Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2237

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.356.648
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 BWArt. 6:262 BWArt. 6:74 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging recht op aanvullende vergoeding projectbegeleiding renovatie woning en kantoor

In deze zaak gaat het om een geschil tussen Q-Team Solutions B.V. en een projectmanager over de vergoeding voor projectbegeleiding bij een renovatie van een woning en kantoor. De opdrachtnemer had een vaste vergoeding van €10.000 exclusief btw ontvangen, maar vorderde een aanvullende betaling omdat de totale bouw- en installatiekosten hoger waren dan €200.000. De kantonrechter kende hem deze aanvullende vergoeding toe, en Q-Team ging in hoger beroep.

Het hof oordeelt dat de opdrachtnemer zijn werkzaamheden heeft voortgezet na 1 januari 2024 en betrokken bleef bij het project, ondanks dat Q-Team zelf opdrachten aan derden verstrekte. Uit correspondentie en berichten blijkt dat de projectmanager betrokken bleef bij de coördinatie en uitvoering, en dat de relatie ondanks frictie niet was beëindigd.

Daarom tellen de kosten van de opdrachten die Q-Team zelf aan derden verstrekte mee bij het bepalen van de totale bouw- en installatiekosten waarop het honorarium van de opdrachtnemer is gebaseerd. Het hof bevestigt dat de opdrachtnemer recht heeft op een aanvullende betaling van 5% over het bedrag boven €200.000, zoals ook de kantonrechter had vastgesteld.

De wettelijke rente en incassokosten blijven eveneens verschuldigd. Het hoger beroep wordt afgewezen en Q-Team wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van Q-Team af en bevestigt het recht van de projectmanager op een aanvullende vergoeding over de bouw- en installatiekosten boven €200.000.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.648
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 11407570
arrest van 14 april 2026
in de zaak van
Q-Team Solutions B.V. (“Q-Team”)
die is gevestigd in Nieuwegein
advocaat: mr. L.A. de Haan
en
[geintimeerde]handelend onder de naam
Projectmanagement (“ [geintimeerde] ”)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J.A. Spigt

