ECLI:NL:GHARL:2026:3463

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
200.366.687
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 2 BWArt. 7:681 BWArt. 7:685 BWWet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over onregelmatig ontslag op staande voet en billijke vergoeding

D-Reizen heeft [werkneemster] op staande voet ontslagen wegens vermeend misbruik van het interne boekingssysteem en onregelmatigheden bij restituties. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag deels onterecht was en kende vergoedingen toe. In hoger beroep betwist D-Reizen dit en vordert terugbetaling van vergoedingen en een gefixeerde schadevergoeding.

Het hof stelt vast dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven voor de restitutiekwestie, maar wel voor het samengestelde geheel van beide kwesties. Echter, de feiten en omstandigheden rondom de verzekeringsclaim (de kwestie Allianz) zijn onvoldoende ernstig om ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Ook de restitutiekwestie vormt geen dringende reden, mede omdat de werknemer niet duidelijk op de hoogte was van de interne procedures.

Het hof vernietigt het oordeel van de kantonrechter over de billijke vergoeding en wijzigt deze naar een iets hoger bedrag van € 23.688,60 bruto, rekening houdend met WW-uitkering en de verwachte duur van de arbeidsrelatie bij een lichtere sanctie. De overige vergoedingen blijven in stand. D-Reizen wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, [werkneemster] in die van het incidenteel hoger beroep.

Uitkomst: Ontslag op staande voet onterecht; billijke vergoeding verhoogd naar € 23.688,60 bruto.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.687
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad 11868687
beschikking van 1 juni 2026
in de zaak van
D-Reizen Retail B.V. (D-Reizen)
gevestigd in ’s-Hertogenbosch
advocaat: mr. S. Rötscheid
en
[werkneemster] ( [werkneemster] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. D.C. Soetens

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
D-Reizen heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 17 december 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking) [1] . Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep
  • op 17 april 2026 toegezonden producties van D-Reizen
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep
  • op 22 april 2026 toegezonden producties van [werkneemster]
1.2
Op 24 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.

2.De kern van de zaak

2.1
D-Reizen heeft [werkneemster] op staande voet ontslagen. [werkneemster] heeft berust in dat ontslag, maar zij vindt dat ontslag onterecht. Zij maakt, voor zover in hoger beroep van belang, aanspraak op vergoeding wegens onregelmatig ontslag, de transitievergoeding en een billijke vergoeding.
2.2
De kantonrechter oordeelde dat een van de twee redenen voor ontslag niet ernstig genoeg was en het ontslag om de andere reden niet onverwijld is gegeven. De verzochte vergoedingen zijn toegewezen, zij het dat de billijke vergoeding lager was dan verzocht.
2.3
D-Reizen voert in hoger beroep aan dat het ontslag wel onverwijld en terecht is gegeven en dat de vergoedingen die zij moest betalen door [werkneemster] terugbetaald moeten worden. Daarnaast maakt zij aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding voor het geven van aanleiding voor ontslag op staande voet, zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW Pro.
2.4
[werkneemster] vraagt in het door haar ingestelde hoger beroep om toewijzing van een hogere billijke vergoeding, te weten het bedrag van € 41.287,53 bruto (24 bruto maandsalarissen) waarop zij ook in de kantonprocedure al aanspraak maakte.
2.5
Het hof zal bepalen dat het hoger beroep van D-Reizen niet slaagt. Het hoger beroep van [werkneemster] slaagt voor een zeer gering deel.
Het hof licht hieronder toe hoe het tot deze uitkomst komt, nadat eerst de feiten zijn vastgesteld.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

