ECLI:NL:GHARL:2026:3925

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
200.369.189
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen faillietverklaring met vernietiging en afwijzing verzoek

De rechtbank Overijssel verklaarde appellant op 13 mei 2026 in staat van faillissement wegens het niet kunnen voldoen aan vorderingen van meerdere schuldeisers. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze faillietverklaring.

Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de aanvragers een gezamenlijk vorderingsrecht van circa € 90.000,- hebben en dat appellant daarnaast schulden heeft bij andere schuldeisers. Cruciaal was de beoordeling of appellant op het moment van het arrest nog in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen.

Het hof nam mee dat appellant een bedrag van € 50.000,- op een derdengeldenrekening van haar advocaat had gestort, dat het boedelverslag een saldo van ongeveer € 80.000,- op de boedelrekening vermeldde en dat er circa € 10.000,- op een g-rekening beschikbaar was. Hiermee was ruim voldoende vermogen aanwezig om de schuldeisers en faillissementskosten te voldoen. De curator beschouwde appellant bovendien als een levensvatbare onderneming met voldoende verdiencapaciteit.

Op grond hiervan vernietigde het hof het vonnis van faillietverklaring en wees het verzoek tot faillietverklaring af. Appellant werd veroordeeld tot betaling van de faillissementskosten van € 11.500,- exclusief btw.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van faillietverklaring en wijst het verzoek tot faillietverklaring af wegens voldoende middelen om schuldeisers te voldoen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.369.189
faillissementsnummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo [zaaknummer]
arrest van 15 juni 2026
in de zaak van:
[appellant] ( [appellant] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. G. de Gelder
tegen

1.Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid

die is gevestigd in Amsterdam

2. Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra

die is gevestigd in Harderwijk

3. Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra

die is gevestigd in Harderwijk
hierna gezamenlijk: de aanvragers
advocaat: mr. S.K. Tuithof

1.De procedure bij de rechtbank

Bij vonnis van 13 mei 2026 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, [appellant] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. G.W. Weenink tot curator.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof tegen dat vonnis. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het tijdig ingediend beroepschrift met bijlagen;
  • de brief van de curator van 4 juni 2026 met het boedelverslag en een reactie op het beroepschrift, met bijlagen;
  • de brief van 5 juni 2026 van mr. De Gelder met bijlage;
  • het e-mailbericht van 8 juni 2026 van mr. Tuithof; en
  • de brief van 8 juni 2026 van mr. De Gelder met bijlagen.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Hierbij zijn verschenen:
  • namens [appellant] de heer [bestuurder van appellant] , bijgestaan door mr. De Gelder;
  • namens de aanvragers mr. Tuithof via Teams-verbinding; en
  • de curator.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Het oordeel van de rechtbank
3.1.
De rechtbank heeft [appellant] in staat van faillissement verklaard omdat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van de aanvragers en van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [appellant] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
Het juridisch kader
3.2.
Het hof stelt voorop dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken als summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager en ook van het (op het moment van het wijzen van dit arrest) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft (het zogenoemde pluraliteitsvereiste) is een noodzakelijke, maar niet een voldoende, voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand. Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, moet worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. [1]
Het vorderingsrecht en pluraliteit van schuldeisers
3.3.
In hoger beroep staat vast dat ieder van de aanvragers een vordering op [appellant] heeft en die drie vorderingen samen zijn inmiddels opgelopen tot een totaalbedrag van ongeveer € 90.000,- inclusief rente en kosten. Daarmee is voldaan aan het pluraliteitsvereiste, terwijl uit het door de curator in hoger beroep overgelegde crediteurenoverzicht overigens blijkt dat [appellant] een schuldenlast heeft van € 32.881,62, bij diverse andere schuldeisers.
De toestand van te hebben opgehouden te betalen
3.4.
Het hof stelt voorop dat per het moment van het wijzen van dit arrest (ex nunc) moet worden beoordeeld of [appellant] in de toestand van te hebben opgehouden te betalen verkeert. Daarbij is van belang of op dat moment voldoende middelen beschikbaar zijn om de vorderingen van de aanvragers, de vorderingen van de geverifieerde schuldeisers en de kosten van het faillissement te voldoen.
3.5.
[appellant] heeft ter zitting verklaard en met bankafschriften onderbouwd, dat een bedrag van € 50.000,- is overgeboekt op de derdengeldenrekening van haar advocaat. Dit bedrag zal bij vernietiging van het faillissement worden aangewend om haar schuldeisers te voldoen, aldus [appellant] . Daarnaast volgt uit het boedelverslag en de verklaringen van de curator en [appellant] dat het saldo op de boedelrekening ongeveer € 80.000,- bedraagt en dat deel van het saldo op de g-rekening dat in de boedel valt ongeveer € 10.000,- bedraagt. Dit betekent dat er een saldo van ongeveer € 140.000,- beschikbaar is om de schuldeisers te voldoen. Afgezet tegen het totaalbedrag van de vorderingen van de aanvragers ter hoogte van ongeveer € 90.000,- inclusief rente en kosten, de bij de curator ingediende vorderingen van in totaal € 32.881,62 en de kosten van het faillissement ter hoogte van € 11.500,- exclusief btw volgt hieruit dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de schuldeisers af te kunnen lossen. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat de curator [appellant] beschouwt als een levensvatbare onderneming met voldoende verdiencapaciteit. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] niet (meer) in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
De conclusie
3.6.
Het vonnis zal worden vernietigd. Daarbij wordt [appellant] veroordeeld om de faillissementskosten zoals opgenomen in het dictum te voldoen.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 13 mei 2026 en beslist als volgt:
4.2.
wijst het verzoek tot faillietverklaring ten aanzien van [appellant] af;
4.3.
veroordeelt [appellant] in de faillissementskosten, vastgesteld op € 11.500,- exclusief btw voor het salaris van de curator.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, G.J. Meijer, en N.M. Brouwer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 7 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2743,