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 23 december 2025 heeft op 10 maart 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geintimeerde] heeft in opdracht van Q-Team de projectbegeleiding verzorgd voor de renovatie van de woning en het kantoor van (de vennoten van) Q-Team. Q-Team heeft daarvoor een bedrag van € 10.000,- exclusief btw aan [geintimeerde] betaald. Volgens [geintimeerde] heeft hij nog recht op een aanvullende betaling. Q-Team is het daar niet mee eens.
2.2.
[geintimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat Q-Team hem nog aanvullend moet betalen. Volgens de kantonrechter heeft [geintimeerde] inderdaad recht op een aanvullende betaling. De beslissing van de kantonrechter luidt dat Q-Team nog € 5.263,00 (vermeerderd met wettelijke rente) aan [geintimeerde] moet betalen. Ook moet Q-Team de incassokosten betalen.
2.3.
Q-Team is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter en heeft daarom hoger beroep ingesteld. Het hof is het eens met de beslissing van de kantonrechter en laat het vonnis daarom in stand. Het hof licht hierna toe waarom.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De inhoud van de overeenkomst van opdracht
3.1.
Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten, waaruit volgt welke werkzaamheden [geintimeerde] voor Q-Team zou gaan verrichten en welke prijs Q-Team daarvoor moet betalen. Onder 2. van de overeenkomst staan veertien activiteiten genoemd die tot de werkzaamheden van [geintimeerde] behoren. Onder 3. staat beschreven wat het honorarium is waarop [geintimeerde] recht heeft. Daar staat:
“Het honorarium voor onze werkzaamheden bedraagt vast €10.000 excl. BTW, incl. reiskosten. Het honorarium wordt berekend over de totale bouw en installatiekosten en bedraagt 5% van deze kosten. Het betekent dat verrekening van het honorarium zal plaatsvinden wanneer de som van bouwkundige en installatiekosten boven €200.000,- excl. BTW komt, over de kosten hierboven zal 5% honorarium worden gedeclareerd. Voor de vaststelling hiertoe is leidend de verstrekte opdrachten aan de uitvoerende partijen.”
[geintimeerde] heeft recht op een aanvullende vergoeding
3.2.
[geintimeerde] stelt dat de totale bouw- en installatiekosten hoger zijn uitgevallen dan € 200.000,- en dat hij daarom recht heeft op een aanvullende betaling. Q-Team bevestigt dat de bouw- en installatiekosten inderdaad hoger zijn uitgevallen. Toch heeft [geintimeerde] volgens haar geen recht op een extra vergoeding, omdat zij stelt dat [geintimeerde] vanaf 1 januari 2024 geen nieuwe opdrachten meer voor haar heeft verstrekt en begeleid. Vanaf die datum is er nog wel werk uitbesteed aan (onder)aannemers, maar dat heeft Q-Team zélf geregeld. Volgens Q-Team was [geintimeerde] niet meer - in de zin van de overeenkomst - bij die uitbestedingen betrokken. Daarom tellen de kosten van die werkzaamheden volgens
Q-Team niet mee bij het bepalen van de totale bouw- en installatiekosten waarop [geintimeerde] zijn aanvullende vergoeding baseert. Daardoor blijft het totaalbedrag onder de € 200.000,- en bestaat dus geen recht op een extra vergoeding.
3.3.
Anders dan Q-Team stelt, ziet het hof voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [geintimeerde] zijn werkzaamheden per 1 januari 2024 heeft voortgezet en dat hij als projectbegeleider betrokken is gebleven bij de renovatie in zijn geheel. Weliswaar is [geintimeerde] vanaf dat moment - zoals hij ook tijdens de mondelinge behandeling te kennen gaf - wellicht minder actief geweest, en blijkt bovendien dat tussen partijen frictie was ontstaan, maar uit de overgelegde e-mailcorrespondentie en Whatsappberichten (productie 8 bij de inleidende dagvaarding) blijkt dat [geintimeerde] betrokken bleef bij het project, dat wil zeggen bij de in artikel 2 van Pro de overeenkomst benoemde activiteiten. Zo hadden partijen nog steeds met regelmaat contact over de renovatiewerkzaamheden en werden gebreken in het werk bij [geintimeerde] onder de aandacht gebracht, getuige bijvoorbeeld de Whatsappberichten die in juni 2024 zijn gewisseld. Ook werd [geintimeerde] om advies gevraagd, had hij contact met [naam1] over de uitvoering van het werk, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het Whatsappbericht van 5 juli 2024 van [geintimeerde] aan Q-team, en was hij aanwezig bij de oplevering.
