Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3592

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.359.064
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 BWArt. 6:230 lid 2 BWArt. 6:237 BWArt. 6:233 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging overeenkomst wegens vroegtijdige beëindiging klantrelatie en afwijzing dwalings- en onredelijk bezwarend beding beroep

In deze civiele zaak vordert [appellante] betaling van misgelopen inkomsten en rente wegens vermeende onrechtmatige voortijdige beëindiging van haar opdrachtovereenkomst met Harvey Nash. De overeenkomst voorzag in werkzaamheden bij klant RWE tot 31 december 2024, maar Harvey Nash beëindigde de opdracht eerder vanwege het beëindigen van haar contract met RWE.

[Appellante] stelde dat zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een vaste looptijd tot eind 2024, dat zij dwalingsgronden had wegens onvoldoende informatie over het beëindigingsbeding in de algemene voorwaarden, en dat het beding onredelijk bezwarend was. Het hof oordeelde dat het beding in artikel 7.4 AV duidelijk bepaalt dat de overeenkomst eindigt bij beëindiging van de klantrelatie, dat de algemene voorwaarden integraal deel uitmaken van de overeenkomst, en dat er geen sprake is van dwaling of onredelijk bezwarend beding.

Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid faalde omdat de financiële gevolgen onvoldoende waren onderbouwd en het risico contractueel was gecompenseerd. De vordering tot betaling van rente en incassokosten wegens te late betaling werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde [appellante] tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van [appellante] af, met veroordeling tot proceskostenbetaling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.064
zaaknummer rechtbank 581818
arrest van 2 juni 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [appellante]
advocaat: mr. W. Boeters
en
Harvey Nash B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
hierna: Harvey Nash
advocaat: mr. D. van der Leij

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank) op 4 juni 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het tussenarrest van 17 februari 2026
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 2 april 2026 is gehouden

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellante] en Harvey Nash zijn overeengekomen dat [appellante] werkzaamheden zal verrichten bij een klant van Harvey Nash, RWE. [appellante] vindt dat Harvey Nash zich niet aan de afspraken heeft gehouden omdat Harvey Nash de opdracht eerder dan de in de overeenkomst opgenomen einddatum heeft beëindigd. Zij vindt dat Harvey Nash de daardoor misgelopen inkomsten aan haar moet betalen. Ook vindt [appellante] dat Harvey Nash facturen te laat heeft betaald, waardoor Harvey Nash rente en incassokosten is verschuldigd.
2.2.
[appellante] heeft bij de rechtbank gevorderd dat Harvey Nash wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 80.640, subsidiair € 3.137,65, met nevenvorderingen.
2.3.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. [appellante] vordert daarbij in hoger beroep tevens een verklaring voor recht dat de overeenkomst is vernietigd, althans vernietigbaar is, althans een verklaring voor recht dat Harvey Nash is tekortgeschoten en subsidiair (onder meer) dat wordt vastgesteld dat de voortijdige beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
2.4.
Het hof zal beslissen dat het vonnis van de rechtbank in stand blijft en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De relevante feiten
3.1.
[appellante] verricht vanuit haar eenmanszaak administratieve werkzaamheden voor bedrijven. Harvey Nash richt zich op het werven en selecteren van opdrachtnemers voor projecten van haar klanten. Harvey Nash sluit daartoe afzonderlijke overeenkomsten met haar klanten en met haar opdrachtnemers.
3.2.
In februari 2023 hebben [appellante] en Harvey Nash een overeenkomst van opdracht gesloten (hierna: de overeenkomst). Deze opdracht hield in dat [appellante] werkzaamheden zou verrichten bij RWE, een klant van Harvey Nash. [appellante] stuurde daarvoor maandelijks facturen naar Harvey Nash. Het uurtarief bedroeg € 80,- exclusief btw. De einddatum van de opdracht was 31 december 2024.
3.3.
Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Harvey Nash van toepassing verklaard (hierna: AV). Artikel 7.4 AV (hierna: het beding) bevat de volgende bepaling:

