Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2458

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.349.913/01 en 200.349.916/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:857 BWArt. 7:858 lid 1 BWArt. 7:404 BWArt. 7:707 lid 2 BWArt. 7A:1680 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid particuliere borgstelling en aansprakelijkheid advocaat voor beroepsfout

Deze civiele zaak betreft een geschil over de geldigheid van een particuliere borgstelling en de aansprakelijkheid van een advocatenmaatschap voor een beroepsfout. Een moeder verkocht haar aandelen in een BV aan de holding van haar zoon, waarbij de koper verplicht werd levenslange periodieke betalingen te doen. De zoon stelde zich borg voor deze betalingen, maar de borgtocht bevatte geen maximumbedrag.

De rechtbank oordeelde dat de borgtocht nietig was wegens het ontbreken van een maximumbedrag en stelde de advocatenmaatschap aansprakelijk voor de schade door een beroepsfout. Het hof bekrachtigde dit oordeel voor zover het de nietigheid van de borgtocht betreft en vernietigde het vonnis deels met betrekking tot de aansprakelijkheid van de advocatenmaatschap, waarbij het hof de schadevergoeding nader begrootte.

Het hof verwierp het verweer dat de borgtocht een zakelijke borgtocht was en bevestigde dat het een particuliere borgtocht betrof, die op grond van artikel 7:858 lid 1 BW Pro nietig is zonder maximumbedrag. De advocatenmaatschap had een beroepsfout gemaakt door geen maximum te verbinden aan de borgtocht, waardoor zij aansprakelijk is voor de schade. De schadevergoeding werd gemaximeerd op het verzekerde bedrag van €1.500.000. De vordering tot betaling van wettelijke rente werd eveneens toegewezen.

Het hof oordeelde dat de moeder voldoende pogingen had gedaan om verhaal te zoeken op de hoofdschuldenaar en dat de vordering tegen de advocatenmaatschap terecht was ingesteld. De kosten van het hoger beroep werden verdeeld, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De particuliere borgtocht is nietig en de advocatenmaatschap is aansprakelijk voor de schade tot maximaal €1.500.000.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.349.913/01 en 200.349.916/01
zaaknummers rechtbank Overijssel 308938 en 308938
arrest van 21 april 2026
in de gevoegde zaken van:
(zaaknummer 200.349.913/01, hierna:
zaak 1)
[naam1] B.V. ( [naam1] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. P.F. Schepel
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. C.P.B. Kroep
en van:
(zaaknummer: 200.349.916/01, hierna:
zaak 2)

1.1. De maatschap [appellant1]

die is gevestigd in [woonplaats2]

2. [appellant2] (mr. [appellant2] )

die woont in [woonplaats3]
3. [appellant3] (mr. [appellant3] )4. [naam5] BV
die woont in [woonplaats3]
hierna gezamenlijk:
[appellanten]
advocaat: mr. P. Wanders
en
[naam1] B.V. ( [naam1] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. P.F. Schepel

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep in zaak 1 en zaak 2

Zowel [naam1] als [appellanten] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, (hierna: de rechtbank) op
9 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt in
zaak 1uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 februari 2026 is gehouden in beide gevoegde zaken
Het verloop van het hoger beroep in
zaak 2blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
• een akte van [naam1] van 24 juni 2025
• een akte van [appellanten] van 17 februari 2026
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 februari 2026 is gehouden in beide gevoegde zaken.

2.De kern van beide zaken

2.1
Deze zaken gaan over een moeder die haar aandelen in [naam2] BV voor € 1,- heeft verkocht aan [naam3] BV ( [naam3] ), de holding van haar zoon [geïntimeerde] . Dit onder de verplichting voor [naam3] om levenslange periodieke betalingen aan [naam1] te doen. [naam3] is die verplichting na enige tijd niet meer nagekomen.
2.2
[naam1] heeft [geïntimeerde] op grond van een door hem afgegeven borgtocht aangesproken om de resterende periodieke betalingen te voldoen. [geïntimeerde] heeft zich op nietigheid van de borgtocht beroepen omdat aan de borgtocht geen maximum was verbonden.
2.3
[naam1] heeft zich op het standpunt gesteld dat mr. [appellant2] , die de koopovereenkomst heeft opgesteld, een beroepsfout heeft gemaakt als de borgtocht nietig is. Om die reden heeft ze ook de advocatenmaatschap [appellanten] en haar maten in rechte betrokken en hen aangesproken tot schadevergoeding wegens een toerekenbare tekortkoming.