de feiten
3.1
[werkneemster] is [sinds] 2007 in dienst bij D-Reizen als reisadviseur allround. Haar loon is € 1.857.93 (inclusief 8% vakantietoeslag) per maand op basis van een arbeidsomvang van 24 uur per week. Laatstelijk werkte zij in de winkel in [plaats] .
3.2
In juni en juli 2024 hebben [werkneemster] en haar echtgenoot een rondreis door de VS willen maken. [werkneemster] heeft daarvoor bij D-Reizen vliegtickets geboekt voor de vlucht van Amsterdam naar San Francisco en terug van Los Angeles naar Amsterdam. Huurauto’s, accommodaties en binnenlandse vluchten heeft [werkneemster] bij andere aanbieders geboekt.
Kort na aankomst in de VS werd [werkneemster] ernstig ziek opgenomen in een ziekenhuis. Ongeveer een week later zijn [werkneemster] en haar echtgenoot vervroegd teruggereisd naar huis.
[werkneemster] is arbeidsongeschikt gebleven tot eind mei 2025. Omstreeks 26 mei 2025 heeft zij zich hersteld gemeld.
3.3
[werkneemster] en haar echtgenoot hebben voor de afgebroken Amerikareis en de medische kosten aanspraak gemaakt op uitkeringen onder de reis- en annuleringsverzekering die zij bij Allianz hadden afgesloten. Op 2 september 2024 heeft [werkneemster] in het boekingssysteem van D-Reizen een overzicht gemaakt van de via D-Reizen geboekte tickets, aangevuld met de bij andere aanbieders gemaakte boekingen. Het aldus samengestelde overzicht, op briefpapier van D-Reizen met opschrift ‘boekingsbevestiging’, heeft zij geprint en bij Allianz ingediend. Daarna heeft [werkneemster] dat dossier in het systeem van D-Reizen geannuleerd. De indiening bij Allianz heeft tot uitkering van het maximaal verzekerde bedrag onder de annuleringsverzekering geleid, een lager bedrag dan de opgevoerde kosten.
3.4
Op 19 juni 2025 werd [werkneemster] uitgenodigd voor een op 23 juni 2025 te houden gesprek in het hoofdkantoor te ’s-Hertogenbosch. In dat gesprek met de financieel directeur en de bedrijfsjurist van D-Reizen werd zij geconfronteerd met een aantal bevindingen van D-Reizen over mogelijk oneigenlijk gebruik van het interne boekingssysteem. In drie gevallen had [werkneemster] boekingen gemaakt ten behoeve van de vennootschap van haar echtgenoot, waarvoor door die vennootschap was betaald. Die boekingen zijn vervolgens geannuleerd waarna het betaalde bedrag niet is terugbetaald aan de vennootschap maar aan de echtgenoot van [werkneemster] privé. D-Reizen heeft uitleg gevraagd en [werkneemster] erop gewezen dat deze gang van zaken in strijd is met de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), dat D-Reizen een meldingsplicht heeft bij ongebruikelijke transacties en dat zij gehouden is nadere controle uit te voeren op door [werkneemster] behandelde dossiers. In de brief waarmee D-Reizen het gesprek van die dag bevestigde, heeft D-Reizen ook melding gemaakt van nog drie andere dossiers waarover zij vragen had, waaronder het ingetrokken dossier met het onder 3.3 bedoelde document van 2 september 2024. Daarop verwachtte zij uiterlijk 26 juni 2025 een reactie zodat zij die kon betrekken bij het verdere onderzoek.
[werkneemster] verstuurde haar reactie op 25 juni 2025 en werkte ondertussen bij D-Reizen door.
3.5
Op 7 juli 2025 is [werkneemster] door D-Reizen op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief schrijft D-Reizen:
“Wij hebben geconstateerd dat u, misbruik makend van de systemen van D-reizen, een boekingsbevestiging/factuur hebt opgesteld/geconstrueerd waarmee u bij verzekeringsmaatschappij Allianz ongebruikte vakantiedagen en kosten voor een huurauto hebt geclaimd. Allianz, bovendien verzekeringspartner van D-reizen, heeft deze kosten vergoed op basis van en naar aanleiding van de door u via de systemen van D-reizen opgestelde boekingsbevestiging/factuur terwijl betreffende boeking (met uitzondering van 'economy class' vliegtickets) door u was geannuleerd. U heeft tegenover Allianz ten onrechte de suggestie gewekt dat de op de boekingsbevestiging/factuur genoemde posten en daarbij behorende kosten daadwerkelijk door u bij D-reizen zouden zijn gemaakt. Allianz is op
basis van deze boekingsbevestiging/factuur tot berekening en uitbetaling overgegaan (bijlage 1). Het bedrag waarmee Allianz de 'schade' heeft berekend kom exact overeen met het op de
