Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2091

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
23/2975
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15.33 Wet milieubeheerArt. 10.21 Wet milieubeheerArt. 10.22 Wet milieubeheerArt. 231 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging afvalstoffenheffing personeelsverblijven camping

De heffingsambtenaar van de gemeente Ameland legde aan belanghebbende, exploitant van een camping, 13 aanslagen afvalstoffenheffing op voor personeelsverblijven. Belanghebbende betwistte deze aanslagen en de rechtbank Noord-Nederland vernietigde de aanslagen en de uitspraken op bezwaar.

De heffingsambtenaar ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het hof oordeelde dat de personeelsverblijven bedrijfsmatig worden gebruikt door belanghebbende en dat er geen sprake is van particuliere huishouding in deze verblijven. Hierdoor kwalificeren de personeelsverblijven niet als percelen waarvoor een verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Het hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de heffingsambtenaar wordt ongegrond verklaard en de aanslagen afvalstoffenheffing vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 23/2975
uitspraakdatum: 8 april 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
heffingsambtenaar van de gemeente Ameland(hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 oktober 2023, nummer LEE 21/3310, ECLI:NL:RBNNE:2023:4005, in het geding tussen de heffingsambtenaar en
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 13 aanslagen in de Afvalstoffenheffing opgelegd tot een bedrag van in totaal € 2.204,02 (13 x € 169,54).
1.2.
Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de 13 aanslagen afvalstoffenheffing vernietigd en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten en tot het vergoeden van het griffierecht.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting, waarbij de onderhavige zaak gelijktijdig met de zaak van belanghebbende met nummer 23/2973, heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. E.T. de Jong, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , [naam2] en [naam3] , alsmede de heffingsambtenaar in de persoon van [naam4] , bijgestaan door [naam5] .

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende exploiteert een recreatiebedrijf in de vorm van een camping gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] . De camping is in eigendom bij belanghebbende.
2.2.
De camping beschikt over een centrumgebouw waarin zich onder andere de receptie van de camping en een horecagelegenheid bevinden. Aan de achterzijde van het centrumgebouw bevindt zich een aanbouw/schuur waarin zich 17 personeelsverblijven bevinden. Elk personeelsverblijf heeft een oppervlakte van 9 m² en beschikt over een douche, een toilet, en een keukenblok met twee kookplaatjes. Verder staan er in elk personeelsverblijf twee bedden die van elkaar zijn afgescheiden door middel van een tussenschot, een bankstel en een televisie. De personeelsverblijven beschikken tevens over een kleine veranda.
2.3.
Belanghebbende beschikt over een vergunning waarin is bepaald dat de personeelsverblijven uitsluitend zijn bestemd en mogen worden gebruikt voor huisvesting van personeel. De personeelsverblijven zijn daarom uitsluitend beschikbaar voor de werknemers van belanghebbende, die er uitsluitend gedurende de periode dat zij daadwerkelijk werkzaam zijn op de camping gebruik van mogen maken.
2.4.
Voor het gebruik van de personeelsverblijven wordt ter voorkoming van een bijtelling wegens loon in natura - om fiscale reden - aan een medewerker € 5 per nacht in rekening gebracht. De planning - welke werknemer, al dan niet gezamenlijk met een andere werknemer, gebruik maakt van welke personeelsverblijf en voor hoelang - berust bij belanghebbende.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft op grond van de Verordening op de heffing en invordering van reinigingsheffingen in de gemeente Ameland 2021 (hierna: de Verordening) aan belanghebbende voor 13 personeelsverblijven aanslagen in de afvalstoffenheffing opgelegd. Voor het onderhavige jaar is de heffingsambtenaar per abuis uitgegaan van 13 personeelsverblijven (zie 2.2.).

