ECLI:NL:GHARL:2026:1881

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.355.612/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:457 BWArt. 7:458a BWArt. 3:33 BWArt. 3:306 BWArt. 4:54 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing inzagerecht medisch dossier wegens vermoedelijke wilsonbekwaamheid ouders

Appellante, dochter van de overleden ouders, werd feitelijk onterfd door testamenten die kort voor het overlijden werden opgesteld. Zij vordert inzage in het medisch dossier van haar ouders om de geestelijke toestand ten tijde van het opstellen van de testamenten te onderzoeken.

De voorzieningenrechter wees de vordering af, maar het hof vernietigt dit vonnis en oordeelt dat appellante een zwaarwegend belang heeft bij inzage. Er zijn concrete aanwijzingen dat de ouders ten tijde van het opstellen van de testamenten wilsonbekwaam waren, waaronder hun hoge leeftijd, mentale achteruitgang, en de drastische wijziging van testamenten die haaks stond op eerdere familierelaties.

Het hof overweegt dat de huisarts en thuiszorgorganisatie het medisch beroepsgeheim mogen handhaven, maar dat dit in dit geval doorbroken mag worden vanwege het zwaarwegend belang van appellante. Inzage wordt toegestaan aan een door appellante aan te wijzen geriater, niet aan appellante zelf. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van appellante toegewezen.

Uitkomst: Het hof beveelt inzage in het medisch dossier van de overleden ouders aan een door appellante aan te wijzen geriater wegens een zwaarwegend belang en concrete aanwijzingen van wilsonbekwaamheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.612/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 243201
arrest in kort geding van 24 maart 2026
in het kort geding van
[appellante],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en die bij de voorzieningenrechter optrad als eiseres,
hierna:
[appellante],
advocaat: mr. C.W. van Weert, die kantoor houdt in Assen,
en