boekingsbevestiging/factuur van D-reizen genoemde bedrag van € 11.008,81 (bijlage 2). D- reizen kan tot geen andere conclusie komen dan dat door u verzekeringsfraude is gepleegd, daarbij misbruik makend van de systemen van D-reizen. (…) U heeft tegenover Allianz ten onrechte de indruk gewekt deze kosten bij D-reizen te hebben gemaakt. Allianz is op basis van de D-reizen boekingsbevestiging/factuur tot berekening en vergoeding overgegaan.
Voorts heeft u in twee dossiers zakelijke boekingen van de vennootschap van uw partner die ook via een zakelijke rekening waren voldaan geannuleerd en (in één geval binnen 2 minuten) op de privérekening van uw partner laten restitueren. In één dossier heeft u gepoogd dat te doen maar is door ingrijpen van de financiële administratie alsnog gerestitueerd op de zakelijke rekening waarmee de betaling was gedaan.
Uw partner heeft geen antwoord willen geven op de vraag of de betreffende gelden uiteindelijk weer van privé naar de zakelijk rekening zijn overgeboekt c.q. juist zijn geadministreerd. D-reizen kan dan ook niet uitsluiten dat u, wederom met gebruikmaking van de systemen van D-reizen, medewerking hebt verleend aan het ten onrechte opvoeren van zakelijke kosten ten behoeve van privégebruik door u en/of uw partner.
Gelet op het voorgaande afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien rest ons geen andere optie dan uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op grond van een dringende reden te beëindigen. Dit betekent dat uw dienstverband op en ingaande 7 juli 2025 met onmiddellijke ingang is geëindigd.”
het oordeel van de kantonrechter en de bezwaren daartegen
3.6
De kantonrechter oordeelde dat, gelet op de toelichting van [werkneemster] , de gestelde verzekeringsfraude met misbruik van de systemen van D-Reizen (hierna: de kwestie Allianz) niet ernstig genoeg was voor ontslag op staande voet en dat het ontslag in verband met de restitutie voor geannuleerde zakelijke boekingen niet onverwijld is gegeven. D-Reizen vindt dat de kwestie Allianz wel een dringende reden voor ontslag is. [werkneemster] betoogt primair dat het ontslag om die reden niet onverwijld is gegeven en zij is het subsidiair eens met het oordeel van de kantonrechter dat dit geen dringende reden is. D-Reizen betwist ook dat zij niet snel genoeg ontslag heeft gegeven in de kwestie met betrekking tot de zakelijke boekingen (hierna: de restitutiekwestie).
3.7
D-Reizen is het verder niet eens met de afwijzing van haar verzoek tot toewijzing van de gefixeerde schadevergoeding, de toewijzing van de billijke vergoeding althans de hoogte ervan, de toewijzing van de transitievergoeding en de vergoeding voor onregelmatige opzegging en de proceskostenveroordeling. [werkneemster] vraagt juist oplegging van een hogere billijke vergoeding.
het ontslag om de samengestelde dringende reden is wel onverwijld gegeven
3.8
In dit geval is sprake van een samengestelde dringende reden: meer dan één gebeurtenis die ieder op zichzelf een dringende reden kan zijn, maar ook in samenhang voldoende dringende reden kunnen vormen voor ontslag op staande voet. Tijdens het gesprek op 23 juni 2025 heeft D-Reizen een verklaring gevraagd voor de restitutiekwestie en nader onderzoek aangekondigd. Later die dag kwamen andere dossiers boven die aanleiding waren voor nadere vragen, waaronder de onder 3.3 bedoelde boekingsbevestiging die tot onderzoek naar de kwestie Allianz leidde. Zoals de Hoge Raad in 2023 oordeelde [2] , dient in een dergelijk geval te worden onderzocht of ten aanzien van het samenstel van de dringende redenen voldoende voortvarend is gehandeld.
3.9
Na de schriftelijke reactie die [werkneemster] op 25 juni 2025 naar D-Reizen stuurde, is onderzoek gedaan naar de juistheid van de opgegeven kosten voor de via D-Reizen geboekte vluchten voor de Amerikareis en de bij Allianz ingediende claim. Op donderdagmiddag
3 juli 2025 liet Allianz aan D-Reizen weten dat zij behalve medische kosten ook de maximale vergoeding voor ongebruikte vakantiedagen heeft uitgekeerd en extra verblijfkosten. Uiteindelijk heeft D-Reizen op vrijdagmiddag 4 juli 2025 via Delta Airlines vernomen dat [werkneemster] en haar echtgenoot waarschijnlijk tijdens de check-in voor de heenvlucht een upgrade naar de businessclass hebben gekocht. Later die middag berichtte Allianz dat de op 2 september 2024 gemaakte ‘boekingsbevestiging’ bij haar was ingediend ten behoeve van de verzekeringsclaim van [werkneemster] .
