Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2742

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
24/1752 en 24/1753
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 5 OpiumwetArt. 11 derde lid OpiumwetArt. 11a OpiumwetArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen belastingaanslagen wegens niet-aangegeven opbrengsten uit hennepstekkenhandel

Belanghebbende werd voor het jaar 2018 aangeslagen voor inkomstenbelasting en zorgverzekeringswetbijdrage op basis van een belastbaar inkomen dat aanzienlijk hoger lag dan in zijn aangifte was vermeld. De Inspecteur baseerde de aanslagen op een proces-verbaal en een vonnis van de rechtbank Limburg, waarin werd vastgesteld dat belanghebbende betrokken was bij de handel in hennepstekken en een wederrechtelijk verkregen voordeel van €81.375 had behaald.

Belanghebbende ontkende aanvankelijk betrokkenheid, maar gaf in hoger beroep toe dat hij in een periode van enkele weken in 2018 bemiddelde bij de verkoop van 5.190 stekken tegen een vergoeding van €0,50 per stek. Het Hof achtte het aannemelijk dat hij minimaal €0,87 per stek verdiende en dat hij niet de vereiste aangifte had gedaan. De bewijslast werd omgekeerd en verzwaard, waarbij de aanslagen als redelijke schatting werden beoordeeld.

De verdediging voerde onder meer aan dat de aantallen en winst per stek lager waren dan door de Inspecteur gesteld, maar het Hof vond de verklaringen onvoldoende overtuigend. Ook de mogelijkheid van een (gedeeltelijke) vrijspraak in de strafzaak deed hieraan niet af. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank Gelderland en wees het hoger beroep af.

De zaak bevat uitgebreide bewijsvoering, waaronder telefoontaps, sms-berichten, getuigenverklaringen en een strafvonnis, die gezamenlijk de betrokkenheid van belanghebbende bij de hennepstekkenhandel en de omvang van de opbrengsten ondersteunen. Het Hof benadrukte dat ook inkomsten uit illegale activiteiten moeten worden aangegeven en dat het niet doen daarvan leidt tot omkering van de bewijslast.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 april 2026, waarbij het griffierecht en proceskosten niet werden toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslagen worden bevestigd op basis van een redelijke schatting van de opbrengsten uit hennepstekkenhandel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1752 en BK-ARN 24/1753
uitspraakdatum: 21 april 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 28 augustus 2024, nummers AWB 23/1898 en 23/1899, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Maastricht(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.387 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.940. Bij beschikking is € 2.090 belastingrente berekend. Verder is met betrekking tot hetzelfde jaar 2018 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 54.614. Bij beschikking is € 73 belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende bij uitspraken op bezwaar van 16 november 2022 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de Inspecteur en de Staat wegens overschrijding van de redelijke termijn veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 2.000, alsmede tot het terugbetalen van het door belanghebbende in beroep verschuldigde griffierecht van € 50.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde mr. J.H. Sligchers, alsmede mr. [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 29 oktober 2019 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 ingediend en daarin opgenomen een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.012 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 980.
2.2.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 4 november 2019 meegedeeld dat hij informatie heeft waaruit blijkt dat belanghebbende meer inkomsten heeft gehad dan in de aangifte IB/PVV 2018 is vermeld. In deze brief is verwezen naar het proces-verbaal Stekkenhandel [belanghebbende] , dat door de politie is opgemaakt en aan de Inspecteur ter hand is gesteld. In het proces-verbaal staat – voor zover hier van belang –:
“Gesprekken [verdachte 1] en [belanghebbende]
Op dinsdag 18 september 2018stuurt [verdachte 1] een uitgaande sms naar [belanghebbende] [telefoonnummer] (pre paid)
Samenvatting:
SMSU:
1650
Op dinsdag 18 september 2018stuurt [belanghebbende] ( [telefoonnummer] ) een sms terug naar [verdachte 1]
Inhoud SMS:
Oke
Samenvatting:
Op woensdag 19 september 2018belt [belanghebbende] ( [telefoonnummer] ) uit met [verdachte 1]
[verdachte 1] wgd NN Man [telefoonnummer]
NN man heeft een Brabants accent
Waarbij M = [verdachte 1]
N= NN Man
M= Ja hallo
N= Hey goedemorgen
M= Morgen
M- Ik had je wat doorgegeven he
N= Ja zestien vijftig he.
M= Maar mogen ook meer zijn he.
N= Nee ik heb iemand honderdzeventig nodig en die heb ik nu naar volgende week verzet.
M= Wat heb je volgende week dan ?
N= Ja ook rond de vijftien honderd, krijg ik maar zestien zeventien honderd binnen. Vorige week,
de week ervoor heb ik alles gegeven wat ik had die zeventien zeventig
M=Ja
N= Dus
N=Maar ik heb die jongen...ik ben gisteravond langs gereden. Ik heb ze kunnen verzetten. Dus dat komt wel goed. Zestien vijftig dat lukt wel.
M= Is goed ok
N= Super bedankt
N= Doei
M= Dag
Op donderdag 20 september 2018belt [verdachte 1] uit met [belanghebbende]
( [telefoonnummer] )
Samenvatting:
[verdachte 1] bum NN man [telefoonnummer]
NN man spreekt met een Brabants accent
Waarbij M= [verdachte 1]
N= NN man
N= Hallo
M= Ja met mij
N=Hey
M= Ehmmm hoever ken ik volgende week. Weet je dat!
N= Ja ook zo iets rond de vijftienhonderd
M=Mmm....effe kijken vijftien negentig.
N= Ja dat zal wel lukken
M=. .(onverstaanbaar)..
N= Zal wel lukken denk ik. Dan zet ik die vast
M=Ja
N= Komt wel goed
M= Is goed hoi hoi
N= Jo hoie he”
(…)
Samenvatting
Aan de hand van het onderzoek is het aannemelijk dat [verdachte 1] iedere week minimaal 1500 hennepstekken bestelde bij [belanghebbende] en dat de overdracht van deze hennepstekken iedere week op vrijdag plaats vond.
Dit komt ook overeen met het gestelde in de TCI informatie dat [verdachte 1] iedere week minimaal 2000 stekken verkoopt. [verdachte 1] nam namelijk ook nog iedere week enkele honderden hennepstekken af van [verdachte x] .
Historische belgegevens
Door mij werden de historische belgegevens opgevraagd van de ‘deal’ gsm van [verdachte 1] over de periode 14 maart 2018 tot en met 12 september 2018.
Eerdere historische belgegevens waren niet meer voorhanden bij de provider.
Hieruit bleek dat [verdachte 1] en [belanghebbende] iedere week, vaak meerdere malen contact hadden en dat zij in deze periode in totaal 184 keer contact hadden in de vorm van sms danwel een gesprek.
(…)
Aantal bestelde hennepstekken periode
Aan de hand hiervan is het aannemelijk dat [verdachte 1] en [belanghebbende] in ieder geval al vanaf 15 maart 2018, iedere week, zaken met elkaar doen, hetgeen betekent dat [verdachte 1] in deze periode iedere week minimaal 1500 hennepstekken heeft afgenomen van [belanghebbende] .
Dit betreft een periode van 15 maart tot 20 november zijnde 35 weken X 1500 stekken = totaal
52.500 stekken
2.3.
In het proces-verbaal is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op € 81.375, met als uitgangspunt een opbrengst van € 1,55 per stek. Deze opbrengst per stek is onder andere gebaseerd op het rapport van het (toenmalige) Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (hierna: BOOM-rapport) uit 2005 en verklaringen van twee (eind)afnemers van de hennepstekken.
2.4.
De Inspecteur heeft met dagtekening 29 november 2019 een voorlopige aanslag IB/PVV 2018 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.375. Hij heeft ook met dezelfde dagtekening een aanslag Zvw 2018 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 54.614.
2.5.
Belanghebbende heeft op 3 december 2019 een tweede aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 ingediend en daarin opgenomen een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.012 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.940. Met dagtekening 20 december 2019 zijn conform deze nadere aangifte nadere voorlopige aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 opgelegd.
2.6.
De Inspecteur heeft bij brief van 23 oktober 2020 medegedeeld af te wijken van de ingediende aangifte. In deze brief staat:
“Ik heb uw aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2018 beoordeeld. Ik wijk van de door u ingediende aangifte af op het onderdeel ROW (resultaat overige werkzaamheden). De ROW wordt gecorrigeerd met € 81.375 aan inkomsten uit de verkoop van hennepstekken. Voor de reden van afwijken van uw ingediende aangifte en tevens ter motivering verwijs ik u naar mijn brief met dagtekening 4 november 2019.”
2.7.
De rechtbank Limburg heeft op 27 januari 2022 [1] een vonnis gewezen in de strafzaak tegen belanghebbende. Zij heeft bewezen geacht dat belanghebbende:
“1. in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 in meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg en in het arrondissement Oost-Brabant en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen -in voornoemde periode in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, en -in voornoemde periode opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten, grote hoeveelheden hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II;
3. in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 in meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg en in het arrondissement Oost-Brabant en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen,
te weten (onder andere):
- [ verdachte 1] en
- [ verdachte 2] en
- [ verdachte 4] en
- [ naam 2] en
- [ verdachte 6] en
- [ verdachte 5] en/of
- [ medeverdachte 1] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde Pro, vijfde lid/artikel 11a Opiumwet.”
2.8.
De rechtbank Limburg heeft op 27 januari 2022 [2] vonnis gewezen in de ontnemingszaak tegen belanghebbende en het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het verkopen en leveren van hennepstekken vastgesteld op € 81.375. In deze uitspraak staat over belanghebbende (die wordt aangeduid als verdachte 3) onder meer:
“3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie gaat er in zijn berekening vanuit dat [verdachte 3] in de periode tussen 15 maart 2018 en 20 november 2018 per week 1500 hennepstekken aan de medeverdachte [verdachte 1] heeft verkocht en geleverd. Voor de startdatum heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij de, blijkens het overzicht historische belgegevens, telefonische contacten tussen [verdachte 3] en [verdachte 1] . Uit dit overzicht, dat begint op 15 maart 2018, volgt dat [verdachte 1] en [verdachte 3] al vanaf die datum zeer veelvuldig contact hebben. De einddatum is de “actiedag” waarop de verdachten zijn aangehouden. In deze periode, die 35 weken bedraagt, zijn in totaal (35 x 1.500 =) 52.500 stekken verkocht.
Volgens de officier van justitie heeft [verdachte 3] per stek € 1,55 winst gemaakt. Voor de schatting van dat bedrag heeft hij verwezen naar de berekening van de politie in het proces-verbaal stekkenhandel [verdachte 3] op pagina 216 van zaaksdossier 3.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarmee geschat op een bedrag van
€ 81.375,-.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Vanwege het in de strafzaak gevoerde vrijspraakverweer heeft de verdediging primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit.
Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat [verdachte 3] slechts drie maal 1.500, dus in totaal 4.500 stekken aan [verdachte 1] heeft verkocht.
Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er niet meer dan 17 leveringen van hennepstekken hebben plaatsgevonden, waarvan slechts de laatste drie keer hoeveelheden van 1.500 stuks betroffen en de 14 leveringen daarvóór steeds 500 hennepstekken per keer. In totaal zouden er dus maximaal 11.500 stekken zijn geleverd.
Wat betreft de winst per stek stelt de verdediging zich op het standpunt dat [verdachte 3] beschouwd moet worden als de eerste tussenhandelaar tussen [verdachte 1] en de stekkenkweker en dat hij de stekken betrok van de kweker voor € 1,75 en doorverkocht aan [verdachte 1] voor € 2,62, die de stek uiteindelijk verkocht aan de eindverbruiker voor € 3,50. De winst voor [verdachte 3] was dus € 0,87 per stek.
Dit zou, als het subsidiaire standpunt wat betreft de aantallen geleverde stekken wordt gevolgd, neerkomen op een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 3.915,- en, indien het meer subsidiaire standpunt wordt gevolgd, van € 10.005,-, of, indien het standpunt van de officier van justitie over zowel de periode als de aantallen wordt gevolgd, op een bedrag van € 44.370,-
3.3
Het oordeel van de rechtbank
(…)
Tussenconclusies
Op grond van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 1] vanaf zijn woonadres in hennepstekken heeft gehandeld. Op basis van de ter terechtzitting afgelegde verklaring van [verdachte 1] in combinatie met de uitgevoerde observaties kan worden vastgesteld dat de afnemers in ieder geval vanaf 1 juni 2018 (toen de observaties begonnen) bij de woning van [verdachte 1] moesten zijn voor het ophalen van de bestelde hennepstekken en dat [verdachte 2] daaraan meewerkte. Gelet op de telefoontaps tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] , en de zeer kortstondige bezoeken van [verdachte 2] aan [plaats1] die “passen” bij de inhoud van die telefoontaps, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de vrijdagmiddagritjes van [verdachte 2] naar [plaats1] werden afgelegd om aldaar hennepstekken voor [verdachte 1] op te halen. De rechtbank merkt op dat [woonplaats] , de woonplaats van [verdachte 3] , volgens ‘Google Maps’ ongeveer 15 minuten rijden met de auto van [plaats1] ligt. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte 3] “ [bijnaam verdachte 3] ” is en dat hij de leverancier van die hennepstekken was, aangezien hij in het tapgesprek van 19 september 2018 zei dat hij “vorige week, de week ervoor” (naar de rechtbank begrijpt: én de week ervoor) alles had gegeven en [verdachte 2] in die weken naar [plaats1] is gereden. [verdachte 2] zorgde er aldus voor dat de bij [verdachte 3] bestelde hennepstekken werden opgehaald en uiteindelijk bij de afnemers van [verdachte 1] terecht kwamen, waarbij de uitlevering plaatsvond bij de woning van [verdachte 1] . Uit de inhoud van de telefoontaps en sms-berichten kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat [verdachte 1] ongeveer 1500 hennepstekken per week bij [verdachte 3] bestelde. Uit de historische belgegevens van de telefoon van [verdachte 1] met het telefoonnummer van [verdachte 3] is, zeker nu er geen andere verklaring is gegeven over de aard en inhoud van deze veelvuldige contacten, naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat [verdachte 1] en [verdachte 3] in ieder geval al vanaf 15 maart 2018 iedere week op dezelfde voet zaken met elkaar deden.
(…)
Tussenconclusies
Uit de genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af, dat na de “paniekdagen” op 20 en 21 september 2018 door [verdachte 1] een nieuwe plek werd gezocht én gevonden voor de leveranties van de hennepstekken. Daar waar deze aanvankelijk iedere vrijdag door [verdachte 2] werden opgehaald in [plaats1] en werden uitgeleverd bij de woning van [verdachte 1] , vond de uitlevering van die hennepstekken, zoals valt af te leiden uit tapgesprekken en observaties, vanaf vrijdag 26 oktober 2018 wekelijks plaats vanuit een nieuwe locatie, zijnde de loods aan de [adres loods 1] te [plaats2] . Dat de afleverplek van de hennepstekken op enig moment is verplaatst naar de loods aan de [adres loods 1] te [plaats2] , werd ook door [verdachte 1] ter terechtzitting verklaard.
[verdachte 2] verdween na 21 september 2021 uit beeld voor wat betreft de handel in hennepstekken. Daar waar aanvankelijk een rol was weggelegd voor [verdachte 2] in het ophalen en vervoeren van de hennepstekken vanuit [plaats1] en de uitlevering daarvan bij de woning van [verdachte 1] , is zijn rol in het vervoer van de hennepstekken daarna overgenomen door de chauffeur van [verdachte 3] , [verdachte 5] . De hennepstekken die [verdachte 1] bij [verdachte 3] bestelde werden door [verdachte 5] telkens op vrijdag omstreeks 17.00 uur bij de loods aan de [adres loods 1] afgeleverd voordat de afnemers deze vanaf omstreeks 19.00 uur kwamen ophalen.
(…)
Het aantal verkochte stekken
Uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, die de TCI-startinformatie voor een groot deel bevestigen, valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat [verdachte 3] wekelijks 1500 hennepstekken leverde aan [verdachte 1] . In de tapgesprekken tussen hen beiden gaat het over hoeveelheden van 1500, 1650 of 1770 stekken per keer. De verklaring van [verdachte 1] dat dat “uitschieters” waren, is niet onderbouwd en komt de rechtbank niet geloofwaardig voor. De rechtbank gaat dus op basis van de beschikbare informatie uit van 1500 stekken per week, geleverd door [verdachte 3] en doorverkocht door [verdachte 1] . Over een periode van 35 weken betreft dit in totaal 52.500 hennepstekken.
(…)
De winst per stek volgens de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , die bij [verdachte 1] hennepstekken hebben gekocht, beiden hebben verklaard dat zij € 5,00 per stek betaalden. De andere leverancier van [verdachte 1] , [verdachte 6] , heeft ter terechtzitting verklaard dat [verdachte 1] aan hem € 2,25 tot € 2,50 per stek betaalde. [verdachte 6] kweekte de door hem verkochte stekken zelf en betrok die niet van een tussenhandelaar. In het dossier zijn geen bewijsmiddelen aangetroffen dat [verdachte 3] de door hem gekweekte stekken zelf kweekte. Er zal dus vanuit worden gegaan dat hij die stekken moest inkopen. Met het uitgangspunt dat van kweker tot eindverkoper iedere partij dezelfde opbrengst geniet, zou de opbrengst per tussenschakel (kweker- [verdachte 3] - [verdachte 1] ) uitgaande van een eindprijs van € 5,00 (€ 5,00 / 3 =) € 1,66 per stek bedragen.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Hoewel de rechtbank het alleszins verdedigbaar vindt om de winst per stek op dit bedrag vast te stellen, zal zij, in het voordeel van [verdachte 3] , uitgaan van het door de politie berekende bedrag van € 1,55 winst per stek(…).”
2.9.
Tot en met de gronden van het hoger beroep, ingediend bij het Hof op 13 november 2024, heeft belanghebbende ontkend de NN met telefoonnummer [telefoonnummer] uit het proces-verbaal te zijn en betrokken te zijn geweest bij de handel in hennepstekken.
2.10.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen het in 2.7 genoemde vonnis van de rechtbank Limburg in de strafzaak. In het kader van het hoger beroep is op 18 maart 2025 [getuige 3] onder ede verhoord bij de raadsheer-commissaris van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Van dit verhoor is een proces-verbaal opgemaakt, dat belanghebbende bij een nader stuk van 22 februari 2026 bij het Hof heeft ingebracht. In het proces-verbaal van dit verhoor staat onder meer het volgende:

Op de vragen van de raadsman antwoordt de getuige als volgt:
Raadsman: Kent u [belanghebbende] ?
Getuige: Heel goed. Ik koop er nu regelmatig nog honden voor. Van één hondje moeten de haren nog worden geknipt en dat doen [sic] [belanghebbende] .
Raadsman: U heeft in een brief geschreven over de gang van zaken en daar wil ik u nog vragen over stellen. U bent destijds aangemerkt als verdachte in een strafzaak met betrekking tot hennepstekkenhandel. [belanghebbende] is veroordeeld voor stekkenhandel. Nu is aan u de vraag, wat is uw rol geweest in dit gehele plaatje?
Getuige: Ik ben daar in maart 2018 mee begonnen met die stekkenhandel. Die zaak heb ik gedaan de hele tijd. Door mijn spierziekte ben ik even uit de roulatie geweest en toen heeft [belanghebbende] het vier of vijf weken overgenomen.
Raadsman: U heeft zich bij de politie destijds beroepen op uw zwijgrecht. Waarom heeft u dan toen niet verklaard?
Getuige: Ik dacht dat loopt wel met een sisser af en daarom heb ik geen verklaring afgelegd.
Raadsman: Uit het dossier volgt dat [belanghebbende] gesproken heeft met [verdachte 1] via de telefoon. Hoe verklaart u dat?
Getuige: [belanghebbende] heeft 4/5 weken het werk overgenomen en ook mijn telefoon overgenomen, vanwege mijn spierziekte. Ik heb een andere telefoon teruggekregen.
Raadsman: Wanneer heeft u die telefoon aan [belanghebbende] gegeven?
Getuige: Dat moet eind augustus 2018 zijn geweest, denk ik.
Raadsman: U zegt dat u een andere telefoon heeft teruggekregen?
Getuige: Ik heb niet mijn eigen telefoon en nummer teruggekregen. Dat moet in oktober zijn geweest. Dat moet eind augustus zijn geweest dat [belanghebbende] overnam. Ik weet het niet meer precies, het is zo lang geleden.
Raadsman: Kunt u mij iets meer vertellen over die stekken? Wanneer bent u begonnen met die stekken?
Getuige: Ik heb de telefoon overgekocht van iemand uit België daar stond het nummer van [verdachte 1] in en verder stond er niks in. Ik heb [verdachte 1] ge-smst.
Raadsman: U zegt dat u de telefoon heeft overgekocht. Wist u niet wie dat was [verdachte 1] ? Hoe moet ik dat zien?
Getuige: Die Belg wou 20 euro voor de telefoon, dat heb ik betaald en daar stonden de gegevens van [verdachte 1] in.
Raadsman: Wist u toen dat u [verdachte 1] moest benaderen voor stekken?
Getuige: Ik heb een bericht geschreven naar [verdachte 1] . Ik heb een kleine blauwe container gehuurd die op [adres1] te [plaats1] stond. Daar stond een geldkistje in. Daar lag een sleutel in. De eerste keer lag er buiten onder een steen de sleutel van de container, zodat degene die de stekken op moest halen er in kon voor [verdachte 1] .
Raadsman: Wie bracht die stekken dan naar de container toe?
Getuige: Meestal ikzelf.
Raadsman: U zegt vanaf augustus/september heb ik het overgedragen naar [belanghebbende] ?
Getuige: Toen ik ziek werkt, heeft hij 4/5 weken het voor mij bemiddeld.
Raadsman: Waarom heeft u het voor 4/5 weken overgedragen?
Getuige: Vanwege mijn spierziekte.
Raadsman: Waarom heeft [belanghebbende] dat zo maar gedaan voor u?
Getuige: Bij [belanghebbende] ben ik twee keer geweest, want hij wou het eigenlijk niet doen. Later heeft hij toegezegd dat hij het tijdelijk voor mij wilde doen.
Raadsman: Wat verdiende u zelf op deze stekken?
Getuige: 50 cent per stek.
Raadsman: In de periode dat [belanghebbende] dat voor u deed?
Getuige: Hij verdiende ook 50 cent per stek.
Raadsman: Tot wanneer heeft [belanghebbende] dat gedaan?
Getuige: Ik dacht vanaf eind augustus tot begin oktober. Ik weet het niet precies meer. Het was maar een week of 4/5. Daarna was ik weer in staat om goed te lopen.
Raadsheer-commissaris: Waarom heeft u niet gedacht ‘ik laat het even zitten’ die weken.
Getuige: Ik wilde mijn klant niet verliezen.
Raadsman: Wist die andere partij, [verdachte 1] , dat u het had overgedragen aan [belanghebbende] ?
Getuige: Het is allemaal per sms gegaan. Zij hebben elkaar ergens een keer getroffen, waar weet ik niet. Ik kan het allemaal niet meer onthouden. Ik heb het wel gelezen, maar ik wist er niks van.
Raadsman: Toen u de andere telefoon weer terugkreeg, was het dan niet raar voor [verdachte 1] dat u dat ging doen?
Getuige: Nee, want ik had altijd contact met [verdachte 1] . Ik ben toen met [belanghebbende] naar de loods geweest zonder stekken en ik heb daar [verdachte 1] voor het eerst gezien. Daar is ter sprake gekomen dat ik het zelf weer het overnam van [verdachte 1] .
Raadsman: Wat bedoelt u met die loods daar?
Getuige: In ieder geval ergens in Limburg, ik denk [plaats2] .
Raadsheer-commissaris: Waarom kreeg u uw werktelefoon niet terug?
Getuige: Dat weet ik niet, ik kreeg een andere. Ik heb het niet gevraagd aan [belanghebbende] waarom ik een andere telefoon kreeg.
Raadsman: Waarom komt u daar nu pas mee aanzetten?
Getuige: Ik wil niet dat [belanghebbende] wordt gestraft voor wat ik gedaan heb.
Raadsman: U begrijpt toch wel dat [belanghebbende] evengoed straf zal krijgen, al is het voor een kleiner gedeelte.
Getuige: Dat weet ik niet, ik ben geen rechter.
Raadsman: Die telefoon wat u terugkreeg, stond daar ook het telefoonnummer in van [belanghebbende] ?
Getuige: Ja, alleen het telefoonnummer van [belanghebbende] . Dat was een werktelefoon.
Op de vragen van de advocaat-generaal antwoordt de getuige als volgt:
Advocaat-generaal: Waarom moest u dan de telefoon doorgeven aan [belanghebbende] ?
Getuige: Omdat [belanghebbende] het tijdelijk ging overnemen, omdat ik niet kon lopen.
Advocaat-generaal: Waarom gaf u niet alleen het nummer?
Getuige: Het was een werktelefoon.
Advocaat-generaal: Criminele telefoon?
Getuige: Bijvoorbeeld.
Advocaat-generaal: Hoeveel heeft u verdiend aan de stekken?
Getuige: Het verschilde wat ik er aan verdiende, want het was steeds een ander aantal stekken.
Advocaat-generaal: Hoe weet u zo zeker dat [belanghebbende] er na een paar weken mee stopte?
Getuige: Dat weet ik niet zeker, maar toen ik het zelf weer kon heb ik het overgenomen. Ik kan me niet voorstellen dat hij er zelf mee is doorgegaan.
Advocaat-generaal: Heeft u hem nog gezien toen u alles overdroeg?
Getuige: Ik heb hem daarna nog gezien. Ik zie hem nog steeds. Ik heb goede contacten met hem.
Advocaat-generaal: De raadsheer-commissaris heeft u al verteld dat als u hier zit te liegen, dat u een probleem heeft. U komt hier wel laat mee.
Getuige: Daar heeft u gelijk in. Het is de waarheid.
Advocaat-generaal: Hoeveel heeft [belanghebbende] er aan verdiend?
Getuige: Dat weet ik niet, ik ben er niet bij geweest.
Advocaat-generaal: Weet u of [belanghebbende] daarna aan anderen stekken heeft verkocht.
Getuige: Dat weet ik niet. Volgens mij zit [belanghebbende] helemaal niet in die handel.
Advocaat-generaal: Heeft u met [belanghebbende] gesproken over dat u hier moet getuigen vandaag?
Getuige: Dat weet hij ja. Ik heb niks met besproken. Ik vertel de waarheid. Hij heeft mij niet verteld wat ik hier moet gaan zeggen vandaag.
Raadsheer-commissaris: Hoe kwam u aan die stekken?
Getuige: Die kon je overal kopen toentertijd.
Raadsheer-commissaris: Waar kocht u die stekken?
Getuige: Die namen vertel ik niet.
Raadsheer-commissaris: Wat deed u nou waardoor die stekken 50 cent meer waard waren? Waarom zou [verdachte 1] die stekken niet gewoon kopen voor 50 cent minder als je ze overal kan krijgen?
Getuige: Dat moet je aan [verdachte 1] vragen niet aan mij. Ik kwam ze ophalen in dozen en ik bracht ze naar een container en daar werden ze door [verdachte 1] opgehaald of door iemand voor [verdachte 1] .
Raadsman: U deed dus de tussenhandel? U kweekte niet zelfde stekken?
Getuige: Ik kweekte niet en stekte ook niet zelf.
Raadsman: U zegt dat u de stekken heeft opgehaald in dozen en dat u ze naar een container heeft gebracht in [plaats1] . Heeft u die dozen ook ergens anders naar toe gebracht?
Getuige: Ik ben zelf een aantal keren bij die loods in Limburg geweest met stekken.
Raadsman: Deed u dat voor u zelf of voor [belanghebbende] ?
Getuige: Voor mezelf.
Advocaat-generaal: Begrijp ik het goed dat [belanghebbende] het van u overnam omdat u een spierziekte had?
Getuige: Klopt.
Advocaat-generaal: Kan het zijn dat hij het langer dan die 4/5 weken heeft overgenomen, omdat die spierziekte niet weggaat?
Getuige: Nee. Ik weet wanneer ik de telefoon heb overgedragen en wanneer ik het zelf weer heb overgenomen.”

3.Geschil

In geschil is of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan en of de bewijslast met betrekking tot de opbrengsten uit de handel in hennepstekken dient te worden omgekeerd en verzwaard. Als de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, is in geschil of belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld, dan wel of de Inspecteur de aanslagen heeft gebaseerd op een redelijke schatting.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep in het nader stuk en ter zitting toegegeven dat hij de NN met telefoonnummer [telefoonnummer] uit het door de politie opgestelde proces-verbaal is en betrokken was bij de handel in hennepstekken. Hij heeft gesteld dat hij in de periode eind augustus tot en met september 2018 heeft bemiddeld bij de verkoop van in totaal 5.190 stekken (1.770 op 7 september 2018, 1.770 op 14 september 2018 en 1.650 op 21 september 2018) en dat hij daarvoor € 0,50 per stek heeft verkregen. Belanghebbende heeft verder gesteld dat hij in dat verband € 29 aan kosten heeft gemaakt en dat de extra IB/PVV (door hem berekend op € 1.186) verschuldigd over het saldo van kosten en opbrengsten (€ 2.566) niet maakt dat door hem niet de vereiste aangifte zou zijn gedaan. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende betrokken is geweest bij de verkoop van meer dan 5.190 stekken en dat hij per stek meer heeft verdiend dan € 0,50, maar dat, zelfs indien wordt uitgegaan van de door belanghebbende gehanteerde cijfers, door belanghebbende niet de vereiste aangifte is gedaan.
4.2.
In het kader van de beoordeling van de vraag of de vereiste aangifte is gedaan, wijst het Hof erop dat in het aangehaalde ontnemingsvonnis van de rechtbank Limburg namens belanghebbende subsidiair – voor zover de rechtbank Limburg zou oordelen dat verdachte schuldig is aan overtreding van de Opiumwet – heeft gesteld dat hij € 0,87 per stek heeft verdiend. Het Hof acht het aannemelijk dat belanghebbende minimaal dit bedrag per stek heeft verdiend. Weliswaar heeft [getuige 3] verklaard dat belanghebbende € 0,50 per stek heeft verdiend, maar dezelfde getuige heeft ook verklaard dat hij niet weet hoeveel belanghebbende heeft verdiend, omdat hij er niet bij is geweest. Het Hof hecht met betrekking tot de minimale opbrengst per stek meer geloof aan de eigen, eerdere verklaring die namens belanghebbende is afgelegd bij de rechtbank Limburg. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof in de onderhavige zaak uitdrukkelijk erkend dat voor het geval van een opbrengst van € 0,87 per stek wordt uitgegaan, de volgens de aangifte verschuldigde belasting, zowel met betrekking tot de IB/PVV als met betrekking tot de Zvw, op zichzelf beschouwd en verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat ook inkomsten uit illegale activiteiten moeten worden aangegeven. Belanghebbende moet zich dan ook, ten tijde van het doen van de aangifte, ervan bewust zijn geweest dat door het niet aangeven van deze inkomsten een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, te meer nu belanghebbende enkele duizenden euro’s heeft verdiend met zijn activiteiten en werd betaald door degene aan wie hij de stekken leverde. Belanghebbende kon daarom niet menen dat, zoals hij stelt, sprake was van een onbelaste vergoeding voor het verlenen van een vriendendienst aan [getuige 3] . Het Hof concludeert dat niet de vereiste aangifte is gedaan.
4.3.
Indien, zoals in het onderhavige geval, met betrekking tot de aanslagen de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, geldt als uitgangspunt dat de berekening van die aanslagen redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een belastingaanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. Naar het oordeel van het Hof zijn de aanslagen van de Inspecteur gebaseerd op een redelijke schatting van het resultaat dat belanghebbende in 2018 met zijn betrokkenheid bij de handel in hennepstekken heeft behaald. Belanghebbende heeft geen enkele administratie met betrekking tot deze inkomsten bijgehouden. Blijkens een verslag van een hoorgesprek op 10 oktober 2019, vastgelegd in een brief van de Inspecteur aan belanghebbende met dezelfde datum, heeft belanghebbende in het bijzijn van zijn gemachtigde niet of slechts zeer summier vragen van de Inspecteur beantwoord. Onder deze omstandigheden is het niet onredelijk dat de Inspecteur bij het vaststellen van de hoogte van aanslagen aansluit bij het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dat is vastgelegd in een door de politie opgesteld proces-verbaal en later is bevestigd door de rechtbank Limburg.
4.4.
Belanghebbende dient vervolgens overtuigend aan te tonen dat de aanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daar niet in geslaagd. Belanghebbende heeft niet overtuigend aangetoond dat hij alleen betrokken is geweest bij de verkoop van 5.190 hennepstekken en dat hij slechts € 0,50 per stek aan opbrengst heeft genoten. De onder ede afgelegde verklaringen van [getuige 3] kunnen aan dit oordeel niet afdoen, om de redenen zoals hiervoor uiteengezet door het Hof. Daarnaast bevat het proces-verbaal van de politie voldoende aanwijzingen dat belanghebbende niet alleen in de periode eind augustus tot en met september 2018 bij de handel in hennepstekken betrokken is geweest. De € 29 aan autokosten, die door de Inspecteur niet zijn betwist, maken ten slotte ook niet dat belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
4.5.
De omstandigheid dat belanghebbende hoger beroep heeft aangetekend tegen het strafvonnis en dat de mogelijkheid bestaat dat belanghebbende in hoger beroep (gedeeltelijk) wordt vrijgesproken, dan wel dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verlaagd of wordt teruggebracht tot nihil, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof acht het op grond van eigen verklaringen van belanghebbende aannemelijk dat belanghebbende betrokken is geweest bij de handel in minimaal 5.190 hennepstekken. Zulks is tussen partijen ook niet in geschil. Het Hof acht het verder op grond van een standpunt dat voor de rechtbank Limburg in de strafzaak is ingenomen namens belanghebbende, aannemelijk dat belanghebbende minimaal € 0,87 per stek met deze betrokkenheid heeft verdiend. Met dit laatste oordeel, is tussen partijen niet langer in geschil dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat daarom de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. Daarmee wijkt het bewijskader in de onderhavige fiscaalrechtelijke zaken aanzienlijk af van het strafrechtelijk bewijskader, waarin het Openbaar Ministerie de strafbare feiten – vertaald naar een fiscaalrechtelijke bewijsmaatstaf – overtuigend moet aantonen. [3] De bewijsmaatstaf in deze zaak is echter of aannemelijk is – en derhalve niet of overtuigend is aangetoond – dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat de aanslagen zijn gebaseerd op een redelijke schatting en of belanghebbende – en derhalve niet het Openbaar Ministerie of de Inspecteur – overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
4.6.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6.
Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. E. Bongers en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In zijn plaats tekent mr. R.R. van der Heide.
De griffier, Namens de voorzitter,
(J.H. Riethorst) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

3.Zie Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, overweging 3.2.