De Overeenkomst van Opdracht eindigt van rechtswege, zonder dat daarvoor opzegging is vereist, indien en zodra de specifieke opdrachtovereenkomst tussen Harvey Nash en RWE (zijn de inkooporder, de purchase order, deelovereenkomst etc.) op grond waarvan de Overeenkomst van Opdracht met Opdrachtnemer werd overeengekomen, om welke reden dan ook, eindigt. Opdrachtnemer realiseert zich dat dit met zich mee kan brengen dat hij zonder opzegtermijn geconfronteerd kan worden met een plotseling einde van de Overeenkomst van Opdracht. Dit risico is, gelet op de branche waarin Partijen werkzaam zijn, en de positie die Harvey Nash daarin bekleedt, onvermijdelijk.
3.4.
RWE heeft haar overeenkomst met Harvey Nash per 17 juli 2024 beëindigd. Op 17 juli 2024 heeft [appellante] voor het laatst bij RWE gewerkt.
3.5.
Op 1 en 24 december 2024 heeft [appellante] een gelijkluidende e-mail van de servicedesk van Harvey Nash ontvangen, waarin staat:

De opdracht van [appellante] bij RWE[…]
loopt volgens onze informatie af per 31-12-2024. Indien de overeenkomst verlengd dient te worden verzoeken wij u dit tijdig met u inhurende manager te bespreken.
Ook zouden wij u willen verzoeken om via onderstaande knoppen aan te geven of u verwacht dat het contract verlengd wordt, of dat het contract zal aflopen.[…]”
De klachten tegen het vonnis van de rechtbank
3.6.
[appellante] heeft een aantal klachten (‘grieven’) tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld. Samengevat voert [appellante] aan dat:
  • zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat was overeengekomen dat de vaste looptijd van de overeenkomst tot 31 december 2024 was;
  • zij heeft gedwaald;
  • artikel 7.4 AV op grond van reflexwerking onredelijk bezwarend is;
  • het beroep van Harvey Nash op artikel 7.4 AV naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;
  • Harvey Nash de facturen te laat heeft betaald en dus rente en incassokosten is verschuldigd.
Wat zijn partijen overeengekomen?
3.7.
In de overeenkomst staat dat de opdracht is afgerond op 31 december 2024 en dat dit de einddatum van de opdracht is. In afwijking daarvan bepaalt artikel 7.4 AV dat de overeenkomst eerder kan eindigen, namelijk in het geval dat de overeenkomst tussen Harvey Nash en RWE eindigt. In die situatie eindigt de overeenkomst van rechtswege en zonder opzegging althans zonder opzegtermijn, zo bepaalt artikel 7.4 AV.
3.8.
Gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 7.4 AV laat dit beding zich niet anders uitleggen dan dat in een specifieke situatie, namelijk dat RWE de overeenkomst met Harvey Nash beëindigt, de overeenkomst met [appellante] met onmiddellijke ingang eindigt, althans dat Harvey Nash deze met onmiddellijke ingang mag beëindigen. Dat het beding niet zou gelden of niet relevant zou zijn omdat het in de algemene voorwaarden staat en niet in de overeenkomst zelf maakt dat niet anders; de algemene voorwaarden maken ook deel uit van de afspraken tussen [appellante] en Harvey Nash.
3.9.
[appellante] heeft echter gesteld dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de datum van 31 december 2024 een vaste looptijd was, en dat haar overeenkomst met Harvey Nash hoe dan ook, dus óók in de situatie dat RWE de overeenkomst met Harvey Nash zou beëindigen, tot dat moment zou doorlopen. Ter onderbouwing daarvan wijst zij op de e-mails die zij op 1 en 24 december 2024 van Harvey Nash heeft ontvangen, waarin Harvey Nash dit volgens haar expliciet heeft toegezegd. Deze e-mails vormen echter geen basis voor het gestelde gerechtvaardigde vertrouwen dat dit tussen partijen was overeengekomen. Deze e-mails zijn immers ontvangen nadat de overeenkomst al was beëindigd (althans [appellante] niet meer bij RWE werkte) en kunnen dus alleen daarom al niet bijdragen aan een gewekt vertrouwen rond het sluiten van de overeenkomst. Harvey Nash heeft bovendien aangevoerd dat dit automatisch gegenereerde e-mails betreffen, waaraan geen verdere bedoeling of betekenis kan worden toegekend. Dit heeft [appellante] niet (voldoende) weersproken. Van een toezegging is dan ook geen sprake. Het gestelde gerechtvaardigde vertrouwen dat de overeenkomst – in weerwil van het duidelijk geformuleerde beding in artikel 7.4 AV – niettemin zou doorlopen, strookt bovendien niet met het feit dat [appellante] na 17 juli 2024 daadwerkelijk geen werkzaamheden meer voor RWE heeft verricht.