3.1
Volgens [werkneemster] heeft D-Reizen in de kwestie Allianz niet onverwijld gehandeld. D-Reizen had nog op vrijdagmiddag 4 juli 2025 naar haar manager kunnen bellen en op zaterdag 5 juli naar haarzelf, omdat zij die dag werkte. Ontslagverlening op maandag 7 juli 2025 is daarom volgens haar niet tijdig genoeg.
Het hof gaat daar niet in mee. Een ontslagaanzegging behoort aan de werknemer persoonlijk te worden gedaan. [werkneemster] heeft niet toegelicht waarom dat in dit geval aan of via de winkelmanager had gemoeten. D-Reizen heeft verder aangevoerd dat de afdelingen HR, Legal en de directie op het hoofdkantoor in ’s-Hertogenbosch niet werkzaam zijn in het weekend, waardoor intern overleg ook niet eerder mogelijk was en daardoor het ontslag ook niet op zaterdag 5 juli 2025 aan [werkneemster] zelf kon worden aangezegd. [werkneemster] trekt dat weliswaar in twijfel, maar weerspreekt niet voldoende gemotiveerd dat zij is ontslagen op de eerst mogelijke reguliere werkdag van de bedrijfsjurist, die tot ontslagverlening bevoegd was. [3]
3.11
D-Reizen komt terecht op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag ten aanzien van de restitutiekwestie niet onverwijld is gegeven. Tijdens het onderzoek daarnaar kwam de kwestie-Allianz naar voren en ten aanzien van het samenstel van deze aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen heeft D-Reizen voldoende voortvarend onderzoek verricht, waarbij geen andere opvallende boekingen zijn gevonden en waarna ook voldoende voortvarend is overgegaan tot ontslag. [4]
de twee verwijten vormen, ook samen, geen dringende reden voor ontslag
-de restitutiekwestie
3.12
Met betrekking tot de restitutiekwestie is het verwijt dat D-Reizen aan [werkneemster] maakt dat zij na annulering van zakelijke boekingen ten behoeve van de vennootschap van haar echtgenoot de door het bedrijf betaalde kosten heeft laten terugstorten op de privérekening van haar partner. Dat is twee keer op die wijze uitgevoerd en één keer tegengehouden door de financiële administratie.
3.13
In het gesprek op 23 juni 2025 heeft [werkneemster] uitgelegd dat het klantsysteem geen bedrijfsnamen accepteert, waardoor de boeking op naam van een natuurlijk persoon als hoofdboeker moet worden gemaakt. In een apart tekstveld kan de bedrijfsnaam worden vermeld. Bij annulering van een zakelijke reis moet dan volgens [werkneemster] de restitutie plaatsvinden op naam van de hoofdboeker. Dat is volgens [werkneemster] de gebruikelijke werkwijze.
Volgens D-Reizen is dat onjuist. Haar ‘Handboek administratieve handelingen retail’ kent een procedure voor zakelijke boekingen waarmee zo’n boeking kan worden gemaakt op naam van de vennootschap die dan hoofdboeker is, waarna eventuele restitutie ook aan die hoofdboeker moet plaatsvinden. Dit dient een wezenlijk doel, namelijk het voorkomen van belastingfraude en witwaspraktijken waarmee wordt bijgedragen aan de naleving van de Wwft. Daarnaast wordt op deze wijze voldaan aan de interne integriteits- en complianceverplichtingen van D-Reizen.
3.14
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken dat het Handboek, waarnaar D-Reizen verwijst, op het punt van zakelijke klanten omstreeks 2018 is aangepast. [werkneemster] was hiervan, zegt zij, niet op de hoogte. Desgevraagd heeft D-Reizen niet kunnen onderbouwen dat [werkneemster] hierover destijds is geïnformeerd en/of dat aan dit punt ook nadien actief aandacht is besteed. D-Reizen heeft alleen gewezen op het bestaan van het Handboek als bron voor de te hanteren werkwijze. Daarmee is onvoldoende duidelijk geworden dat [werkneemster] op de hoogte was van de verlangde werkwijze bij zakelijke klanten en dat haar kan worden verweten dat zij anders handelde. De restitutiekwestie vormt daarmee geen dringende reden voor ontslag op staande voet.
-de kwestie Allianz
3.15
[werkneemster] heeft na de voortijdig geëindigde vakantiereis in 2024 in het systeem van D-Reizen een overzicht gemaakt van ook bij andere firma’s gemaakte reserveringen ten behoeve van haar verzekeringsclaim. Die andere firma’s zijn met name genoemd. Van dat overzicht op briefpapier van D-Reizen met de datum van 2 september 2024 en opschrift ‘boekingsbevestiging/factuur’ heeft zij een kopie gemaakt waarin is weggelaten het, uit dat systeem volgende, nog te betalen bedrag en waarbij zij het woord ‘factuur’ bovenaan heeft afgeplakt. Het was, zoals [werkneemster] opmerkt, immers geen factuur. De kopie met dit overzicht is op 8 september 2024 door de echtgenoot van [werkneemster] naar Allianz gestuurd. Daarbij heeft hij ook gemeld dat de KLM uit coulance de kosten van stoelreservering voor de terugvlucht heeft gecrediteerd.