Dat op enig moment opdrachten voor werkzaamheden waarmee [geintimeerde] bemoeienis had door Q-Team zélf zijn verstrekt en niet door [geintimeerde] , is naar het oordeel van het hof niet van belang. [geintimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de gebruikelijke gang van zaken tussen partijen was dat [geintimeerde] - voordat hij een opdracht verstrekte aan (onder)aannemers - eerst Q-Team om toestemming vroeg, waarna hij pas akkoord gaf aan de betreffende derde. Indirect werd elke opdracht die aan een (onder)aannemer werd verstrekt dus geaccordeerd door Q-Team zelf. Q-Team heeft die gang van zaken niet betwist. Dat Q-Team vanaf 1 januari 2024 zélf de opdrachten is gaan verstrekken aan (onder)aannemers wijkt dus in zoverre niet wezenlijk af van de werkwijze van daarvoor.
Bovendien volgt uit de aangehaalde correspondentie dat [geintimeerde] verschillende keren is gevraagd om zijn verplichtingen uit de overeenkomst na te komen en dat hij in dat kader door Q-Team in gebreke is gesteld bij aangetekende mail van 20 maart 2024. Hoewel de relatie tussen partijen precair bleef, zijn zij weer met elkaar verder gegaan en is de overeenkomst niet door Q-Team opgezegd of ontbonden.
3.4.
Q-Team heeft dan ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat de opdrachten aan de uitvoerende partijen voor zover vanaf januari 2024 door Q-Team en niet [geintimeerde] verstrekt, geen betrekking hebben op werkzaamheden voor de uitvoering en cöordinatie waarvan Q-Team [geintimeerde] heeft ingeschakeld. Doordat [geintimeerde] bovendien zijn werkzaamheden uit de overeenkomst is blijven uitvoeren en zijn werkzaamheden ook de opdrachten betroffen die door Q-Team zélf aan derden waren verstrekt (en de mogelijk gebrekkige uitvoering daarvan), is het hof van oordeel dat de kosten van deze opdrachten, ook in de uitleg van de overeenkomst zoals Q-Team die voorstaat, meetellen bij het bepalen van de totale bouw- en installatiekosten waarop [geintimeerde] zijn honorarium baseert. Daarom kan in het midden blijven of die uitleg juist is.
3.5.
Voor het bepalen van dat honorarium doet niet ter zake of Q-Team tevreden is over de wijze waarop [geintimeerde] uitvoering heeft gegeven aan zijn werkzaamheden. Vast staat dat Q-Team de overeenkomst met [geintimeerde] niet heeft opgezegd of ontbonden. Voor zover Q-Team stelt dat zij schade heeft geleden door de wijze waarop [geintimeerde] zijn werkzaamheden (niet) heeft uitgevoerd, kan het hof daarover in deze procedure niet oordelen. Q-Team heeft immers geen beroep gedaan op verrekening van de gestelde schade met het aan [geintimeerde] toekomende loon.
3.6.
Het hof komt vanwege het voorgaande, net als de kantonrechter, tot het oordeel dat [geintimeerde] recht heeft op een aanvullende betaling ter hoogte van 5% over de totale bouw- en installatiekosten voor zover deze een bedrag van € 200.000,- exclusief btw overstijgen. [geintimeerde] heeft in eerste aanleg gesteld dat de totale bouw- en installatiekosten € 281.057,33 exclusief btw bedragen en dat Q-Team daarom nog een bedrag van € 5.263,00 aan hem moet betalen. Q-Team heeft de juistheid van deze bedragen niet betwist. Daarom gaat het hof - net als de kantonrechter - uit van de juistheid daarvan.
Wettelijke rente en incassokosten
3.7.
Q-Team heeft in hoger beroep geen bezwaar gemaakt tegen de door de kantonrechter toegewezen verhoging met wettelijke rente en betaling van incassokosten (anders dan dat zij in zijn algemeenheid stelt dat zij niets meer aan [geintimeerde] hoeft te betalen en daarom geen wettelijke rente en incassokosten verschuldigd is). Daarom blijft ook dit deel van het vonnis van de kantonrechter in stand.
3.8.
Voor zover Q-Team nog heeft aangevoerd dat de kantonrechter zich met 50 cent heeft vergist in het bedrag dat zij aan [geintimeerde] dient te betalen (de kantonrechter heeft 50 cent te weinig gerekend), heeft zij daarin gelijk. Echter, doordat een partij die hoger beroep instelt niet in een ongunstigere positie kan komen door het door die partij zelf ingestelde hoger beroep, is deze verschrijving van de kantonrechter in het voordeel van
Q-Team. Het is dus geen reden om het vonnis van de kantonrechter te vernietigen.
De conclusie
3.9.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Q-Team in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [1]
3.10.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 16 april 2025;
4.2.
veroordeelt Q-Team tot betaling van de volgende proceskosten van [geintimeerde] :
€ 362,00 aan griffierecht;
€ 1.824,00 aan salaris van de advocaat van [geintimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief I);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.P. Heijmans, C. Hoogland en M. Schoemaker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.