3.De feiten

3.1
Mevrouw [naam4] is bestuurder van [naam1] . [naam1] was voor 95% eigenaar van [naam2] BV, moedermaatschappij van een groep ondernemingen. [geïntimeerde] hield via zijn vennootschap [naam3] de resterende 5% aandelen in [naam2] . [geïntimeerde] was werkzaam in [naam2] en sinds 2012 (indirect via [naam3] ) medebestuurder.
3.2
Op 19 januari 2018 verkocht [naam1] haar aandelen in [naam2] BV tegen een koopprijs van € 1,- aan [naam3] . In de koopovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
Artikel 4: VOORWAARDEN Pro(…)
10. De kunst (met een boekwaarde van € 309.049,71) die in de onroerende zaken gelegen aan de [adres1] te [plaats] en de [adres2] te [plaats] aanwezig is en in eigendom toebehoort aan de Vennootschap, wordt per 19 januari 2018 eigendom van verkoper. Als bijlage 5 is een taxatierapport van de kunst van 13 juli 2011 aan deze overeenkomst gehecht.
(…)
12. Koper dan wel een andere door haar aan te wijzen juridische entiteit zal vanaf januari
2018 tot en met december 2019, dan wel tot het moment dat mevrouw [naam4]
is komen te overlijden, iedere maand € 8.000,00 exclusief btw aan [naam1] betalen.
Vanaf januari 2020 tot en met december 2028, dan wel tot het moment dat mevrouw
[naam4] is komen te overlijden, zal een bedrag van € 7.000,00 exclusief btw per
maand worden betaald aan [naam1] B.V. Vanaf januari 2029 tot het moment dat
mevrouw [naam4] komt te overlijden zal er een bedrag van € 5.000,00 exclusief
btw per maand aan [naam1] B.V, worden uitbetaald. De betalingswijze is als volgt. Het
maandelijkse verschuldigde bedrag zal worden overgemaakt op bankrekeningnummer:
(…) ten name van: [naam1] B.V., onder vermelding van:
'Managementfee conform overeenkomst'.
13. Indien en voor zover koper niet aan haar verplichtingen voortvloeiend uit lid 10 van dit
artikel op enig moment slechts gedeeltelijk of in het geheel niet kan voldoen, dan zal de
heer [geïntimeerde] in privé, na schriftelijk verzoek daartoe van mevrouw [naam4] ,
de resterende verplichtingen overnemen. Deze bepaling betreft een borgstelling van de
heer [geïntimeerde] . De echtgenote van de heer [geïntimeerde] heeft de ex artikel 1:88 BW Pro
benodigde toestemming voor deze borgstelling gegeven, blijkens haar handtekening
onder deze overeenkomst.”
3.3
De koopovereenkomst is opgesteld door mr. [appellant2] , advocaat en maat van [appellant1] . [appellant3] en [naam5] BV zijn eveneens maten van [appellant1] .
3.4
De in artikel 4.12 genoemde periodieke betalingen zijn geruime tijd voldaan, niet door [naam3] , maar door twee andere vennootschappen van [geïntimeerde] , namelijk ROC en Synvolution. In totaal is door hen € 294.121,50 aan [naam1] betaald. Na december 2020 zijn de betalingen gestaakt.
3.5
[naam1] heeft in kort geding onder meer betaling van een bedrag van
€ 100.000 van [naam3] gevorderd als voorschot op de door [naam3] verschuldigde bedragen. Deze vordering is op 31 januari 2013 door de voorzieningenrechter toegewezen. De vorderingen van [naam1] op grond van borgtocht jegens [geïntimeerde] zijn in dat kort geding afgewezen. [naam3] heeft niet aan het kort geding vonnis voldaan.