3.10.
Partijen zijn dus overeengekomen dat de overeenkomst met [appellante] zonder opzegtermijn eindigt, althans Harvey Nash deze zonder opzegtermijn mag beëindigen in de situatie dat RWE haar overeenkomst met Harvey Nash beëindigt. Dat RWE de overeenkomst met Harvey Nash heeft beëindigd en die specifieke situatie zich dus heeft voorgedaan, heeft [appellante] niet betwist.
Geen sprake van dwaling
3.11.
In hoger beroep heeft [appellante] aangevoerd dat sprake zou zijn van dwaling (artikel 6:228 BW Pro). Volgens [appellante] heeft Harvey Nash haar mededelingsplicht geschonden door niet ondubbelzinnig te waarschuwen dat de opdracht op grond van artikel 7.4 AV eerder kon eindigen dan 31 december 2024.
3.12.
Voor een beroep op dwaling is vereist (1) dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken, (2) een causaal verband tussen de dwaling en de totstandkoming van de overeenkomst en (3) in dit geval: dat de wederpartij de dwalende had moeten inlichten, omdat voor haar kenbaar was dat het betreffende punt voor de ander van doorslaggevend belang was.
3.13.
Uit de stellingen van [appellante] blijkt onvoldoende dat sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken. Niet gebleken is waaruit die onjuiste voorstelling van zaken dan bestond, anders dan dat [appellante] artikel 7.4 AV niet (goed) heeft gelezen. Dat vormt geen grond voor dwaling. Uit de overeenkomst volgt bovendien dat [appellante] de AV heeft ontvangen en van de inhoud kennis heeft genomen. Dat heeft [appellante] op de mondelinge behandeling in hoger beroep nogmaals bevestigd. Voor zover de onbekendheid met de inhoud van de AV al als onjuiste voorstelling van zaken kan worden aangemerkt, komt die onbekendheid daarom voor risico van [appellante] . Het argument dat artikel 7.4 AV niet in de (hoofd)overeenkomst zelf is vermeld maar in de algemene voorwaarden levert evenmin een dwalingsgrond op, omdat de algemene voorwaarden onderdeel uitmaken van wat partijen zijn overeengekomen. Ook met betrekking tot de overige vereisten voor een geslaagd beroep op dwaling heeft [appellante] onvoldoende naar voren gebracht. Onduidelijk is dat en waarom artikel 7.4 AV voor [appellante] van doorslaggevend belang was, dat dit voor Harvey Nash kenbaar was en zij [appellante] had moeten inlichten en dat [appellante] de overeenkomst in dat geval niet had gesloten. Van dwaling is dan ook geen sprake.
3.14.
Nu het beroep op dwaling niet slaagt, komt het hof evenmin toe aan de beoordeling van het beroep dat [appellante] heeft gedaan op artikel 6:230 lid 2 BW Pro (wijziging van de overeenkomst ter opheffing van nadeel).
Geen sprake van reflexwerking; artikel 7.4 AV niet onredelijk bezwarend
3.15.
[appellante] stelt dat haar via reflexwerking een beroep op de grijze lijst (artikel 6:237 BW Pro) toekomt. Vanwege de economische ongelijkheid tussen haar en Harvey Nash is zij gelijk te stellen aan een consument. Artikel 7.4 AV is volgens [appellante] op grond van artikel 6:237 onder Pro d BW onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar.
3.16.
Hoewel (eventuele) economische ongelijkheid tussen partijen
kanmeewegen bij de beoordeling van reflexwerking, is die enkele omstandigheid daarvoor niet voldoende. [appellante] heeft geen andere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zij zou moeten worden gelijkgesteld met een consument. Bovendien maakt de overeenkomst die [appellante] heeft gesloten deel uit van haar beroepsactiviteiten. [appellante] is de overeenkomst dus vanuit een zakelijke hoedanigheid aangegaan. Reflexwerking is daarom niet aan de orde.
3.17.
