ECLI:NL:GHARL:2026:4014

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
200.356.973/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:106 BWArt. 3:114 BWArt. 3:118 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verkrijgende verjaring en erfgrens op recreatiepark

Partijen zijn buren op een recreatiepark en hebben een geschil over de ligging van de erfgrens tussen hun percelen. Deshima stelt door verkrijgende verjaring eigenaar te zijn geworden van een strook grond op het perceel van appellant, waarop ook een schuur staat. De kantonrechter stelde beide partijen deels in het gelijk en veroordeelde appellant mee te werken aan inschrijving van de verjaring.

Appellant is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan en betwist dat Deshima bezit heeft gehad van de grond. Het hof oordeelt dat het hoger beroep nog niet kan worden beslist en staat toe dat Deshima bewijs levert van haar bezit tussen 1995 en 2024. Tevens beveelt het hof dat Deshima het relaas van de grensreconstructie van het Kadaster overlegt.

Het hof geeft partijen de gelegenheid om zich uit te laten over de toepasselijkheid van de tienjarige en twintigjarige verjaring en stelt nadere bewijsregels vast, waaronder getuigenverhoren. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd en beoordeeld.

Uitkomst: Het hof wijst bewijsopdracht toe en houdt de beslissing aan over de verkrijgende verjaring van een strook grond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.973/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 11571345
arrest van 16 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. N. Wissink
en
Deshima III B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
advocaat: mr. J.A.M. van de Sande
Partijen worden hierna aangeduid als
[appellant]en
Deshima.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Naar aanleiding van het tussenarrest van het hof van 6 januari 2026 heeft op 12 mei 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het verslag van die zitting (het proces-verbaal) is toegevoegd aan het dossier. Van de zijde van [appellant] is voorafgaand aan de zitting een akte met producties toegezonden (producties 6 t/m 11). Ook die akte met producties is toegevoegd aan het dossier. Aan het slot van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd om opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn elk eigenaar van een perceel met woning op een recreatiepark. De percelen van partijen grenzen aan elkaar. De centrale vraag in deze procedure is of Deshima door verjaring eigenaar is geworden van een deel van het kadastrale perceel van [appellant] .
2.2.
Deshima heeft bij de kantonrechter gevorderd voor recht te verklaren dat zij eigenaar is van een nader aangeduide strook grond op het kadastrale perceel van [appellant] (perceel [nummer1] ). Daarnaast vorderde zij om [appellant] te veroordelen mee te werken aan inschrijving van de verjaring in de openbare registers. [appellant] heeft een tegenvordering ingesteld. [appellant] heeft gevorderd om vast te stellen dat de juridische erfgrens overeenkomt met de kadastrale grens en om Deshima te veroordelen haar schuur te verplaatsen naar haar eigen grond. Ook heeft [appellant] gevorderd – voor het geval dat geoordeeld zou worden dat Deshima de schuur niet hoeft te verplaatsen – aan [appellant] een schadeloosstelling toe te kennen van € 5.000.
2.3.
De kantonrechter heeft op 18 april 2025 over de zaak beslist en daarbij zijn beide partijen deels in het gelijk gesteld. [1] De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Deshima eigenaar is van, kort gezegd, een strook grond op perceel [nummer1] (het kadastrale perceel van [appellant] ) die ligt
onderen
ten zuiden vande schuur van Deshima . [appellant] is veroordeeld om mee te werken aan inschrijving van het rechtsfeit van verjaring in de openbare registers, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Die veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De tegenvordering van [appellant] is toegewezen in zoverre dat de kantonrechter voor recht heeft verklaard dat
ten noordenvan de schuur van Deshima , de juridische erfgrens overeenkomt met de kadastrale grens. Het door partijen meer of anders gevorderde is afgewezen. De kantonrechter heeft bepaald dat partijen de eigen proceskosten moeten dragen.
2.4.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld. [appellant] wil met zijn hoger beroep bereiken dat de vordering van Deshima alsnog volledig wordt afgewezen en dat zijn eigen vordering alsnog volledig wordt toegewezen.
2.5.
Het hof zal in dit arrest nog niet over het hoger beroep beslissen. Het hof zal Deshima toelaten om bewijs te leveren van haar stellingen. Deze beslissing wordt hierna toegelicht. Daarbij geeft het hof eerst een kort overzicht van de feiten.

