Laurens Uitzendbureau exploiteerde een uitzendbureau en huurde personeel in bij Neverbetter. Na januari 2025 stopte zij vrijwel alle bedrijfsactiviteiten. Neverbetter stelde Laurens Uitzendbureau in gebreke wegens onbetaalde facturen van €48.609,26 en verzocht om faillietverklaring. De rechtbank verklaarde Laurens Uitzendbureau op 24 februari 2026 failliet.
Laurens Uitzendbureau ging in hoger beroep en betwistte de hoogte van de vordering van Neverbetter, stellende dat zij een schadevergoedingsvordering van minimaal €200.000 had wegens wanprestatie van Neverbetter. Het hof oordeelde dat Laurens Uitzendbureau onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij een voor verrekening vatbare tegenvordering had. Er was geen bewijs van ingebrekestelling of onderbouwing van de schade.
Het hof stelde vast dat Laurens Uitzendbureau meerdere schuldeisers had en onvoldoende middelen om salarissen, waaronder die van de curator, te betalen. De activiteiten lagen sinds begin 2025 stil en het vermogen was ontoereikend. Het hof verwierp het beroep op misbruik van faillissementsrecht en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.