Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4649

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
Rek 26-02941
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating tot schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende duurzame gedragsverbetering

De rechtbank Gelderland heeft op 7 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin een voormalig ondernemer een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling (WSNP) indiende. De verzoeker had een aanzienlijke schuldenlast van meer dan vijf miljoen euro en stelde niet in staat te zijn deze zelf af te lossen.

De rechtbank beoordeelde of de verzoeker in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw was geweest met betrekking tot het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden. Gezien de forse privé-opnamen uit zijn ondernemingen en de toename van rekening-courantschulden oordeelde de rechtbank dat de verzoeker niet te goeder trouw was geweest.

Hoewel de verzoeker een beroep deed op de hardheidsclausule, oordeelde de rechtbank dat dit beroep niet slaagde. De verzoeker had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn financiële situatie duurzaam had verbeterd. Zijn inkomen was niet gehalveerd zoals gesteld, hij had recente uitgaven gedaan ondanks betalingsproblemen, en zijn huidige salaris was onvoldoende om vaste lasten te dekken.

De rechtbank concludeerde dat de verzoeker zijn uitgavenpatroon niet duurzaam had aangepast en dat onvoldoende tijd was verstreken sinds hij in loondienst trad om van een gedragsverandering te spreken. Gezien de aard en omvang van de schulden en het gedrag van de verzoeker werd het verzoek tot toelating tot de WSNP afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende duurzame gedragsverbetering en niet te goeder trouw zijn bij het ontstaan van schulden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team Insolventies
Zittingsplaats Zutphen
rekestnummer: Rek 26-02941
uitspraakdatum: 7 mei 2026
Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken
inzake het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
De rechtbank wijst het schuldsaneringsverzoek van [verzoeker] af. De reden hiervoor is dat [verzoeker] in de afgelopen drie jaar niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden. Het beroep van [verzoeker] op de hardheidsclausule slaagt niet, omdat de financiële situatie van [verzoeker] op dit moment nog niet stabiel is.
Hieronder wordt nader uitgelegd hoe de rechtbank tot deze beslissing is gekomen.

1.De procedure

1.1.
Het procesverloop bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoek met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2026;
- de aanvullende stukken bij het verzoekschrift, ontvangen op 2 april en 8 april 2026;
- de zitting van 9 april 2026, waarbij aanwezig waren: [verzoeker] en zijn advocaten mr. P. Nguyen en mr. M. López Gonzalez en [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener;
- de aanvullende stukken bij het verzoekschrift, ontvangen op 23 april 2026.
1.2.
Ten slotte is aangekondigd dat de rechtbank op 7 mei 2026 uitspraak zal doen.