Zou dit al anders zijn, dan is van een onredelijk bezwarend beding geen sprake. [appellante] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat en waarom het beding onder artikel 6:237 sub d BW Pro zou vallen. Harvey Nash heeft op haar beurt gemotiveerd aangevoerd dat en waarom zij belang heeft bij het bepaalde in artikel 7.4 AV. Indien RWE de overeenkomst met Harvey Nash beëindigt, vallen voor Harvey Nash ook de inkomsten weg waarmee zij [appellante] betaalt. Het is in de onderhavige situatie niet onredelijk om dat risico contractueel door te leggen aan de uiteindelijke opdrachtnemer die ook geen werkzaamheden meer verricht. Daarbij weegt mee dat [appellante] niet heeft weersproken dat zij voor dit risico is gecompenseerd door middel van het overeengekomen uurtarief. Om dezelfde reden is de bepaling ook naar de algemene norm van artikel 6:233 onder Pro a BW niet onredelijk bezwarend.
Het beroep op artikel 7.4 AV is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
3.18.
[appellante] heeft gesteld dat het beroep van Harvey Nash op artikel 7.4 AV naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW Pro), gezien de grote financiële gevolgen voor [appellante] .
3.19.
De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt naar haar aard zeer terughoudend toegepast. De reden daarvoor is dat een contractuele bepaling nu eenmaal tussen partijen is overeengekomen, en dat niet met een beroep op de redelijkheid en billijkheid eenvoudig terzijde moet kunnen worden geschoven. Er geldt dus een strenge maatstaf. Daar is in dit geval niet aan voldaan. [appellante] heeft daartoe onvoldoende aangevoerd. De gestelde grote financiële gevolgen heeft [appellante] niet onderbouwd. Dat had wel op haar weg gelegen, zeker in het licht van de uitleg die Harvey Nash heeft gegeven over haar belang bij artikel 7.4 AV en het gegeven dat [appellante] ’ uurtarief een compensatie voor dit risico inhield. Het beroep van Harvey Nash op artikel 7.4 AV is daarom niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Facturen tijdig betaald; geen rente en incassokosten verschuldigd
3.20.
[appellante] vordert subsidiair betaling van rente en incassokosten, omdat Harvey Nash haar facturen meermaals te laat zou hebben betaald. Dat dit het geval zou zijn, is echter onvoldoende gebleken. [appellante] heeft ter onderbouwing van dit standpunt weliswaar stukken in het geding gebracht, maar die zijn ook na de mondelinge behandeling voor het hof een zoekplaatje gebleven: de stukken zijn onduidelijk en vrijwel onleesbaar. Niet is gebleken om welke facturen het gaat, wanneer die facturen zijn verstuurd, wanneer de bijbehorende (door RWE ondertekende) urenstaten zijn verstuurd en wanneer er wel of niet door Harvey Nash is betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellante] dit ook niet (voldoende) kunnen toelichten en bleken de stukken ook voor haar advocaat te klein afgedrukt om te kunnen lezen. Nog los van de discussie wat precies de betalingstermijn was (of nader is overeengekomen dat niet pas 30 dagen na ontvangst van de ondertekende urenstaat werd betaald maar 30 dagen na de factuurdatum), heeft [appellante] daarmee onvoldoende gesteld. Het hof komt daarom ook niet toe aan bewijslevering en passeert het door [appellante] gedane bewijsaanbod. Volledigheidshalve wordt overwogen dat zelfs als er een keer op een afwijkende manier zou zijn betaald, dat gegeven op zich nog niet betekent dat partijen daarmee dus een van de overeenkomst afwijkende betaaltermijn zijn overeengekomen.
De conclusie
3.21.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellante] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [2]
3.22.
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 4 juni 2025;
4.2.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van Harvey Nash:
€ 2.255 aan griffierecht
€ 4.704 aan salaris van de advocaat van Harvey Nash (2 procespunten x het toepasselijke tarief IV);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, C. Bakker en N.M. Brouwer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 4 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3356.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.