4.De vorderingen van [naam1] en de beslissing van de rechtbank

4.1
[naam1] heeft gevorderd [geïntimeerde] en/of [appellant1] voor het geheel en de maten ieder voor een derde deel te veroordelen tot het betalen van de in de koopovereenkomst vermelde periodieke betalingen, vermeerderd met rente en kosten.
4.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat de borgtocht nietig is en dat [appellanten] daarvoor aansprakelijk is. De vordering van [naam1] tegen [geïntimeerde] is afgewezen. De vordering van [naam1] tegen [appellanten] is toegewezen, met dien verstande dat de veroordeling is gemaximeerd op een bedrag van € 1.500.000 omdat de aansprakelijkheid van [appellanten] tot dit verzekerde bedrag is beperkt.

5.De toelichting op de beslissing van het hof

Wijziging van eis
5.1
Zowel [naam1] als [appellanten] zijn van het vonnis van de rechtbank in beroep gekomen. De bedoeling van het hoger beroep van [naam1] in zaak 1 is dat [geïntimeerde] alsnog wordt veroordeeld in het geval het hof oordeelt dat de borgtocht geldig is. De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] in zaak 2 is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. [naam1] heeft in zaak 2 haar eis tijdig gewijzigd, namelijk bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep. [appellanten] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis van [naam1] .
5.2
Het hof zal oordelen dat het vonnis wat zaak 1 betreft moet worden bekrachtigd en wat zaak 2 betreft gedeeltelijk moet worden vernietigd. Het hof zal zijn oordeel hierna toelichten en de grieven daarbij thematisch bespreken.
In zaak 1Uitleg van de overeenkomst
5.3
[naam1] heeft aangevoerd dat [naam2] de moedermaatschappij van een vijftal goedlopende, door [naam4] opgerichte vennootschappen was. Voor de overdracht aan [naam3] had een private equity-partij interesse in overname getoond. Daarbij is volgens [naam1] gesproken over een koopprijs van minimaal € 1.2 miljoen.
[naam1] heeft de aandelen in [naam2] aan [naam3] overgedragen tegen een koopsom van één euro en de verplichting voor [naam3] om maandelijks een periodieke vergoeding aan [naam1] te betalen zolang [naam4] leeft. Met die betalingen kon [naam1] in haar pensioenverplichtingen jegens [naam4] voorzien.
5.4
[geïntimeerde] heeft betwist dat het doen van periodieke betalingen een voorwaarde voor de overdracht van de aandelen was. Hij heeft gesteld dat de waarde van de aandelen niet meer dan één euro was en dat de periodieke betalingen niet bedoeld waren als een pensioenvoorziening voor zijn moeder, maar dat het managementvergoedingen waren. In de overeenkomst staat ook ‘management fee’. Vanwege de moeder-zoonrelatie heeft [geïntimeerde] toegezegd dat zijn moeder managementwerkzaamheden voor [naam3] of gelieerde vennootschappen zou mogen verrichten, zodat zij zich verzekerd zou weten van inkomsten. De vergoeding zou in de loop der tijd wel minder worden, omdat zij al bijna de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt en naar verwachting minder toegevoegde waarde zou leveren en ook minder nodig zou hebben naarmate zij ouder zou worden.
5.5
Het hof verwerpt dit verweer van [geïntimeerde] . Dat het zou gaan om een managementvergoeding, strookt niet met het feit dat [naam3] zich bij de overname van de aandelen heeft verplicht uitkeringen aan [naam1] te doen
zolang[naam4]
leeft. Het ligt immers niet voor de hand dat zij tot op hoge leeftijd, zelfs tot aan haar dood, managementwerkzaamheden zou blijven verrichten. Dat lag ook helemaal niet in de rede. [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat zijn moeder hem voor de voeten liep en dat hij ‘vrij’ wilde zijn. Dat was de opzet: dat hij de onderneming alleen kon voortzetten. Het staat ook vast dat [naam4] na de overdracht van de aandelen in het geheel geen managementwerkzaamheden meer heeft verricht. Zij heeft verklaard dat haar e-mailaccount onmiddellijk na de overdracht van de aandelen werd afgesloten. [geïntimeerde] heeft dat niet weersproken. Ondanks het feit dat [naam4] geen werkzaamheden verrichte, is door de vennootschappen van [geïntimeerde] geruime tijd wel uitvoering gegeven aan de overeenkomst. Het hof is dan ook van oordeel dat de periodieke betalingen weldegelijk bedoeld waren om in het pensioen van [naam4] te voorzien.