3.De feiten

3.1.
Deshima is eigenaar van het perceel grond met recreatiewoning aan de [adres1] in [plaats] (plaatselijk bekend als ‘ [adres1] ’). Het perceel is kadastraal bekend als gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , [nummer2] . Deshima was aanvankelijk – vanaf 10 februari 1995 – samen met de heer [naam1] eigenaar van het perceel. Deshima en [naam1] hebben het perceel in 1995 als bouwkavel verkregen en zij hebben op het perceel een recreatiewoning laten bouwen. Op 2 maart 2021 heeft [naam1] zijn onverdeeld aandeel in de eigendom, overgedragen aan Deshima . Deshima gebruikt de woning als recreatiewoning.
3.2.
[appellant] is op 28 oktober 2013 eigenaar geworden van het naastgelegen perceel grond met woning aan de [adres2] in [plaats] (bekend als ‘ [adres2] ’). Het perceel is kadastraal bekend als gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , nummer [nummer1] . [appellant] woont permanent in de woning.
3.3.
De percelen van partijen zijn gelegen op recreatiepark ‘ [naam2] ’. Het park heeft een vereniging van eigenaren. In een reglement van de vereniging zijn regels gegeven over het gebruik van de percelen. Het reglement dat gold van 1995 tot 2023 vermeldt onder meer:

B. REGLEMENT VOOR HET GEBRUIK VAN DE TERREINEN.
B. 1. Het oprichten of aanbrengen van terreinafscheidingen tussen de percelen grond onderling is niet toegestaan. (Terreinafscheidingen zijn bijv. schuttingen, heggen, matten, palen, planken, gaas, draad, etc.). Het aanbrengen van terreinafscheidingen tussen percelen grond en wegen voor gemeenschappelijk gebruik is wel toegestaan, mits uniform van uitvoering en door het bestuur goedgekeurd.
B. 2. Het gebruik van het perceel grond of de begroeiing mag geen afbreuk doen aan het karakter van het bungalowpark.
(…)”
Sinds 6 mei 2023 geldt voor het park een nieuw reglement. Dit nieuwe reglement vermeldt onder meer:

REGLEMENT VOOR HET GEBRUIK VAN DE TERREINEN:
1) Het bungalowpark is van oorsprong een park met bospercelen en dient als zodanig zoveel mogelijk in stand te blijven. Het gebruik van het perceel grond of de begroeiing mag geen afbreuk doen aan het karakter van het bungalowpark.
2) Het aanbrengen van terreinafscheidingen tussen de percelen is niet toegestaan. Hieronder wordt verstaan o.a. schuttingen, matten en/of planken. Het aanbrengen van afscheiding d.m.v. beplanting is wel toegestaan.
3) Bij onduidelijkheid/twijfel over de kadastrale erfgrenzen behorende bij de kavel, en door het veelal ontbreken van piketpalen, dient door de eigenaar zelf het kadaster te worden geraadpleegd/benaderd voor de juiste kavelgrootte en erfgrenzen.
(…)”
3.4.
In 2021 heeft Deshima de schuur die bij haar woning stond, vervangen door een nieuwe, grotere schuur. De achterzijde van de nieuwe schuur is geplaatst op de lijn waar eerder de achterzijde van de oude schuur stond.
3.5.
Eind 2023 of begin 2024 is tussen [appellant] en Deshima discussie ontstaan over de ligging van de erfgrens tussen hun percelen.
3.6.
Op 26 april 2024 heeft het Kadaster in opdracht van Deshima een grensreconstructie uitgevoerd. Uit de grensreconstructie volgt onder meer dat de schuur van Deshima deels op het kadastrale perceel van [appellant] staat (perceel [nummer1] ). Ter hoogte van de kadastrale grens is een rode stip op de grond gezet. De situatie ten tijde van de grensreconstructie was als volgt (de zwarte pijl wijst op de rode stip die de grens markeert; het perceel links (westzijde) is van [appellant] ; het perceel rechts (oostzijde) is van Deshima ; de auto staat naast de woning van Deshima ):
3.7.
De kadastrale grens is ook aangegeven op de volgende foto’s uit maart 2025 (de foto’s zijn gemaakt bij de descente van de kantonrechter van 21 maart 2025 en zijn opgenomen in het vonnis van 18 april 2025; op de foto’s is de kadastrale grens aangeduid met een zwart/rode lijn):
3.8.
Aan de westzijde van de kadastrale grens tussen de twee percelen (op het perceel van [appellant] ) staat begroeiing, bestaande uit onder andere krentenbomen, hazelaars en een berk.
3.9.
Op 5 juli 2024 heeft [appellant] per brief Deshima verzocht om de strook grond tussen de genoemde begroeiing en de kadastrale grens te ontruimen. Daarbij heeft [appellant] Deshima ook verzocht om haar schuur van het kadastrale perceel van [appellant] te verwijderen.
3.10.
Op 30 juli 2024 heeft Deshima per brief aan [appellant] bericht dat zij de strook grond niet zal ontruimen. Deshima heeft zich op het standpunt gesteld dat zij door verjaring eigenaar geworden is van de strook grond.
3.11.
Partijen zijn er niet in geslaagd om in onderling overleg tot een oplossing te komen. In december 2024 heeft [appellant] vervolgens aan zijn zijde van de kadastrale erfgrens een jonge laurierhaag geplaatst (de haag is te zien op de eerste foto die is opgenomen in rov. 3.7).
3.12.
In februari 2025 hebben partijen hun conflict over de erfgrens voorgelegd aan de kantonrechter (de Overijsselse Overlegrechter), dit op grond van artikel 96 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering. Partijen hebben zich daarbij de mogelijkheid van hoger beroep voorbehouden.
3.13.
De kantonrechter heeft op 18 april 2025 op de vorderingen beslist. De kantonrechter oordeelde dat Deshima door verloop van een verjaringstermijn van twintig jaren eigenaar is geworden van een deel van het kadastrale perceel van [appellant] (perceel [nummer1] ). Het gaat daarbij om de grond
onderde schuur van Deshima en een strook grond
ten zuidenvan de schuur van Deshima . Verder is geoordeeld dat
ten noordenvan de schuur, de juridische erfgrens overeenkomt met de kadastrale grens. De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld om mee te werken aan het vastleggen van de verkrijgende verjaring in de openbare registers.
3.14.
[appellant] heeft de jonge laurierhaag die hij in december 2024 bij de kadastrale grens had geplaatst, inmiddels weer verwijderd. Er heeft naar aanleiding van het vonnis van de kantonrechter nog geen inschrijving in de openbare registers plaatsgevonden.