3.Geschil

In geschil is of de 13 aanslagen Afvalstoffenheffing 2021 met betrekking tot de personeelsverblijven terecht zijn opgelegd.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De Verordening luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
Artikel 1 Inleidende Pro bepaling
Krachtens deze verordening worden geheven:
een afvalstoffenheffing;
(…)
Artikel 2 Definities Pro
Voor de toepassing van deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt verstaan onder:
a. huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen;
b. perceel: een onroerende zaak, of een gedeelte daarvan, die blijkens indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan.
c. ‘gebruik maken’ in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer;
(…);
bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke stoffen;
(…);
(…);
kamerverhuur: de verhuur van een kamer in de zin van artikel 2 sub n van Pro de Verordening toeristenbelasting 2021 van de gemeente Ameland;
slaapplaats: slaapplaats in de zin van artikel 1 sub d van Pro de Verordening toeristenbelasting 2021 van de gemeente Ameland;
(…);
(…);
(…).
Artikel 3 Aard Pro van de belasting en belastbaar feit
1. Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4 Belastingplicht Pro
De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
4.2.
De voor het onderhavige geschil relevante bepalingen uit de Wet milieubeheer (hierna: de Wmb) luiden:
“Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen (…)
(…)
huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, (…)
Artikel 10.21
1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, (…) ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.
(…)
Artikel 10.22
1.Elke gemeente draagt er zorg voor:
a. dat grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen ontstaan, en
(…)
Artikel 15.33
1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt:
a. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;
b. gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is gesteld.
(…)”
4.3.
De heffingsambtenaar voert - kort gezegd - aan dat belanghebbende niet de gebruiker is van de personeelsverblijven omdat sprake is van volgtijdelijk gebruik als bedoeld in de Verordening en in artikel 15.33, tweede lid, onderdeel c, van de Wmb. Belanghebbende wordt volgens de heffingsambtenaar op grond van dit artikel
aangemerktals gebruiker, terwijl de medewerkers de feitelijke gebruikers zijn en niet belanghebbende. Belanghebbende is hierdoor bevoegd om de heffing te verhalen op de feitelijke gebruikers, de medewerkers in dit geval. De bedrijfsmatige exploitatie door belanghebbende staat hieraan volgens de heffingsambtenaar niet in de weg omdat er nog steeds sprake is van feitelijk gebruik van percelen door de medewerkers, ten aanzien waarvan een verplichting tot inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
4.4.
Belanghebbende is van mening dat de afvalstoffen die ontstaan in de personeelsverblijven niet kunnen worden gekwalificeerd als huishoudelijke afvalstoffen en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4.5.
Gelet op de onder 2.2. tot en met 2.4 vermelde feiten staat vast dat belanghebbende haar onderneming zodanig heeft georganiseerd dat medewerkers die afkomstig zijn van het vasteland een slaapplaats (personeelsverblijf) kan worden geboden, gedurende de tijd dat zij werkzaam zijn bij belanghebbende. Elk ander (commercieel) gebruik van deze personeelsverblijven is niet toegestaan. Naar het oordeel van het Hof, worden de personeelsverblijven dus door belanghebbende bedrijfsmatig in het kader van haar recreatiebedrijf gebruikt. Belanghebbende beschikt erover voor eigen gebruiksdoeleinden en is daarom de gebruiker van de personeelsverblijven in de zin van de Verordening.
4.6.
Belanghebbende, die naar het oordeel van het Hof dus de gebruiker is van de personeelsverblijven in de in de Verordening bedoelde zin, voert, gelet op het voorgaande, in deze personeelsverblijven geen particuliere huishouding. De door het gebruik van de personeelsverblijven ontstane afvalstoffen zijn dan ook niet afkomstig uit particuliere huishoudens. Dit brengt, naar het oordeel van het Hof, mee dat de personeelsverblijven niet bestemd zijn voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen ontstaan. [1] Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de personeelsverblijven geen percelen zijn ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wmb een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de 13 aanslagen afvalstoffenheffing ten onrechte heeft opgelegd.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond verklaart, dient van hem op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht te worden geheven van € 548.
Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt die kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (verweerschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934), ofwel in totaal op € 1.868.

6.Beslissing

Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 1.868,
– bepaalt dat van de heffingsambtenaar op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 548.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (T. Tanghe)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HR 18 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4709