5.6
[geïntimeerde] heeft voorts betwist dat hij zich borg heeft gesteld voor de betaling van de periodieke vergoedingen. Hij wijst erop dat artikel 4.13 van de koopovereenkomst niet verwijst naar artikel 4.12, maar naar artikel 4.10, dat over kunst gaat.
5.7
Het hof verwerpt ook dat verweer. Uit de overgelegde stukken volgt genoegzaam dat sprake is van een kennelijke verschrijving doordat in het aanvankelijke concept van de overeenkomst wijzigingen zijn aangebracht, waardoor de nummering van de artikelleden is gewijzigd. Daarbij is verzuimd de verwijzing naar het juiste artikellid aan te passen. Dat het de bedoeling van partijen was dat [geïntimeerde] persoonlijk garant stond voor de periodieke betalingen, wordt ook bevestigd door de verklaringen van de zus en de toenmalige echtgenote van [geïntimeerde] .
In beide zakenDe aard van de borgtocht
5.8
Partijen twisten over de vraag of de borgtocht kwalificeert als een zakelijke borgtocht, zoals [appellanten] bepleit en [naam1] eveneens, in zaak 1, of dat het gaat om een particuliere borgtocht, zoals [geïntimeerde] verdedigt.
5.9
Artikel 7:857 BW Pro geeft een definitie van een particuliere borgtocht:
“…borgtochten die zijn aangegaan door een natuurlijk persoon die noch handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, noch ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen heeft.”
5.1
[appellanten] heeft erop gewezen dat het deelnemen in andere ondernemingen en vennootschappen tot de statutaire doelstelling van [naam3] behoort en dat het kopen van aandelen dus tot de normale uitoefening van het bedrijf van [naam3] behoort. Om die reden kwalificeert de borgtocht als een zakelijke, aldus [appellanten] .
5.11
[naam1] heeft in zaak 1 jegens [geïntimeerde] eenzelfde standpunt ingenomen.
5.12
Het hof stelt voorop dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat voor het antwoord op de vraag of een borgtocht zakelijk is of niet, bepalend is of de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt verstrekt,
zelfbehoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van een bedrijf plegen te worden verricht. [1] Alle omstandigheden van het geval moeten daarbij in aanmerking worden genomen.
5.13
De rechtshandeling waarvoor [geïntimeerde] zekerheid stelde, was niet het betalen van de koopprijs van € 1,- maar het betalen van periodieke, maandelijkse betalingen aan [naam1] , zolang [naam4] leefde, opdat daarmee in het pensioen van [naam4] kon worden voorzien. Het aangaan van een dergelijke verplichting is niet een rechtshandeling die tot de normale bedrijfsuitoefening van de holdingvennootschap [naam3] kan worden gerekend, maar past juist wel in - en vloeide ook voort uit - de bestaande familieverhoudingen.
5.14
De borgtocht kwalificeert naar het oordeel van het hof daarom als een persoonlijke borgtocht en niet als een zakelijke. [2] De borgtocht is nietig
5.15
Alle drie de partijen zijn het erover eens dat aan de borgtocht geen maximum is verbonden en dat een particuliere borgtocht waaraan een maximum ontbreekt op grond van artikel 7:858 lid 1 BW Pro, nietig is. De borgtocht is dus nietig.
In zaak 1[geïntimeerde] komt een beroep op die nietigheid toe
5.16