4.De beoordeling

4.1.
[appellant] betoogt in dit hoger beroep dat de kantonrechter ten onrechte geoordeeld heeft dat Deshima door verjaring eigenaar is geworden van een deel van zijn kadastrale perceel. Het hof zal daarom opnieuw beoordelen of Deshima door verjaring eigenaar is geworden van een deel van het kadastrale perceel van [appellant] (perceel [nummer1] ). In dit hoger beroep staat niet meer ter discussie dat
ten noordenvan de schuur van Deshima , de juridische erfgrens gelijk is aan de kadastrale grens. Het gaat alleen nog om de grond
onderde schuur en de grond
ten zuidenvan de schuur.
4.2.
Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Verkrijging van een onroerende zaak door verjaring kan plaatsvinden door het verstrijken van een termijn van twintig jaren. Artikel 3:105 BW Pro bepaalt dat degene die een goed bezit op het moment dat de rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit verjaart, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De verjaringstermijn van een rechtsvordering tot beëindiging van het bezit, begint te lopen op de dag na het verlies van dat bezit, en de termijn is voltooid na twintig jaren (zie artikelen 3:314 lid 2 en 3:306 BW). Verkrijging kan ook plaatsvinden door verstrijking van een termijn van tien jaar. Uit artikel 3:99 BW Pro volgt namelijk dat degene die als bezitter te goeder trouw gedurende tien jaren onafgebroken het bezit heeft van onroerende zaak, de eigendom van die zaak verkrijgt. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Daarbij geldt dat goede trouw vermoed wordt aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen (zie artikel 3:118 BW Pro).
4.3.
Of sprake is van ‘bezit’, moet steeds beoordeeld worden naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. Voor inbezitneming van een zaak die op dat moment in bezit is van een ander, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen niet voldoende. Nodig is dat de machtsuitoefening zodanig is dat deze naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter tenietdoet (zie artikelen 3:108 en 3:113 BW). Degene die zich op verkrijging door verjaring beroept – in dit geval Deshima – moet stellen en zo nodig bewijzen dat aan de voorwaarden daarvoor voldaan is (zie artikel 150 Rv Pro). Dit met dien verstande dat voor wat betreft de goede trouw het genoemde bewijsvermoeden van artikel 3:118 lid 3 BW Pro geldt.
4.4.
Deshima stelt dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van een deel van het kadastrale perceel van [appellant] (perceel [nummer1] ). Volgens Deshima heeft zij – en daaronder vat zij, naar het hof begrijpt, ook haar aanvankelijke deelgenoot [naam1] – vanaf 1995 of in elk geval vanaf 2000 bezit gehad van de grond die onder de huidige schuur ligt en van de grond tussen (aan de westzijde) een lijn van begroeiing en (aan de oostzijde) de kadastrale grens (de grens met perceel [nummer2] ). Volgens Deshima stond er vanaf 1995 een schuur van haar op die grond. Verder heeft Deshima de strook grond vanaf 1995 gebruikt als oprit. Er is geen andere manier om met de auto bij haar woning te komen en dat is ook nooit anders geweest, aldus Deshima . Deshima gebruikte de grond ook om te parkeren en Deshima heeft de grond ook onderhouden of laten onderhouden. Er is steeds sprake geweest van een duidelijk zichtbare erfafscheiding tussen de beide percelen, waarbij de erfgrens werd gemarkeerd door een lijn van begroeiing. Gelet op de door Deshima geplaatste schuur en gezien ook de aanwezige begroeiing, was duidelijk dat de strook grond waar het in dit hoger beroep om gaat, bij de woning van Deshima hoorde. [appellant] en zijn rechtsvoorganger hebben de bedoelde grenslijn ook altijd als erfgrens beschouwd. Dat ook [appellant] ervan uitging dat die lijn de erfgrens was, blijkt ook uit het feit dat [appellant] aan zijn zijde van de bedoelde lijn een houtopslag heeft geplaatst, aldus telkens Deshima . Ter onderbouwing van dit alles wijst Deshima onder meer op de door haar als productie II overgelegde verklaringen van de heer [naam3] en de heer [naam4] .