[werkneemster] heeft als reden voor haar handelwijze opgegeven dat zij op verzoek van Allianz uiteindelijk dit totaaloverzicht heeft opgesteld, nadat haar echtgenoot eerder, in juli 2024, een spreadsheet en diverse stukken naar Allianz had toegestuurd over extra kosten als gevolg van de spoedoperatie en kosten van geboekte hotels die niet meer geannuleerd konden worden. Onderdelen van de reis die nog kosteloos geannuleerd konden worden zijn niet in die claim opgenomen. Volgens [werkneemster] vond Allianz de stukken van haar echtgenoot niet overzichtelijk genoeg en vroeg Allianz om een overzicht. Dat heeft zij opgesteld, hoewel zij nog ernstig ziek was, in het systeem van D-Reizen omdat zij dat kende en in overleg met Allianz. Zij en niet haar echtgenoot had ook indertijd de verschillende reserveringen voor deze vakantiereis gemaakt.
3.16
Volgens D-Reizen heeft [werkneemster] met dit overzicht Allianz, een vaste zakenrelatie van D-Reizen, in de waan gebracht dat sprake was van een bij D-Reizen geboekte pakketreis en is Allianz op basis daarvan ook tot uitkering overgegaan. Deze verzekeringsfraude met misbruik van het systeem van D-Reizen rechtvaardigt ontslag op staande voet, ook als D-Reizen zelf daardoor geen schade lijdt, aldus D-Reizen.
3.17
Het hof oordeelt dat [werkneemster] niet goed heeft gehandeld door het overzicht van alle boekingen samen te brengen in één document dat bij een argeloze lezer de schijn kan wekken dat D-Reizen bemiddeld heeft bij alle daarop voorkomende boekingen. Dat [werkneemster] ook de bedoeling had om met behulp van dit document verzekeringsfraude te plegen is echter onvoldoende aannemelijk in het licht van de eerdere correspondentie met Allianz, waarin haar echtgenoot melding maakte van verschillende annuleringen en crediteringen en zijn latere melding van de creditering uit coulance door de KLM in de mail waarmee hij ook het overzicht van [werkneemster] meestuurde.
Of Allianz op basis van de juiste gegevens tot uitkering is overgegaan is het hof niet duidelijk, maar dat zij van onjuiste informatie is uitgegaan volgt niet zonder meer uit de laatste productie die D-Reizen op 17 april 2026 heeft ingediend. Onduidelijk is immers naar welke bijlage D-Reizen in haar tweede vraag verwijst.
Het hof betrekt bij de beoordeling van de handelwijze van [werkneemster] haar medische situatie van destijds, zoals beschreven in haar verzoekschrift aan de kantonrechter en in haar reactie aan D-Reizen van 25 juni 2025. Daarbij kwam nog de onduidelijkheid over de afhandeling van de in de VS gemaakte ziektekosten, waarvoor [werkneemster] zeer hoge rekeningen kreeg. Het is goed voorstelbaar dat [werkneemster] in die omstandigheden minder doordacht heeft gehandeld. Ontslag op staande voet is een te zware sanctie voor wat in de kwestie Allianz is gebeurd.
3.18
Dat laatste geldt ook voor de twee kwesties in onderlinge samenhang beschouwd.
Het ontslag op staande voet is ten onrechte verleend. [5]
gevolgen voor gefixeerde schadevergoeding, onregelmatig ontslag- en transitievergoeding
3.19
Het oordeel dat sprake is van een onterecht ontslag op staande voet leidt automatisch tot afwijzing van de door D-Reizen verzochte gefixeerde schadevergoeding omdat [werkneemster] aanleiding zou hebben gegeven voor dat ontslag. En ook leidt dat oordeel tot afwijzing van het bezwaar van D-Reizen tegen de veroordeling tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatig ontslag en de transitievergoeding. D-Reizen heeft daarvoor geen andere reden aangevoerd dan dat zij wel terecht ontslag op staande voet heeft verleend. [6]
billijke vergoeding
3.2
De kantonrechter heeft D-Reizen veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 23.000 bruto, te weten het loon over een jaar zonder aftrek van een eventuele WW-uitkering. Daarbij verwachtte de kantonrechter dat [werkneemster] in dat jaar een andere baan kon vinden met vergelijkbaar loon.
D-Reizen vindt de toegekende billijke vergoeding te hoog, terwijl [werkneemster] die te laag vindt.