[naam1] heeft in haar tweede grief aangevoerd dat [geïntimeerde] misbruik van recht maakt door een beroep te doen op het ontbreken van een maximum, omdat het hiervoor genoemde artikel niet voor die situatie zou zijn geschreven. [naam1] heeft echter niet toegelicht waarom dat het geval zou zijn. De wetgever heeft op het ontbreken van een maximum de zware sanctie van nietigheid gesteld. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom [geïntimeerde] misbruik van recht zou maken door zich op die nietigheid te beroepen. [naam1] heeft ermee volstaan te verwijzen naar een passage uit een processtuk van [appellanten] in zaak 2, die zij als productie in het geding heeft gebracht. Een enkele verwijzing naar de inhoud van een productie, zonder in de eigen processtukken een toelichting op de grief te geven, volstaat echter niet. Het hof verwerpt de grief. [3]
5.17
Nu de grieven van [naam1] in zaak 1 falen, zal het vonnis van de rechtbank, voor zover gewezen tussen [naam1] en [geïntimeerde] , worden bekrachtigd.
In zaak 2Toerekenbare tekortkoming
5.18
[appellanten] heeft benadrukt dat de overeenkomst van dienstverlening is aangegaan tussen [naam1] en [appellant1] en niet tussen [naam1] en mr. [appellant2] . [naam1] heeft dat niet betwist.
5.19
Tussen [appellanten] en [naam1] staat vast dat mr. [appellant2] geen maximum aan de borgtocht heeft verbonden. Dat betekent dat hij een beroepsfout heeft gemaakt. Daarmee is sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. [appellanten] is aansprakelijk voor de schade die [naam1] als gevolg hiervan lijdt.
5.2
[appellanten] heeft erop gewezen dat in artikel 5 van Pro de overeengekomen Algemene Voorwaarden de toepasselijkheid van de artikelen 7:404 en 7:707 lid 2 BW is uitgesloten. [naam1] heeft dat niet weersproken. Dat betekent dat de afzonderlijke maten niet hoofdelijk kunnen worden aangesproken voor de schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming. Wel zijn de afzonderlijke maten op grond van artikel 7A:1680 BW ieder voor een gelijk deel – in dit geval 1/3 – aansprakelijk voor de schuld van de maatschap. [4] Geen onrechtmatige daad
5.21
[naam1] heeft haar eis in hoger beroep in haar memorie van antwoord, tevens grieven in incidenteel appel, vermeerderd in die zin dat zij mr. [appellant2] wegens de door hem begane beroepsfout ook aansprakelijk houdt uit hoofde van een onrechtmatige daad.
[naam1] heeft echter niet gesteld, laat staan toegelicht, dat het handelen van mr. [appellant2] , niet alleen een schending van de contractuele verplichting van [appellanten] oplevert, maar onafhankelijk van de overeenkomst ook een onrechtmatige daad van mr. [appellant2] inhoudt [5] . Daarop stuit dit onderdeel van haar vordering af. [6] Geen verhaal op hoofdschuldenaar [naam3]
5.22
[appellanten] heeft betoogd dat niet gebleken is dat [naam1] geen verhaal kon zoeken op [naam3] , de hoofdschuldenaar. Zij verwijt [naam1] dat ze niet eerder een kort geding tegen [naam3] is begonnen en dat ze [naam3] niet in deze procedure heeft betrokken.
5.23
Het hof is van oordeel dat [naam1] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar vordering niet kan verhalen op [naam3] . [naam4] heeft ter zitting verklaard – en [appellanten] heeft niet betwist – dat zij, nadat de periodieke betalingen waren gestaakt, was aangewezen op enkel een AOW-uitkering. Pas nadat zij door hulp van een vriend de beschikking kreeg over de benodigde middelen om te kunnen procederen, heeft zij namens [naam1] een kort geding aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter heeft de vordering tegen [naam3] toegewezen, maar [naam1] heeft het toegewezen bedrag van € 100.000 niet kunnen verhalen op [naam3] , ondanks een gelegd beslag. De advocaat van [naam1] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij geen andere verhaalsmogelijkheden heeft kunnen ontdekken.
Nu [naam1] voor een bedrag van € 100.000 al geen verhaal heeft kunnen vinden, is niet aannemelijk dat zij wel verhaal bij [naam3] zou kunnen vinden voor de veel grotere bedragen die aan haar verschuldigd zijn.
5.24
[appellanten] heeft verder betoogd dat [naam1] de druk had moeten opvoeren door het faillissement van [naam3] aan te vragen. Een dergelijke actie had de nodige kosten voor [naam1] met zich gebracht, terwijl daarvan in de gegeven omstandigheden – het gebrek aan verhaalsmogelijkheden – geen resultaat te verwachten was.