4.5.
[appellant] betwist dat Deshima door verjaring eigenaar is geworden van een deel van zijn perceel. Volgens [appellant] heeft Deshima nooit bezit gehad van de bedoelde grond. [appellant] merkt op dat de percelen onderdeel zijn van een bungalowpark dat gelegen is in een bosrijke omgeving; overal op en rondom de woningen staan bomen en andere begroeiingen. De aanwezige begroeiing kan, aldus [appellant] , dan ook niet begrepen worden als markering van de juridische erfgrens. Er blijkt nergens uit dat Deshima al vele jaren een schuur op de grond had staan of dat Deshima de grond gebruikte om te parkeren. [appellant] betwist ook dat Deshima de strook onderhouden heeft. Verder was volgens [appellant] geen sprake van een zichtbare oprit. Zo is de strook grond de afgelopen jaren begroeid geweest met onder meer gras; van zichtbare rijsporen was geen sprake. Volgens [appellant] gebruikt Deshima haar woning bovendien maar weinig en komt zij slechts eens in de twee maanden bij de woning. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat sprake is geweest van dusdanige machtsuitoefening door Deshima dat dit naar verkeersopvattingen als ‘bezit’ is aan te merken, aldus telkens [appellant] .
4.6.
Het hof is van oordeel dat bij deze stand van zaken nog niet over het hoger beroep kan worden beslist. Deshima stelt dat zij vele jaren bezit van de strook grond heeft gehad en dat zij zodoende door verjaring eigenaar is geworden. [appellant] heeft dit gemotiveerd betwist. Het hof zal Deshima daarom toelaten om, zoals zij heeft aangeboden, nader bewijs te leveren van het door haar gestelde bezit. Het hof zal Deshima daarbij toelaten tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat Deshima in de periode tussen 10 februari 1995 (de datum waarop Deshima haar perceel samen met [naam1] verkreeg) en 24 juli 2024 (de datum van de sommatie van [appellant] ) een zodanige tijd bezit heeft gehad van het deel van perceel [nummer1] , dat zij door verjaring eigenaar van die grond is geworden.
4.7.
[appellant] wijst erop dat het Kadaster op 26 april 2024 in opdracht van Deshima een grensreconstructie heeft uitgevoerd, maar dat het relaas van bevindingen van de reconstructie niet in het geding is gebracht. Volgens [appellant] heeft Deshima ook geweigerd het relaas aan hem te verstrekken. Het hof acht dat relaas wel van belang voor de beoordeling van het hoger beroep. Het hof zal Deshima daarom op grond van artikel 22 lid 1 Rv Pro bevelen om het relaas van bevindingen alsnog in het geding te brengen.
4.8.
[appellant] wijst er verder op dat Deshima alleen in algemene bewoordingen aanduidt van welk deel van perceel [nummer1] zij door verjaring eigenaar zou zijn geworden. Het hof merkt daarover op dat het op de weg van Deshima ligt om alsnog voldoende duidelijk en concreet uit te doeken te doen van welk deel van het perceel zij door verjaring eigenaar zou zijn geworden (bijvoorbeeld door vermelding van concrete afmetingen en/of duidelijke markeringen). Deshima zal, binnen de gebruikelijke processuele kaders, de gelegenheid hebben haar stellingen op dat punt in het vervolg van deze procedure te verduidelijken.
4.9.
Deshima beroept zich in deze procedure alleen op verkrijging door het verstrijken van een verjaringstermijn van twintig jaren (zie artikelen 3:105 en 3:306 BW). Het hof zal – tenzij Deshima haar vordering uitsluitend beoordeeld wenst te zien op grond van artikelen 3:105 en 3:306 BW – mogelijk echter ambtshalve moeten beoordelen of sprake is van verkrijging door bezit te goeder trouw gedurende een periode van tien jaren (zie artikel 3:99 BW Pro). Het hof zal Deshima in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of zij haar vordering uitsluitend op grond van artikelen 3:105 en 3:306 BW beoordeeld wenst te zien. Partijen krijgen – voor het