbrengst zal ook na verkoop van de woning geen sprake zijn van de door [schuldenaar] beoogde financiële stabiliteit. Daar komt bij dat [schuldenaar] zich pas zeer recent, op 18 juni 2026, heeft aangemeld voor budget coaching, zodat ook in dat kader niet blijkt van de bestendige gedragsverandering die [schuldenaar] heeft aangevoerd. Onder de gegeven omstandigheden is er, mede gelet op de aard en de omvang van de schulden, op dit moment onvoldoende reden om [schuldenaar] op grond van de hardheidsclausule toe te laten tot de wsnp.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 7 mei 2026.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, G.P. Oosterhoff en J.G.B. Pikkemaat en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Gelderland, 7 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4649.