Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2090

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
23/2973
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2 lid 3 Verordening rioolheffing gemeente Ameland 2021Artikel 1 Verordening rioolheffing gemeente Ameland 2021Artikel 2 lid 2 Verordening rioolheffing gemeente Ameland 2021Artikel 16 lid d Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over rioolheffing personeelsverblijven op camping

De heffingsambtenaar van de gemeente Ameland legde aan belanghebbende 14 aanslagen rioolheffing op voor het jaar 2021, waarvan 13 aanslagen betrekking hadden op personeelsverblijven op een camping. Belanghebbende betwistte deze aanslagen en de rechtbank Noord-Nederland vernietigde de 13 aanslagen voor de personeelsverblijven. De heffingsambtenaar stelde hiertegen hoger beroep in.

Het geschil betrof de vraag of de personeelsverblijven samen met het centrumgebouw als één eigendom in de zin van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing moeten worden aangemerkt. De heffingsambtenaar stelde dat de personeelsverblijven als afzonderlijke eigendommen moesten worden gezien, terwijl belanghebbende stelde dat sprake was van één samenstel.

Het hof oordeelde dat de personeelsverblijven en het centrumgebouw samen worden gebruikt voor één organisatorisch doel, namelijk de exploitatie van de camping. De personeelsverblijven zijn uitsluitend bestemd voor huisvesting van personeel dat werkzaam is op de camping en vormen daarmee een samenhangend geheel met het centrumgebouw. De heffingsambtenaar kon niet aantonen dat de personeelsleden als volgtijdige gebruikers de belastingplichtige waren. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de personeelsverblijven samen met het centrumgebouw als één eigendom worden beschouwd, waardoor de 13 aanslagen rioolheffing onterecht zijn opgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 23/2973
uitspraakdatum: 8 april 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
heffingsambtenaar van de gemeente Ameland(hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 oktober 2023, nummer LEE 21/3314, ECLI:NL:RBNNE:2023:4007, in het geding tussen de heffingsambtenaar en
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 14 aanslagen in de Rioolheffing gebruiker opgelegd ten bedrage van in totaal € 1.618,40 (= 14 x € 115,60), waarvan één betrekking heeft op het centrumgebouw en 13 betrekking hebben op de personeelsverblijven.
1.2.
Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen de uitspraken inzake de 13 aanslagen die betrekking hebben op de personeelsverblijven in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de 13 aanslagen ter zake van de personeelsverblijven vernietigd en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting, waarbij de onderhavige zaak gelijktijdig met de zaak van belanghebbende met nummer 23/2975 is behandeld, heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. E.T. de Jong, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , [naam2] en [naam3] , alsmede de heffingsambtenaar in de persoon van [naam4] , bijgestaan door [naam5] .