5.25
[appellanten] heeft verder nog gesteld dat [naam1] van [naam3] had kunnen verlangen dat zij ervoor zou zorgen dat [geïntimeerde] een nieuwe, geldige borgstelling zou afgeven. Gezien de verstoorde verhouding tussen [geïntimeerde] en [naam4] is het niet realistisch te verwachten dat [geïntimeerde] daaraan zijn medewerking zou hebben verleend.
5.26
Het hof is, mede gezien de toelichting door de advocaat van [naam1] ter zitting, van oordeel dat [naam1] voldoende pogingen heeft ondernomen om verhaal te zoeken op [naam3] . Dat [naam1] niet [naam3] , maar alleen [geïntimeerde] als borg en [appellanten] wegens de beroepsfout in rechte heeft betrokken, valt naar het oordeel van het hof dan ook te billijken. [7]
5.27
In haar derde grief heeft [appellanten] het standpunt ingenomen dat [naam1] de vennootschappen ROC en Synvolution in rechte had moeten betrekken. Uit de omstandigheid dat zij in het verleden periodieke betalingen aan [naam1] hebben gedaan volgt dat [naam3] hen heeft aangewezen om die betalingen te verrichten, aldus [appellanten] .
5.28
Het hof verwerpt die grief. Op grond van de koopovereenkomst had [naam3] de
mogelijkheideen andere entiteit aan te wijzen om de periodiek betalingen te doen. Dat betekent echter nog niet dat die andere entiteiten daartoe ook de
verplichtingop zich hebben genomen. Dat aan de vereisten van een schuld- of contractsovername is voldaan, is gesteld noch gebleken. [8] Begroting van de schade waarvoor [appellanten] aansprakelijk is
5.29
Als mr. [appellant2] geen beroepsfout had gemaakt, had [naam1] [geïntimeerde] op grond van de borgtocht kunnen aanspreken. Nu haar die mogelijkheid door de beroepsfout is ontnomen, is de vraag hoe groot haar schade is.
5.3
Het hof gaat bij het begroten van die schade uit van de gemiddelde levensverwachting van vrouwen. [appellanten] heeft onweersproken gesteld dat de levensverwachting voor vrouwen in 2023 volgens het Centraal Bureau voor Statistiek 83,3 jaar was en dat dat zou maken dat [geïntimeerde] vanaf 1 januari 2021 – de datum waarop de betalingen aan [naam1] zijn gestaakt – in totaal exclusief btw nog € 1.152.000 aan [naam1] zou hebben moeten voldoen.
5.31
Volgens [naam1] zou [geïntimeerde] in staat zijn geweest om aan zijn uit de borgtocht voortvloeiende verplichtingen te voldoen. [appellanten] betwist dat [geïntimeerde] verhaal zou hebben geboden en wijst erop dat de woning van [geïntimeerde] is belast met een hypotheek die waarschijnlijk nog niet is afgelost en dat van andere kostbare bezittingen niet is gebleken.
[naam1] heeft er echter terecht op gewezen dat het niet (alleen) gaat om het privé vermogen van [geïntimeerde] , maar vooral om de verdiencapaciteit die hij met zijn verschillende ondernemingen genereert. Vast staat dat [geïntimeerde] zich indertijd tot de persoonlijke borgstelling heeft verplicht en dat mr. [appellant2] die verplichting in de tussen [naam1] en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst heeft vastgelegd. Het moet er daarom naar het oordeel van het hof voor worden gehouden dat zowel [geïntimeerde] als mr. [appellant2] de mening waren toegedaan dat [geïntimeerde] aan deze verplichting zou kunnen voldoen.
5.32
[appellanten] neemt in deze procedure echter het standpunt in dat [geïntimeerde]
nietaan de uit de borgstelling voortvloeiende verplichtingen had kunnen voldoen. In het licht van het feit dat in overleg met mr. [appellant2] wel een dergelijke verplichting voor [geïntimeerde] is vastgelegd, had het op de weg van [appellanten] gelegen haar andersluidende standpunt van een deugdelijke toelichting en onderbouwing te voorzien. Dat heeft zij nagelaten. Nu het verweer van [appellanten] niet deugdelijk gemotiveerd is, gaat het hof aan dit verweer van [appellanten] voorbij.
5.33