geval dat gezien het antwoord van Deshima op de genoemde vraag aan de orde is – ook de gelegenheid zich (nader) uit te laten over de vraag of, als komt vast te staan dat sprake is van bezit van de grond door Deshima , (ook) voldaan is aan de verdere vereisten van artikel 3:99 BW Pro. Het hof is overigens voorshands van oordeel dat uit onder meer het gegeven dat Deshima haar perceel in 1995 (met [naam1] ) verkreeg als bouwperceel en zij daarna op dat perceel een woning liet bouwen, volgt dat Deshima wist of redelijkerwijs moest weten dat haar perceel geen ruimte bood voor (onder andere) een ruime oprit / toegangsweg aan de westzijde van het perceel. Het hof merkt daarbij op dat Deshima ter zitting bij het hof heeft verklaard dat de elektrakast die te zien is op de hiervoor in rov. 3.6 en 3.7 weergegeven foto’s, ook in 1994/1995 al aanwezig was. Het vermoeden van artikel 3:118 BW Pro is in zoverre dan ook weerlegd. Mocht Deshima haar vordering niet uitsluitend op grond van artikel 3:105 en Pro 3:306 BW beoordeeld wensen te zien en mocht zij menen dat wél aan de vereisten van artikel 3:99 BW Pro voldaan is, dan dient zij (en vervolgens [appellant] ) de hierna te noemen gelegenheid voor bewijslevering ook te gebruiken voor levering van (tegen)bewijs op dat punt.
4.10.
Het hof merkt tot slot op dat Deshima , voor het geval haar beroep op verkrijgende verjaring verworpen zou worden, voor wat betreft de schuur verzocht heeft om toepassing te geven aan artikel 5:54 BW Pro. Of het beroep op die bepaling kan slagen, zal zo nodig in een later stadium van deze procedure dus nog aan de orde komen.
4.11.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
beveelt Deshima om op de rolzitting van
dinsdag 14 juli 2026bij akte in het geding te brengen: het relaas van bevindingen van het Kadaster, opgesteld naar aanleiding van de grensreconstructie die het Kadaster op 26 april 2024 heeft uitgevoerd;
5.2.
laat Deshima toe te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat Deshima (of een derde zoals Deshima ’s gedeeltelijke rechtsvoorganger [naam1] ) in de periode tussen 10 februari 1995 en 24 juli 2024 een zodanige tijd bezit heeft gehad van een door Deshima nader te specificeren deel van het kadastrale perceel van [appellant] (het perceel kadastraal bekend als gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , nummer [nummer1] ) dat Deshima door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van dat deel van het perceel;
5.3.
bepaalt dat Deshima op
dinsdag 14 juli 2026(a) eventuele nadere bewijsstukken in het geding dient te brengen, (b) zich dient uit te laten over de vragen als vermeld in rov. 4.9 van dit arrest, en (c) zich dient uit te laten over de vraag of zij getuigen wil doen horen;
5.4.
bepaalt dat Deshima , als zij getuigen wil doen horen, op
dinsdag 14 juli 2026moeten laten weten hoeveel getuigen zij wil laten horen, met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Het hof stelt vervolgens de dag en het tijdstip van het verhoor vast; dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is;
5.5.
bepaalt dat [appellant] vervolgens
een termijn van vier wekenkrijgt voor het indienen van een antwoordakte (met een reactie op de akte van Deshima als bedoeld onder 5.1 en 5.3 en de daarbij door Deshima overgelegde stukken);
5.6.
bepaalt dat als getuigen worden gehoord, raadsheer-commissaris mr. A.A.J. Smelt de getuigen zal verhoren in het Paleis van Justitie aan het Wilhelminaplein 1 in Leeuwarden. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn;
5.7.
bepaalt dat Deshima de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof moet opgeven;
5.8.
bepaalt dat een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie van die stukken moet sturen;
5.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, P.S. Bakker en C.P. Lunter, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 18 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2506.