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende exploiteert een recreatiebedrijf in de vorm van een camping gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] . De camping is in eigendom bij belanghebbende.
2.2.
De camping beschikt over een centrumgebouw waarin zich onder andere de receptie van de camping en een horecagelegenheid bevinden. Aan de achterzijde van het centrumgebouw bevindt zich een aanbouw/schuur waarin zich 17 personeelsverblijven bevinden. Elk personeelsverblijf heeft een oppervlakte van 9 m² en beschikt over een douche, een toilet, en een keukenblok met twee kookplaatjes. Verder staan er in elk personeelsverblijf twee bedden die van elkaar zijn afgescheiden door middel van een tussenschot, een bankstel en een televisie. De personeelsverblijven beschikken tevens over een kleine veranda.
2.3.
Belanghebbende beschikt over een vergunning waarin is bepaald dat de personeelsverblijven uitsluitend zijn bestemd en mogen worden gebruikt voor huisvesting van personeel. De personeelsverblijven zijn daarom uitsluitend beschikbaar voor de werknemers van belanghebbende, die er uitsluitend gedurende de periode dat zij daadwerkelijk werkzaam zijn op de camping gebruik van mogen maken.
2.4.
Voor het gebruik van de personeelsverblijven wordt ter voorkoming van een bijtelling wegens loon in natura - om fiscale reden - aan een medewerker € 5 per nacht in rekening gebracht. De planning - welke werknemer, al dan niet gezamenlijk met een andere werknemer, gebruik maakt van welke personeelsverblijf en voor hoelang - berust bij belanghebbende.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft op grond van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing in de gemeente Ameland 2021 (hierna: de Verordening) aan belanghebbende 14 aanslagen in de rioolheffing gebruiker opgelegd, één aanslag ter zake van het centrumgebouw en 13 aanslagen ter zake van de personeelsverblijven. Voor het onderhavige jaar is de heffingsambtenaar per abuis uitgegaan van 13 personeelsverblijven.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de 13 aanslagen Rioolheffing gebruiker 2021 met betrekking tot de personeelsverblijven terecht zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de personeelsverblijven samen met het centrumgebouw tezamen als één geheel worden gebruikt en daarom als één eigendom in de zin van artikel 2, lid 3, van de Verordening (hierna ook: de samenstelbepaling) moeten worden aangemerkt.
3.2.
De heffingsambtenaar is van mening dat, ook al vormen de personeelsverblijven samen met het centrumgebouw één object voor de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ), voor de rioolheffing geen sprake is van één eigendom in de zin van de Verordening, omdat de personeelsverblijven als afzonderlijke eigendommen zijn aan te merken, zodat de 13 aanslagen Rioolheffing terecht zijn opgelegd en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.3.
Belanghebbende is van mening dat sprake is van één eigendom in de zin van de Verordening en concludeert daarom tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De Verordening luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Pro
Voor de toepassing van deze verordening wordt:
a. onder gemeentelijke riolering verstaan: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of onderhoud bij de gemeente, alsmede het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater;
b. onder eigendom verstaan een roerende of een onroerende zaak;
(…)
Artikel 2 Belastbaar Pro feit en belastingplicht
1. Onder de naam 'rioolheffing' wordt per eigendom een belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
2. De belasting als bedoeld onder het eerste lid, wordt geheven van:
a. degene die het eigendom naar omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;
b. ingeval er sprake is van volgtijdig gebruik: degene die het eigendom ter beschikking heeft gesteld.
c. ingeval er sprake is van gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven.
3. Indien gedeelten van een in artikel 2 bedoeld Pro eigendom blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, worden de bedragen geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt.
(…)”
4.2.
De heffingsambtenaar voert aan dat er sprake is van volgtijdelijk gebruik en dat de respectieve volgtijdelijke gebruikers (de desbetreffende personeelsleden), de gebruikers van de personeelsverblijven zijn. De niet bestreden omstandigheid dat belanghebbende het centrumgebouw voor één organisatorisch doel - de exploitatie van de camping – gebruikt, leidt volgens hem om deze reden niet tot de conclusie dat de personeelsverblijven, naar omstandigheden beoordeeld, samen met het centrumgebouw tezamen als een geheel worden gebruikt en daarom zouden kwalificeren als één eigendom.
4.3.
Belanghebbende is van mening dat de personeelsverblijven en het centrumgebouw een samenstel vormen als bedoeld in de samenstelbepaling. De personeelsverblijven zijn enkel en alleen bedoeld, en worden ook daadwerkelijk uitsluitend gebruikt, voor het huisvesten van personeel wanneer dit personeel werkzaam is voor belanghebbende. De personeelsverblijven worden daarmee voor één organisatorisch doel - de exploitatie van de camping - gebruikt. Belanghebbende is derhalve ook de (enige) gebruiker, aldus belanghebbende.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaak in kwestie een eigendom is in de zin van de Verordening waarvan de personeelsverblijven deel uitmaken en dat de personeelsverblijven blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of de personeelsverblijven samen met het centrumgebouw als een geheel worden gebruikt in de zin van de samenstelbepaling.
4.5.
Het Hof overweegt dat de tekst van artikel 2, lid 3, van de Verordening in een bepaalde mate gelijkenis vertoont met artikel 16, lid d, van de Wet WOZ. Dit brengt met zich dat het Hof voor de beantwoording van de vraag of de samenstelbepaling van toepassing is, met de Rechtbank, in het onderhavige geval, als relevante omstandigheid beslissend acht of de onderneming als één samenhangend geheel moet worden beschouwd, waarbinnen alle (gedeelten van) eigendommen voor één organisatorisch doel worden aangewend. [1]
4.6.
Gelet op de onder 2.2. tot en met 2.4 vermelde feiten staat vast dat belanghebbende haar onderneming zodanig heeft georganiseerd dat medewerkers die afkomstig zijn van het vasteland een slaapplaats (personeelsverblijf) kan worden geboden, gedurende de tijd dat zij werkzaam zijn bij belanghebbende. Elk ander (commercieel) gebruik van deze personeelsverblijven is niet toegestaan. De personeelsverblijven zijn daarmee evenals het centrumgebouw in gebruik bij en dienstbaar aan de onderneming van belanghebbende. Door de inzet van deze bedrijfsmiddelen wordt de ondernemersdoelstelling zo efficiënt en effectief - daar waar het de personeelsverblijven betreft bevordering van de optimale inzet van medewerkers - mogelijk nagestreefd.
4.7.
Het voorgaande houdt, naar oordeel van het Hof, in dat de personeelsverblijven als één samenhangend geheel met het centrumgebouw worden aangewend voor het organisatorisch doel - het vormgeven van de organisatie van de onderneming om de gestelde ondernemingsdoelen na te streven - van de onderneming van belanghebbende. Het betoog van de heffingsambtenaar dat de personeelsleden – in zijn ogen – de gebruiker zijn van de personeelsverblijven kan hieraan niet afdoen. Naar het Hof begrijpt, doelt de heffingsambtenaar daarbij op de bepaling in artikel 2, lid 2, onderdeel b, van de Verordening, maar uit genoemde bepaling volgt (juist) niet dat, zo al sprake is van volgtijdelijk gebruik, de personeelsleden de belastingplichtige gebruiker zijn. Ook hetgeen de heffingsambtenaar overigens heeft gesteld, staat niet aan het vormen van een samenstel in de weg. Het Hof is daarom van oordeel dat belanghebbende de personeelsverblijven tezamen met het centrumgebouw als een geheel gebruikt in de zin van de samenstelbepaling en deze dus als één eigendom in de zin van de Verordening moeten worden aangemerkt. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de 13 aanslagen rioolheffing die betrekking hebben op de 13 personeelsverblijven ten onrechte aan belanghebbende heeft opgelegd.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond verklaart, dient van hem op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht te worden geheven van € 548.
Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt die kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (verweerschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934), ofwel in totaal op € 1.868.
6.
Beslissing
Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 1.868,
– bepaalt dat van de heffingsambtenaar op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 548.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2016.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (T. Tanghe)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058 + HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1211