Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2851

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
24/744
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 234 GemeentewetArt. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingArt. 8:36c lid 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens overschrijding maximale aanmeldduur

Belanghebbende parkeerde op 8 februari 2023 een auto op een parkeerplaats in Groningen waar parkeerbelasting verschuldigd is. Hij betaalde voor twee uur, maar bleef langer staan zonder bijbetaling. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op, die door belanghebbende werd betwist.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Tijdens de zitting verscheen belanghebbende niet, maar de heffingsambtenaar was wel aanwezig. Het hof oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat de parkeerbelasting per keer voor maximaal twee uur kan worden voldaan en bij overschrijding opnieuw betaald moet worden.

Het hof verwees naar de gemeentelijke verordening en een arrest van de Hoge Raad waarin is bepaald dat bij een maximale parkeerduur naheffing niet mogelijk is, maar dat hier sprake is van een maximale aanmeldduur waarbij hernieuwde betaling vereist is. Belanghebbende was zich bewust van deze regeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/744
uitspraakdatum:
6 mei 2026
Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 februari 2024, nummer LEE 23/1791, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan het Noordelijk Belastingkantoor (hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 2,50 en daarbij tevens een bedrag van € 72,90 aan kosten in rekening gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een nader stuk ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Belanghebbende is zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De griffier heeft op 15 januari 2026 om 14:44 uur een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting. Op 16 januari 2026 om 08:26 uur is volgens de loggegevens een notificatiebericht van de plaatsing van dat bericht verzonden naar het door belanghebbende voor dat doel opgegeven e-mailadres. Gelet daarop wordt aangenomen dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen [1] . Namens de heffingsambtenaar is ter zitting verschenen [naam1] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Op 8 februari 2023 omstreeks 10:20 uur heeft belanghebbende de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) geparkeerd op een parkeerplaats aan de [straatnaam] te Groningen, zijnde een parkeerplaats waar op dat tijdstip uitsluitend tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
2.2.
Op de in de straat aanwezige parkeerautomaat is de volgende tekst zichtbaar:
2.3.
Belanghebbende heeft bij de parkeerautomaat € 5,18 aan parkeerbelasting betaald voor 8 februari 2023 van 10:20 uur tot 12:15 uur.
2.4.
Op 8 februari 2023 omstreeks 15.10 uur is met behulp van een scanauto geconstateerd dat voor het betreffende tijdstip geen parkeerbelasting was betaald, waarna een parkeercontroleur ter plaatse is gegaan. Vervolgens is de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd.
2.5.
Bij het aanmelden van zijn zaak, heeft belanghebbende de volgende informatie aan zijn gemachtigde verstrekt:
“Op 08-02 heb ik de auto van mijn moeder geparkeerd in de omgeving van mijn school. Ik heb de parkeermeter aangezet voor twee uur, omdat ik er vanuit ging dat ik binnen deze tijd wel terug was. Helaas bleek mijn les en tentamen uit te lopen, hierdoor is de timer van de parkeerautomaat verlopen en kon ik hier tussentijds niets aan veranderen. (zie bijlage voor extra toevoeging betaalbewijs 08-02 10:20 - 12:15 ). Als ik hier in de tussentijd tijd voor had, kon ik hier nogmaals voor bijbetalen, echter kan ik geen tentamen niet onderbreken.”