Het hof neemt verder in aanmerking dat geen van partijen heeft gesteld dat àls partijen een maximum bedrag in de borgstelling hadden opgenomen, dat bedrag lager zou zijn geweest dan het bedrag van € 1.152.000 waarvan het hof hiervoor, gelet op de gemiddelde levensverwachting van vrouwen, is uitgegaan. [9]
5.34
De door [appellanten] te betalen termijnbetalingen zullen worden beperkt tot het moment waarop [naam4] de leeftijd van 83,3 jaar heeft bereikt en daarmee worden gemaximeerd op een bedrag van € 1.152.000.
5.35
Daarbij blijft gelden dat [appellanten] in totaal, dus inclusief de wettelijke rente, waarop het hof hierna nog zal ingaan, nooit meer dan € 1.500.000 hoeft te betalen. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.23 van het bestreden vonnis immers vastgesteld dat [appellanten] haar aansprakelijkheid bij algemene voorwaarden heeft beperkt tot een verzekerd bedrag ter hoogte van € 1.500.000, zodat de vorderingen tot ten hoogste dat bedrag kunnen worden toegewezen. [naam1] heeft tegen dat oordeel niet gegriefd en heeft haar gewijzigde vordering dienovereenkomstig geformuleerd.
Geen btw
5.36
Partijen zijn het erover eens dat over de gevorderde bedragen geen btw verschuldigd is. [naam1] heeft erkend dat de berekening die [appellanten] in grief 6 in principaal appel heeft opgenomen juist is en dat de rechtbank over de periode tot en met 31 augustus 2024 een bedrag van € 51.045,88 teveel heeft toegewezen. Zij heeft haar vordering dienovereenkomstig verminderd. [10] Ingangsdatum rente
5.37
De schadevergoeding die [appellanten] dient te voldoen, bestaat uit de termijnen die maandelijks opeisbaar worden maar niet zijn betaald. Partijen zijn het erover eens dat wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is met de betaling van de afzonderlijke (toekomstige) termijnen en dat de rechtbank daarom geen veroordeling tot het betalen van de wettelijke rente vanaf 18 januari 2024 en
2 september 2024 had kunnen uitspreken over toekomstige termijnen. [11] Voor wat de reeds vervallen termijnen betreft, vordert [naam1] in haar incidenteel beroep wettelijke rente met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin de betreffende termijn opeisbaar is geworden en had moeten zijn voldaan.
5.38
[naam1] heeft haar vordering in dit verband in hoger beroep gewijzigd in die zin dat zij vordert [appellanten] en mr. [appellant2] voor het geheel en mr. [appellant3] en [naam5] BV ieder voor een derde deel te veroordelen tegen kwijting aan [naam1] te betalen de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over iedere maandtermijn van € 7.000 die met ingang van 1 januari 2021 opeisbaar is geworden, telkens vanaf de eerste dag van de volgende kalendermaand.
5.39
Het hof zal die vordering toewijzen voor zover de betreffende termijnen niet uiterlijk op de laatste dag van de betreffende maand zijn voldaan, omdat in dat geval het verzuim, door het verstrijken van de vastgestelde termijn, zonder ingebrekestelling is ingetreden.
5.4
Daarbij geldt dat alleen [appellanten] voor het geheel zal worden veroordeeld en de afzonderlijke maten, zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.20 is overwogen, ieder voor een derde deel. Dat geldt ook voor mr. [appellant2] , nu de vordering tegen hem voor zover die is gegrond op onrechtmatige daad, in rechtsoverweging 5.21 is afgewezen.
5.41
Grief 8 in principaal hoger beroep is een zogenoemde ‘veeggrief’ die geen afzonderlijke bespreking behoeft.
SlotsomIn zaak 1
5.42
Het hoger beroep van [naam1] slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover gewezen tussen [naam1] en [geïntimeerde] (zaak 1) worden bekrachtigd. [naam1] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep van [geïntimeerde] . Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening
. [12]
5.43
De (proceskosten)veroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaar bij voorraad).
In zaak 2
5.44
Het principaal hoger beroep van [appellanten] slaagt voor een deel. Ook het incidenteel beroep van [naam1] slaagt gedeeltelijk. Het hof zal het vonnis waarvan beroep in zaak 2 vernietigen voor wat het dictum onder 6.1, 6.2 en 6.3 betreft en in zoverre opnieuw rechtdoen. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd.
5.45
Het hof ziet in de uitkomst van de zaak aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) van het principaal en het incidenteel hoger beroep omdat partijen ieder voor een deel gelijk hebben gekregen.
5.46
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
In zaak 1
6.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 9 oktober 2024 voor zover dat is gewezen tussen [naam1] en [geïntimeerde] , dat wil zeggen het dictum onder 6.4, 6.5 alsmede 6.8 en 6.9;
6.2
veroordeelt [naam1] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:
€ 2.129 aan griffierecht
€ 13.218 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 punten tarief € 6.609);
6.3
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogde met de wettelijke rente;
6.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst af wat verder is gevorderd.
In zaak 2
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
6.6
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 9 oktober 2024 dat is gewezen tussen [naam1] en [appellanten] uitsluitend wat het dictum onder 6.1, 6.2 en 6.3 betreft en doet in zoverre opnieuw recht:
6.7
veroordeelt [appellant1] voor het geheel en mr. [appellant2] , mr. [appellant3] en [naam5] BV ieder voor een derde deel om tegen kwijting aan [naam1] te betalen de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over iedere maandtermijn van € 7.000 die sinds 1 januari 2021 opeisbaar is geworden, maar niet op tijd is voldaan, in dat geval vanaf de eerste dag van de volgende kalendermaand;
6.8
veroordeelt [appellant1] voor het geheel en mr. [appellant2] , mr. [appellant3] en [naam5] BV ieder voor een derde deel om tegen kwijting aan [naam1] te betalen een bedrag van € 7.000 per maand voor iedere gehele kalendermaand dat mevrouw
[naam4] na 30 april 2025 tot 1 januari 2028 in leven is, voor de toekomst betaalbaar telkens op de laatste dag van de betreffende kalendermaand;
6.9
veroordeelt [appellant1] voor het geheel en mr. [appellant2] , mr. [appellant3] en [naam5] BV ieder voor een derde deel om tegen kwijting aan [naam1] te betalen een bedrag van € 5.000 per maand voor iedere gehele kalendermaand dat mevrouw [naam4] vanaf 1 januari 2028 in leven is en de leeftijd van 83,3 jaar nog niet heeft bereikt, voor de toekomst betaalbaar telkens op de laatste dag van de betreffende kalendermaand;
6.1
bepaalt dat [appellant1] , mr. [appellant2] , mr. [appellant3] en [naam5] BV samen in totaal niet meer dan € 1.500.000 aan [naam1] hoeven te betalen;
6.11
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 9 oktober 2024 dat is gewezen tussen [naam1] en [appellanten] is gewezen voor het overige (het dictum onder 6.6 tot en met 6.9);
6.12
bepaalt dat [appellanten] en [naam1] ieder de eigen kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep dragen;
6.13
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.14
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, M.W. Zandbergen en P.W. Schreurs en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
21 april 2026.

Voetnoten

1.HR 14 april 2000 ECLI:NL:HR:2000:AA5526 en HR 18 december 2015 ECLI:NL:HR:2015:3606.
2.Grief 1 van [naam1] in zaak 1 faalt, evenals grief 1 van [appellanten] in zaak 2.
3.Grief 2 van [naam1] in zaak 1 faalt.
4.Grief 4 van [appellanten] slaagt gedeeltelijk.
5.HR 26 maart 1920 NJ 1920, 476, HR 9 december 1955 NJ 1956, 157 en HR 6 april 1990 ECLI:NL:PHR:1990:AD4737, NJ 1991, 689.
6.Grief B van [naam1] faalt.
7.Grief 2 van [appellanten] faalt.
8.Grief 3 van [appellanten] faalt.
9.Grief 5 van [appellanten] faalt.
10.Grief 6 van [appellanten] slaagt.
11.Grief 7 van [appellanten] en grief A van [naam1] zijn terecht voorgedragen.
12.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.