Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[schuldenaar]
Woningfonds
1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank
2.Het verloop van de procedure in hoger beroep
3.De relevante feiten
4.Het oordeel van het hof
. [1]
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 22 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake een verzoek van [schuldenaar] om Woningfonds te bevelen in te stemmen met een schuldenregeling. De rechtbank Noord-Nederland had eerder, op 19 november 2025, dit verzoek afgewezen. Het hof oordeelde dat het indienen van een verzoek om een dwangakkoord niet tot de taken van de beschermingsbewindvoerder behoort. De schuldenlast van [schuldenaar] bedraagt € 29.910,49, en hij is onder beschermingsbewind geplaatst vanwege een WIA-uitkering. De rechtbank had eerder de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning uitgesproken, maar de tenuitvoerlegging daarvan was geschorst in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Het hof concludeerde dat de beschermingsbewindvoerder niet bevoegd was om het verzoek in te dienen, maar dat [schuldenaar] ontvankelijk was in zijn hoger beroep. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, omdat Woningfonds akkoord was gegaan met de minnelijke schuldregeling en er geen sprake was van een weigerachtige schuldeiser. De proceskostenveroordeling werd afgewezen.