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Op grond van artikel 225, lid 1, aanhef en onder a, van de Gemeentewet, kan een belasting worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
4.2.
Ingevolge artikel 234, lid 1, van de Gemeentewet, wordt de parkeerbelasting, bedoeld in artikel 225, lid 1, onder a, van die wet geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.
4.3.
Ingevolge artikel 234, lid 2, aanhef en onder a, van de Gemeentewet, wordt als voldoening op aangifte uitsluitend aangemerkt: het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.
4.4.
Op 9 november 2022 heeft de Raad van de gemeente Groningen de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023 (hierna: de Verordening) met de daarbij horende Tarieventabel vastgesteld. De Verordening is op 24 november 2022 gepubliceerd in het Gemeenteblad (2022, nr. 521384). In artikel 1, onderdeel e van de Verordening wordt onder ‘parkeren’ verstaan:
“het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;"
4.5.
Artikel 2, aanhef en onderdeel a van de Verordening (Belastbaar feit) luidt:
“Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;”
4.6.
In artikel 4 van Pro de Verordening is opgenomen dat de maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze Verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.
4.7.
De Tarieventabel ‘Onderdeel I voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel a’ luidt als volgt:
“8. Voor het parkeren bij parkeerapparatuur op maandag tot en met woensdag, vrijdag en zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur (tot 21.00 uur op nader aan te wijzen koopavonden) en donderdag van 09.00 uur tot 21.00 uur in de navolgende wijken: (…) Korrewegbuurt (…)
€ 2,50 per uur bij parkeerapparatuur geschikt voor een parkeertijd van telkens 2 uur.
(…)”
4.8.
Artikel 6, lid 1, van de Verordening (Ontstaan van de belastingschuld) luidt:
“De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.”
4.9.
De Hoge Raad heeft op 11 maart 2022 geoordeeld [2] dat indien parkeren na het verstrijken van de maximale parkeerduur niet meer is toegestaan, een parkeerder niet gehouden is voor de periode na het verstrijken van deze maximale parkeerduur parkeerbelasting op aangifte te voldoen. Dit brengt mee dat naheffing van parkeerbelasting voor die periode niet mogelijk is, omdat artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelasting de mogelijkheid tot naheffing beperkt tot belasting die op aangifte behoort te worden voldaan maar niet is betaald.
4.10.
Belanghebbende stelt – onder verwijzing naar voornoemd arrest van de Hoge Raad – dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd nu niet valt in te zien waarom een maximale aanmeldduur van 2 uur – waarna opnieuw aangifte moet worden gedaan – iets wezenlijk anders zou zijn dan een maximale parkeerduur van 2 uur.
4.11.
De heffingsambtenaar stelt daar tegenover dat sprake is van betaald parkeren voor een periode van telkens 2 uur. De heffingsambtenaar wijst op de definitie van parkeren in de Verordening (zie 4.4.) en stelt dat in dit geval sprake is van een aaneengesloten periode laten staan van een voertuig waarbij slechts een deel van de parkeerbelasting is voldaan.
4.12.
Naar het oordeel van het Hof is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto op de in 2.1 aangegeven parkeerplaats stond geparkeerd en dat ter zake van het parkeren aan de [straatnaam] in Groningen parkeerbelasting is verschuldigd. Voor de eerste 120 minuten heeft belanghebbende ook parkeerbelasting voldaan door gebruik te maken van de aanwezige parkeerautomaat. Uit de Verordening, de daarbij horende Tarieventabel en uit de informatie op de parkeerautomaat, volgt dat het – anders dan bij een maximale parkeerduur – is toegestaan om de auto langer dan 2 uur op de bewuste plek te laten staan. Parkeerbelasting is – in dit geval op woensdag – verschuldigd van 09.00 tot 18.00 uur. De kosten bedragen € 2,50 per uur en er kan per keer (telkens) voor maximaal 2 uur worden betaald. Dit houdt in dat een parkeerder die zijn auto langer dan 120 minuten laat staan, telkens na 120 minuten voor een aanvullende betaling moet zorgdragen. Uit de informatie die belanghebbende aan zijn gemachtigde heeft verstrekt (zie 2.5), leidt het Hof af dat belanghebbende zich hiervan ook bewust is geweest. Er is in het onderhavige geval dus geen sprake van een situatie waarin parkeren na het verstrijken van de maximale parkeerduur niet meer is toegestaan.
4.13.
Gelet op het voorgaande was belanghebbende na het verstrijken van de eerste 120 minuten nog steeds gehouden parkeerbelasting, tot maximaal 18.00 uur, op aangifte te voldoen. Nu vaststaat dat belanghebbende na het verstrijken van de eerste 120 minuten om 12.15 uur, de auto heeft laten staan tot in ieder geval 15.10 uur en voor die periode geen parkeerbelasting heeft voldaan, terwijl die wel was verschuldigd, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter en lid van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op
6 mei 2026in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen,
(S. Darwinkel) (P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 8:36c lid 2 Awb. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:160.
2.Hoge Raad, 11 maart 2022, nr. 21/00853, ECLI:NL:HR:2022:346.