2.Het verzoek

2.1.
[verzoeker] verzoekt toelating tot de schuldsaneringsregeling.
2.2.
[verzoeker] voert hiertoe – onder meer – aan dat hij een schuldenlast heeft van € 5.200.533,94 en dat hij niet in staat is om deze zelf af te lossen.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] af. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
3.2.
Voor toelating tot de schuldsanering moet de rechtbank beoordelen of [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan zijn verzoek te goeder trouw is geweest. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is – zoals [verzoeker] in zijn verzoekschrift zelf ook al stelt. Een aanzienlijk deel van de schuldenlast van [verzoeker] bestaat uit vorderingen in rekening-courant op zijn eigen ondernemingen. Die vorderingen zijn in de afgelopen drie jaar fors toegenomen door grote privé-opnamen van [verzoeker] . Gezien zijn financiële positie was hier geen ruimte voor. Die schulden zijn dus te kwader trouw toegenomen.
3.3.
[verzoeker] beroept zich in zijn verzoekschrift evenwel op de hardheidsclausule. Dat wil zeggen dat [verzoeker] aanvoert dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen. Met een geslaagd beroep op de hardheidsclausule kan [verzoeker] toch tot de schuldsaneringsregeling worden toegelaten. De rechtbank is echter van oordeel dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. De rechtbank komt tot dit oordeel op basis van het volgende.
3.4.
[verzoeker] stelt in zijn verzoekschrift dat hij vanwege de verslechterde financiële positie van zijn ondernemingen zijn salaris als bestuurder, bestaande uit management fees, in november 2021 heeft gehalveerd. Dit blijkt niet uit de stukken bij zijn verzoek. Uit zijn belastingaangiften blijkt dat [verzoeker] in 2021 een inkomen uit eigen bedrijf had van € 185.467 bruto. In 2022 was zijn inkomen € 191.017, in 2023 € 178.224, in 2024 € 167.274 en in 2025 € 170.141. Anders dan [verzoeker] stelt, is zijn inkomen sinds 2021 dus niet gehalveerd.
[verzoeker] heeft daarnaast ter zitting verklaard dat zijn inkomen onvoldoende was, als gevolg waarvan hij tot aan de datum van het faillissement van zijn ondernemingen in februari 2026 forse privé-opnamen heeft gedaan, waardoor de totale rekening-courantschuld aan zijn ondernemingen is opgelopen tot ruim 3 miljoen euro.
3.5.
[verzoeker] heeft in december 2025 nog ruim € 5.500 uitgegeven aan zijn hovenier. Dat terwijl [verzoeker] toen al niet meer in staat was om zijn hypotheeklasten te voldoen. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat het hier ging om betaling van een oude factuur en dat hij de hovenier inmiddels heeft opgezegd. Ook deze stelling wordt niet bevestigd in de stukken; desgevraagd levert [verzoeker] een app-bericht aan de hovenier uit december 2025 aan, waarin hij enkel stelt dat hij jaarlijks ‘niet meer dan 10K wil betalen voor de tuin.’ Van opzeggen is hier geen sprake. Bovendien heeft [verzoeker] in januari 2026 nog eens een bedrag van € 2.500 aan zijn hovenier voldaan.
3.6.
De financiële situatie van [verzoeker] is op dit moment nog niet stabiel. [verzoeker] heeft het faillissement van zijn ondernemingen aangevraagd en is sinds 1 maart 2026 in loondienst getreden. Zijn huidige salaris is lager dan het salaris dat [verzoeker] voorheen aan zichzelf uitkeerde uit zijn ondernemingen en is bovendien onvoldoende om de vaste lasten te voldoen. Hierdoor loopt de hypotheekschuld van [verzoeker] op dit moment verder op. [verzoeker] heeft gesteld dat hierover afspraken gemaakt kunnen worden met de hypotheekverstrekker, maar het is niet gebleken dat [verzoeker] dergelijke afspraken heeft gemaakt, of dat hij hierover in gesprek is met de bank.
3.7.
Anders dan [verzoeker] stelt in zijn verzoek, concludeert de rechtbank dat [verzoeker] zijn uitgavenpatroon niet duurzaam heeft veranderd. Het lijkt erop dat [verzoeker] jarenlang boven zijn stand heeft geleefd en dat nog steeds doet. Het tegendeel heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt. In elk geval heeft [verzoeker] zijn gedrag niet recentelijk zodanig veranderd dat hij geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan en zijn uitgavenpatroon significant heeft aangepast.
3.8.
De rechtbank acht de door [verzoeker] gestelde omstandigheden onvoldoende om, in weerwil van het niet-aannemelijk zijn van de goede trouw, [verzoeker] reeds nu toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft op dit moment onvoldoende de overtuiging dat [verzoeker] zijn financiële gedrag duurzaam heeft verbeterd. Daarnaast weegt ook de aard en de omvang van de schulden mee. De schulden van [verzoeker] zijn grotendeels het gevolg van een fors overbestedingspatroon, dat hij mede mogelijk heeft gemaakt door het doen van privé-opnamen uit zijn ondernemingen, die in de laatste periode nota bene in financieel zwaar weer verkeerden. De rekening-courantschulden zijn, anders dan [verzoeker] stelt, dus niet het gevolg van een ondernemersrisico dat is geweken nu [verzoeker] na het faillissement van zijn ondernemingen in loondienst is gegaan. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat sinds het moment dat [verzoeker] in loondienst is gegaan in maart 2026, onvoldoende tijd is verstreken om te kunnen spreken van een bestendige gedragsverandering. De rechtbank ziet daarom onvoldoende aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.

4.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek van [verzoeker] om toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Gewezen door mr. S. Boot, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen