Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde1]
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
- de akte na tussenarrest van Dexia
- de antwoordakte na tussenarrest van de afnemer
- de antwoordakte van Dexia.
2.De verdere beoordeling door het hof
Gebondenheid aan Duisenbergregeling
‘Acceptatie van de Vaststellingsovereenkomst Duisenberg-Regeling’(hierna: het acceptatieformulier) met daarop een handtekening bij de naam van [geïntimeerde1] en de datum 15 februari 2006 en een handtekening van de voorzitter van de Raad van Bestuur van Dexia. Het hof heeft in het tussenarrest vastgesteld dat op dat document een handtekening staat bij de naam [geïntimeerde1] , maar niet bij
‘naam (ex-)echtgeno(…)e (…)’terwijl de echtgenote [geïntimeerde2] partij is bij de effectenleaseovereenkomst. Bij het tussenarrest heeft het hof Dexia in de gelegenheid gesteld haar stelling dat een vaststellingsovereenkomst is gesloten met de afnemer nader te onderbouwen.
“Voor een snelle financiële afwikkeling dient u het formulier zo spoedig mogelijk aan Dexia terug te sturen. Doch uiterlijk op 1 februari 2006.”Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het voor het hof niet duidelijk dat en zo ja welk (rechts)gevolg de toezending na de genoemde datum van 1 februari 2006 volgens de afnemer heeft voor de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en de gebondenheid van de afnemer aan die overeenkomst. De afnemer heeft ook niet of niet voldoende duidelijk en gemotiveerd gesteld dat bij toezending aan Dexia na 1 februari 2006 geen sprake zou zijn van een rechtsgeldige overeenkomst. Daarbij merkt het hof op dat, bij gebreke van nadere toelichting en onderbouwing, uit de geciteerde zinsnede uit die overeenkomst ook niet kan worden afgeleid dat bij toezending na 1 februari 2006 van een rechtsgeldige overeenkomst geen sprake zou zijn.
Geen vergoeding vanwege “geen regeling”. De afnemer heeft betoogd dat hij nooit een korting op zijn restschuld heeft ontvangen op grond van de Duisenbergregeling. Dexia heeft in reactie hierop erkend dat de afnemer om onbekende redenen bij de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst geen korting op zijn restschuld heeft ontvangen. Kennelijk is per abuis op het overzicht van Dexia van 2 maart 2006 vermeld dat tussen partijen geen regeling is gesloten en de vergoeding op grond van de Duisenbergregeling € 0,00 bedraagt. Dexia heeft toegezegd dat de afnemer de korting op zijn restschuld waarop hij op grond van de Duisenbergregeling recht heeft alsnog zal ontvangen. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft de afnemer niet betwist dat het door Dexia overgelegde document de tussen hem en Dexia gesloten vaststellingsovereenkomst betreft die door hem op 15 februari 2006 is ondertekend. De omstandigheid dat (nog) geen uitvoering is gegeven aan deze vaststellingsovereenkomst, maakt niet dat de afnemer daaraan niet gebonden is. Het hof ziet ook voor het overige onvoldoende grond om aan te nemen dat de afnemer niet langer aan die overeenkomst gebonden zou zijn. Het hof concludeert dat de afnemer, zoals Dexia stelt, met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst inzake de Duisenbergregeling finale kwijting heeft verleend aan Dexia met betrekking tot zijn eventuele vorderingen in verband met de effectenleaseovereenkomst. De vaststelling van de kantonrechter dat de afnemer niet met de Duisenbergregeling heeft ingestemd en tijdig een opt-out-verklaring heeft ingediend, is in hoger beroep door Dexia voldoende duidelijk bestreden. Het hof stelt vast dat niet gebleken is dat de afnemer zich na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tijdig door middel van een opt-out aan de Duisenbergregeling heeft onttrokken.