Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2744

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
24/2006
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 WfsvArt. 97 WfsvArt. 5.1 Regeling WfsvArt. 5.2 Regeling WfsvArt. 5.3 Regeling Wfsv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Sectorindeling werkgever voor levering en plaatsing van spanplafonds

Belanghebbende, een onderneming die zich bezighoudt met de levering en plaatsing van spanplafonds inclusief montage, was aanvankelijk ingedeeld in sector 3 (Bouwbedrijf). Na een indelingsonderzoek wijzigde de Inspecteur deze indeling naar sector 17 (Detailhandel en ambachten) met ingang van 1 januari 2020. Belanghebbende betwistte deze wijziging en stelde dat haar werkzaamheden tot sector 3 behoren.

Het hof oordeelt dat de kernactiviteit van belanghebbende niet valt onder de ruwbouw, maar onder afbouw, en dat de werkzaamheden niet in de bijlage van de Regeling Wfsv zijn vermeld. Daarom moet assimilatie plaatsvinden naar de sector die het meest overeenkomt met de aard van de werkzaamheden. Het hof stelt vast dat de werkzaamheden van belanghebbende meer overeenkomen met die van het woningstoffeerdersbedrijf in sector 17 dan met de bedrijven in sector 3.

Belanghebbende voerde aan dat haar werkzaamheden onder de CAO afbouw vallen en dat het beleid van de Inspecteur voor systeemplafonds ook op haar van toepassing zou moeten zijn. Het hof verwierp deze argumenten omdat de CAO niet relevant is voor sectorindeling en omdat spanplafonds wezenlijk verschillen van systeemplafonds, waardoor geen sprake is van feitelijk gelijke gevallen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de sectorindeling wordt ongegrond verklaard en de indeling in sector 17 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/2006
uitspraakdatum: 21 april 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de hierna te noemen uitspraak op bezwaar van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Amsterdam(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende was op grond van artikel 97, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) meegedeeld dat zij was aangesloten bij sector 3 (Bouwbedrijf). Bij beschikking van 26 maart 2024 is belanghebbende meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2020 is aangesloten bij sector 17 (Detailhandel en ambachten).
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord R.A. Kruis als de gemachtigde van belanghebbende, en mr. [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. drs. [naam2] en mr. [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is opgericht op 30 september 2019. Sinds de oprichting is [holding] enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende. [naam4] is enig aandeelhouder en bestuurder van [holding]
2.2.
Belanghebbende houdt zich bezig met de levering en plaatsing van spanplafonds op maat en bijbehorende verlichting. Spanplafonds zijn plafonds van gespannen kunststofdoek, die worden aangebracht onder bestaande bouwkundig aangebrachte plafonds. Belanghebbende verkoopt spanplafonds uitsluitend inclusief de montage ervan.
2.3.
Bij haar oprichting heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat zij is aangesloten bij sector 3 (Bouwbedrijf).
2.4.
De Inspecteur heeft bij belanghebbende een indelingsonderzoek ingesteld. Naar aanleiding van de resultaten van dat onderzoek heeft de Inspecteur bij de in geding zijnde beschikking belanghebbende meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2020 is aangesloten bij sector 17 (Detailhandel en ambachten).

3.Geschil

In geschil is of de werkzaamheden van belanghebbende behoren tot sector 3 (Bouwbedrijf), zoals belanghebbende stelt, of tot sector 17 (Detailhandel en ambachten), zoals de Inspecteur stelt.