3.21
Volgens D-Reizen is onvoldoende rekening gehouden met de verwijten die zij [werkneemster] maakt en zou de arbeidsovereenkomst zonder ontslag op staande voet op korte termijn zijn ontbonden wegens verwijtbaar handelen of een verstoorde arbeidsrelatie. De arbeidsmarkt is gunstig en D-Reizen houdt [werkneemster] niet aan het overeengekomen concurrentiebeding. Daarnaast vindt D-Reizen dat ook rekening moet worden gehouden met de transitievergoeding en de WW-uitkering van [werkneemster] .
[werkneemster] wijst op haar dienstverband van ruim 18 jaar dat tot de hiervoor besproken incidenten vlekkeloos was. Van die incidenten kan haar geen verwijt worden gemaakt zodat zij geen reden zouden zijn voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [werkneemster] ontvangt sinds oktober 2025 een WW-uitkering maar het UWV adviseerde haar een Zw-uitkering aan te vragen. Mogelijk moet zij dat alsnog doen omdat zij een terugslag heeft gekregen door het ontslag en het hoger beroep. Door de gang van zaken heeft zij ook reputatieschade geleden in de branche en ook daarom is de periode van een jaar te kort voor het vinden van een vergelijkbaar beloonde baan. Daarnaast lijdt zij pensioenschade. [werkneemster] maakt aanspraak op een billijke vergoeding ter hoogte van 24 maandsalarissen, ofwel € 41.287,53 bruto zonder aftrek van WW of de transitievergoeding.
3.22
Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat het gegeven ontslag op staande voet een te zware sanctie is voor de kwestie Allianz. Die sanctie heeft [werkneemster] beschadigd. De feiten gaven, anders dan D-Reizen meent, ook geen grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Maar ook als D-Reizen had volstaan met een duidelijke instructie voor toekomstige zakelijke boekingen en met een officiële schriftelijke waarschuwing voor het gebruik van haar systeem waarmee ten onrechte de schijn kan worden gewekt van een via D-Reizen geboekte pakketreis, was de arbeidsverhouding onder druk komen te staan. Het vertrouwen van D-Reizen in [werkneemster] had als gevolg van haar gedragingen een flinke deuk opgelopen. Het hof taxeert dat in geval van een lichtere sanctie zoals bedoeld de arbeidsovereenkomst niet langer zou hebben geduurd dan hooguit nog twee jaar.
3.23
Van die twee jaar is de inkomensschade gedurende 2,75 maanden gedekt door de vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Het hof acht het in dit geval redelijk om bij de inkomensschade over de resterende 21,25 maanden rekening te houden met 12 maanden WW-uitkering. Het hof gaat ervan uit dat [werkneemster] niet lang daarna ander werk zal kunnen vinden maar mogelijk niet tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden terwijl zij mogelijk ook pensioenschade lijdt. Daarom wordt geen rekening gehouden met de volledige WW-duur van maximaal 24 maanden. Voor (gehele of gedeeltelijke) aftrek van de transitievergoeding is geen reden, nu [werkneemster] daadwerkelijk op zoek moet naar een andere baan die nog niet voorhanden is.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof in plaats van de door de kantonrechter toegewezen
€ 23.000 een billijke vergoeding redelijk acht van € 23.688,60 bruto. Dit is als volgt berekend: 21,25 maanden salaris is € 39.481,01 bruto en daarop strekt in mindering 12 maanden WW-uitkering van € 15.792,41 bruto (2 maanden 75% van € 1.857, 93 is
€ 2.786,90 plus 10 maanden 70% van € 1.857,93 is € 13.005,51). [7]
slotsom en proceskosten
3.24
Hoewel D-Reizen terecht heeft aangevoerd dat het ontslag onverwijld is gegeven, leidt haar principaal hoger beroep niet tot een ander oordeel. Zij is door de kantonrechter terecht veroordeeld in de kosten van de procedure. [8] Het incidenteel hoger beroep van [werkneemster] slaagt slechts voor een klein gedeelte. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter onder 4.1 vernietigen voor zover daarin € 23.000 aan billijke vergoeding is toegewezen en in plaats daarvan € 23.688,60 bruto toewijzen. Die beslissing wordt voor het overige bekrachtigd, voor zover aan hoger beroep onderworpen. D-Reizen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal hoger beroep worden veroordeeld. [werkneemster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.
3.25.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (de beslissing is ‘uitvoerbaar bij voorraad’).