1.[geïntimeerde] , als huisarts handelend onder de naam

[naam1] ,
die woont in [woonplaats2] ,
en die bij de voorziengingenrechter optrad als gedaagde,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. C. van der Kolk-Heinsbroek, die kantoor houdt in Utrecht,
2. Stichting Icare,mede handelend onder de naam
Zorggroep Meander Bolderbörg,
die is gevestigd in Vlagtwedde,
en die bij de voorzieningenrechter optrad als gedaagde,
hierna:
Meander,
advocaat: mr. M.J. Groenhof-Jager, die kantoor houdt in Assen.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellante] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 7 mei 2025 tussen partijen is uitgesproken door de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep,
• de memorie van grieven,
• de memorie van antwoord van de zijde van [geïntimeerde] ,
• de memorie van antwoord van de zijde van Meander,
• de door [appellante] voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegezonden machtiging aan de heer [naam2] om namens haar het woord te voeren en proceshandelingen te verrichten,
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 12 februari 2026 is gehouden (het proces-verbaal).
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
De ouders van [appellante] hebben kort voor hun overlijden een testament opgesteld. Daarbij hebben zij [appellante] uitgesloten van de nalatenschappen, behoudens een legaat ter grootte van de legitieme portie. Aldus hebben zij haar feitelijk onterfd. [appellante] had een goede band met haar ouders en wil daarom duidelijkheid krijgen over de geestelijke toestand van de ouders ten tijde van het opstellen van hun beider testamenten. Zij vordert inzage in de medische gegevens van de huisarts en de thuiszorgorganisatie. Die weigeren deze inzage te geven vanwege hun medisch beroepsgeheim.
2.2
[appellante] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd [geïntimeerde] en Meander te veroordelen om aan [appellante] dan wel aan een door haar aan te wijzen medisch specialist inzage te geven in het medisch dossier dan wel het zorgdossier van de overleden moeder en vader, voor zover die betrekking hebben op de periode van 1 januari 2020 tot de dag van het overlijden van de moeder en de vader. Dit alles op straffe van het verbeuren van een dwangsom, indien [geïntimeerde] en Meander niet aan de veroordeling voldoen.
2.3
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4
Het hof zal de vorderingen van [appellante] grotendeels toewijzen en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter niet in stand en beslist voor een deel anders.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1
[appellante] is de dochter van [naam3] (hierna: de moeder of ook wel erflaatster), geboren op [in] 1933, overleden [in] 2022, en [naam4] (hierna: de vader of ook wel erflater), geboren [in] 1934, overleden [in]
[in] 2023.
3.2
Naast [appellante] hadden de moeder en vader nog twee kinderen. Dit zijn de broer en zus van [appellante] .
3.3
De ouders woonden tot 2022 in [plaats] (Gelderland). Vanwege toenemende zorgen over de fysieke en mentale gezondheid van de ouders hebben de kinderen besloten om de ouders te verzorgen in een familiehuis. De bedoeling was dat [appellante] , de zus en de broer met partner(s) en kinderen bij de ouders zouden intrekken. Daarom is overgegaan tot de aankoop van de woonboerderij ‘ [naam5] ’ in [woonplaats2] . Deze woonboerderij is op 10 januari 2022 aan de ouders in eigendom overgedragen. [appellante] en haar zus waren aanwezig bij het passeren van de akte. Na aanpassing/verbouwing van de woonboerderij zijn de ouders op 4 februari 2022 naar de woonboerderij verhuisd. Ook de zus is rond die datum in de woonboerderij getrokken. [appellante] en haar partner hebben hun eigen woning in [plaats2] te koop aangeboden in verband met de voorgenomen verhuizing naar de woonboerderij.
3.4
Rond de verhuizing is een breuk ontstaan tussen [appellante] enerzijds en haar broer en zus anderzijds. Die breuk heeft ertoe geleid dat de verkoop van de woning van [appellante] en haar partner in [plaats2] niet is doorgezet.
3.5
Nadat de ouders in ‘ [naam5] ’ zijn komen wonen, ging de moeder drie dagen in de week naar de dagbesteding op de Bolderbörg in [woonplaats2] . Daarnaast kregen de moeder en vader thuiszorg van Meander.
3.6
De moeder heeft voor het laatst bij testament van 30 mei 2022 over haar nalatenschap beschikt. Op diezelfde datum heeft ook de vader bij testament over zijn nalatenschap beschikt.
3.7
In beide testamenten is [appellante] uitgesloten van de nalatenschappen, behoudens een
legaat ter grootte van de legitieme portie. De moeder heeft daarbij haar echtgenoot voor 1/1000e deel benoemd tot erfgenaam en de broer en zus van [appellante] tezamen en voor gelijke delen voor 999/1000e deel tot erfgenaam. De vader heeft daarbij zijn echtgenote voor 1/1000e deel benoemd tot erfgenaam en de broer en zus van [appellante] tezamen en voor gelijke delen voor 999/1000e deel tot erfgenaam.