4.Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het beroep
4.1.
De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 15 juli 2024. De gemachtigde van belanghebbende heeft de uitspraak op bezwaar op 18 juli 2024 ontvangen en leidt daaruit af dat de Inspecteur deze uitspraak op 17 juli 2024 ter post heeft bezorgd. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard niet aannemelijk te kunnen maken dat de uitspraak op bezwaar eerder is verzonden. Aangezien de Inspecteur de bewijslast draagt van de factoren die de aanvang van de beroepstermijn bepalen, [1] volgt daaruit dat de beroepstermijn is aangevangen met ingang van 18 juli 2024. [2] De beroepstermijn van zes weken eindigde dus met 29 augustus 2024.
4.2.
Het beroepschrift is blijkens de aanduiding op de enveloppe verzonden per ‘Cycloon’, een bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) geregistreerd postvervoerbedrijf. Daarom is naar het oordeel van het Hof sprake van verzending per post. [3] Het – kennelijk door Cycloon geplaatste – stempel op de enveloppe is ‘28-08-24’. Daaruit leidt het Hof af dat het beroepschrift niet later dan 28 augustus 2024 ter post is bezorgd. [4] Het beroepschrift is dus binnen de beroepstermijn ter post bezorgd. Het Hof heeft het beroepschrift binnen een week na afloop van de termijn ontvangen. Daarom is het beroep tijdig ingediend. [5]
Sectorindeling
4.3.
Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Wfsv is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.
4.4.
In artikel 5.1 van de Regeling Wfsv zijn de in artikel 96 van Pro de Wfsv bedoelde sectoren vermeld.
4.5.
Op grond van artikel 5.2 van de Regeling Wfsv worden tot elke sector gerekend de werkzaamheden, verricht in de takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan, die in de bij de Regeling Wfsv behorende bijlage 1 zijn vermeld.
4.6.
Artikel 5.3 van de Regeling Wfsv bepaalt dat werkzaamheden, verricht in takken van bedrijf en beroep, die niet in die bijlage zijn vermeld, worden geacht te behoren tot een sector van het bedrijfs- en beroepsleven, waartoe takken van bedrijf en beroep behoren, waarin werkzaamheden worden verricht, die naar de aard het meest met de eerstbedoelde werkzaamheden overeenkomen. Dit wordt aangeduid als ‘assimilatie’.
4.7.
In Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv zijn onder meer de volgende sectoren opgenomen:
‘3. Bouwbedrijf, omvattende:
1. Burgerlijke en utiliteitsbouw.
2. Water- en wegenbouw, alsmede grondwerken.
3. De grondboring, buizenleggers- en kabelleggersbedrijven.
4. Het steenzettersbedrijf (glooiingen, kademuren, enzovoort).
5. Het dakdekkersbedrijf, voor zover worden verwerkt pannen, leien, riet, stro, betonplaten, asbestplaten en dergelijke grondstoffen, met uitzondering van bitumen, asfalt en kunststofmaterialen.
6. Andere bouwambachten.
7. Het ovenbouwbedrijf.
8. Fabrieksschoorsteenbouw.
9. Het heiersbedrijf.
10. Het slopersbedrijf, voor zover zich bezighoudende met het slopen van bouwwerken.
(…)
17. Detailhandel en ambachten, omvattende:
A. Detailhandel:
(…)
B. Ambachten:
Hier worden bedoeld ambachten, die geen grootindustrie naast zich vinden, zoals bijvoorbeeld verzorgings- en dienstverlenende bedrijven, waaronder:
1. Kappersbedrijven.
2. Schoonheidsinstituten.
3. Schoenreparatiebedrijven.
4. Maatschoenbedrijven.
5. Schoorsteenvegersbedrijven.
6. Begrafenisondernemingen.
7. Zeilmakerijen (waaronder vlaggen).
8. Tandtechnische werkplaatsen.
9. Paramentenateliers.
10. Woningstoffeerdersbedrijf.
11. Behangersbedrijf.
C. Huishoudelijk personeel.’
4.8.
De kern van de onderneming van belanghebbende is dat zij spanplafonds levert en plaatst in bestaande en nieuwe gebouwen. Deze activiteit is niet vermeld in de hiervoor onder 4.7 aangehaalde Bijlage 1. Daarom worden deze werkzaamheden geacht te behoren tot de sector waartoe takken van bedrijf en beroep behoren, waarin werkzaamheden worden verricht, die naar de aard het meest met de werkzaamheden van belanghebbende overeenkomen (zie 4.6).
4.9.
De bedrijven die in Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv zijn vermeld bij sector 3 (Bouwbedrijf) hebben gemeen dat zij zich richten op de ruwbouw, ofwel het constructieve deel van een bouwwerk. Bedrijven die zich richten op afbouw zijn ingedeeld bij andere sectoren: het woningstoffeerdersbedrijf en het behangersbedrijf in sector 17 (Detailhandel en ambachten), het schildersbedrijf in sector 56 (Schildersbedrijf) en het stukadoorsbedrijf en het vloerenleggersbedrijf in sector 57 (Stukadoorsbedijf).
4.10.
Aangezien de onderneming van belanghebbende zich niet bezig houdt met ruwbouw, is het Hof van oordeel dat haar werkzaamheden minder overeenkomen met die van de bedrijven vermeld bij sector 3 (Bouwbedrijf). Wel bestaat overeenkomst met het woningstoffeerdersbedrijf nu de onderneming van belanghebbende ruimten, in het bijzonder de plafonds, bekleedt met een stof, in casu kunststof. Daarom heeft de Inspecteur belanghebbende terecht ingedeeld in sector 17 (Detailhandel en ambachten).
4.11.
Belanghebbende voert nog aan dat haar onderneming valt onder de werkingssfeer van de CAO afbouw. Bij de sectorindeling is echter niet van belang onder welke CAO de werkgever valt. [6]
4.12.
Belanghebbende wijst erop dat de Inspecteur op grond van door hem gevoerd beleid ervan uitgaat dat het monteren van systeemplafonds het meest overeenkomt met de werkzaamheden in sector 3 (Bouwbedrijf). Zij stelt dat dat beleid ook voor haar werkzaamheden moet gelden. Naar het oordeel van het Hof is dat niet het geval. Spanplafonds en systeemplafonds zijn immers verschillende systemen. De werkzaamheden van bedrijven die systeemplafonds leveren en monteren verschillen dan ook duidelijk van de werkzaamheden van bedrijven die spanplafonds leveren en monteren. Daarom is naar het oordeel van het Hof geen sprake van feitelijk gelijke gevallen. Het gelijkheidsbeginsel brengt dan ook niet mee dat de Inspecteur deze bedrijven hetzelfde moet behandelen. Ook kan belanghebbende aan dit beleid van de Inspecteur niet het vertrouwen ontlenen dat de Inspecteur ook de werkzaamheden van bedrijven die spanplafonds leveren en monteren zal beschouwen als te behoren tot sector 3.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (J. van de Merwe)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 12 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5902, onder 3.5.
2.Artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1987.
4.Vgl. HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2138,
5.Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
6.Vgl. CRvB 29 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6880.