4.De beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

Het hof:
4.1.
vernietigt de beslissing van de kantonrechter van 17 december 2025 voor zover D-Reizen daarin is veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding aan [werkneemster] van € 23.000 bruto en veroordeelt D-Reizen in plaats daarvan tot betaling van € 23,688,60 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente over € 23.000 bruto vanaf de veertiende dag na 17 december 2025 en over € 688,60 bruto vanaf veertien dagen na dagtekening van deze beschikking in hoger beroep tot aan algehele voldoening;
4.2
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter, voor zover aan hoger beroep onderworpen, voor het overige;
4.3
veroordeelt D-Reizen tot betaling van de proceskosten in haar hoger beroep, aan de kant van [werkneemster] bepaald op € 373 griffierecht en € 2.580 voor salaris van de advocaat van [werkneemster] (2 punten x tarief II);
4.4
veroordeelt [werkneemster] , als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in haar hoger beroep, tot betaling van de proceskosten van D-Reizen, bepaald op € 1.290 voor salaris van de advocaat van D-Reizen (1 punt x tarief II);
4.5.
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E.L. Fikkers, A.A. van Rossum en A. Elgersma en is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.

Voetnoten

1.Gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2025:7035.
2.Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1668
3.Grief 1 in incidenteel hoger beroep gaat niet op.
4.In zoverre slaagt de eerste grief van D-Reizen.
5.Uiteindelijk leidt grief 1 van D-Reizen niet tot een ander oordeel.
6.De grieven 2 en 4 van D-Reizen gaan niet op.
7.Grief 3 van D-Reizen faalt en grief 2 in incidenteel hoger beroep slaagt voor een gering deel.
8.Grief 5 van D-Reizen gaat niet op.