3.8
In een schriftelijke verklaring van 23 september 2023 schrijft mevrouw [naam7] over de moeder en de vader:
‘In het begin (2019) als [appellante] ouders langs kwamen bij de Woeste Grond[het bedrijf van [appellante] en haar partner, toevoeging hof]
zat ik er ook regelmatig bij en werden samen met haar ouders gezellige gesprekken gevoerd. Haar beide ouders kwamen helder over en haar moeder gaf logische antwoorden als ik haar iets vroeg. Haar vader was zwijgzaam maar het leek alsof hij de gesprekken wel kon volgen en keek alsof hij wel dingen begreep. In de jaren daarop (2020 en 2021) heb ik beiden duidelijk achteruit zien gaan. Ik merkte dat [appellante] moeder moeilijker bewoog, op een gegeven moment had ze een rollator nodig. Ook geestelijk ging ze erg achteruit. Ik kon geen gesprek meer met haar voeren, als ik iets vroeg gaf ze een antwoord dat er niks mee te maken had. Het was meer een onsamenhangend gebrabbel. Bij een bezoek in jan 2022 in hun nieuwe huis aan de [adres] te [woonplaats2] liep ze doelloos rond en te brabbelen in zichzelf. Het leek alsof ze niets meer snapte wat in haar omgeving gebeurde. [appellante] vader zag er een stuk slechter uit, hij leek erg afgetakeld. Ook hij kwam in mijn ogen verward over alsof hij niet door had wat er in zijn omgeving gebeurde.’
3.9
In een schriftelijke verklaring van 27 september 2023 schrijft mevrouw [naam8] over de moeder:
‘Ik ken mevrouw [appellante] sinds 2021 en heb haar leren kennen bij mijn werkgever. Ik heb mevrouw [appellante] leren kennen als een vrouw die duidelijk een eigen wil had en heel goed duidelijk kon maken wat zij wel en niet wilde.
Ik ben twee keer op [naam5] in [woonplaats2] geweest en toen ik haar daar sprak viel mij op dat mevrouw [appellante] in de war was en niet goed uit haar worden kon komen. Ze gaf aan dat ze niet wist waarom ze hier was terwijl er nog geklust werd. Ik weet nog dat ik aan [appellante] heb gevraagd of het wel goed met haar ging en dat ik vond dat zij heel erg achteruit was gegaan.’
3.1
Om na te gaan of de moeder en de vader ten tijde van het opstellen van het testament voldoende in staat waren hun wil te bepalen, heeft [appellante] de notaris voor wie de testamenten zijn gepasseerd om informatie gevraagd. In een e-mail van 23 augustus 2024 heeft de notaris onder meer verklaard dat:
- de notitie in de agenda en het door hem gemaakte verslag van de bespreking geen aanleiding gaven om te veronderstellen dat de afspraak met hem door een ander dan de heer en mevrouw [appellante] is gemaakt;
- na de eerste afspraak op zijn kantoor er nog drie (vervolg)afspraken zijn geweest, één op zijn kantoor en twee bij de ouders thuis zonder aanwezigheid van anderen;
- bij de besprekingen steeds de moeder en de vader aanwezig waren;
- hij aan alle in het ‘Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid’ genoemde criteria aandacht heeft besteed. De notaris heeft daarbij verklaard dat de ouders in alle gesprekken die hij met hen heeft gehad goed en op consistente wijze hebben kunnen uitleggen waarom zij over wensten te gaan tot het maken van hun (nieuwe) testamenten en waarom zij over wensten te gaan tot het maken van testamenten houdende een legaat ter grootte van de legitieme portie ten behoeve van [appellante] in plaats van de uit het erfrecht voortvloeiende erfstelling;
- de akten op 30 mei 2022 bij de ouders thuis zijn gepasseerd/ondertekend en voorafgaand aan de ondertekening zijn toegelicht en uitgelegd, zonder dat daarbij anderen dan de ouders aanwezig waren. De notaris heeft verder verklaard dat niet eerder dan nadat hij overtuigd was van het feit dat de inhoud van de door de ouders te ondertekenen testamenten overeenstemden met hun wens, deze testamenten door hen en buiten aanwezigheid van anderen zijn ondertekend.
3.11
[appellante] heeft zich in de loop van 2024 gewend tot [geïntimeerde] (de huisarts van haar ouders) met het verzoek om inzage in het medisch dossier van de overleden moeder en vader.
3.12
In een schriftelijke verklaring van 10 december 2024 schrijft de heer [naam9] , de zoon van [appellante] :
‘De heer en mevrouw [appellante] zijn mijn opa en oma. Ze hebben tot mijn ± 7e verjaardag wekelijks op mij gepast.(…) Het waren ontzettend lieve en betrokken mensen. Ik ken
hen dus ontzettend goed.
Het laatste jaar zag ik tijdens mijn bezoeken dat opa veel vergat. Hij herhaalde regelmatig
hetzelfde. Opa tekende en schreef graag, maar ik merkte dat hij dit steeds minder deed, omdat zijn handen erg trilden. Hierdoor schreef hij minder netjes en kon hij geen duidelijke tekeningen meer maken. In de tijd dat mijn moeder van plan was haar huis te verkopen en bij opa en oma in [woonplaats2] te gaan wonen om voor hen te zorgen, woonde ik nog thuis. Het was vanzelfsprekend dat ik mee zou verhuizen. We hadden zelfs het plan om het kleine bakhuisje om te bouwen, zodat ik daar kon slapen.
Vanaf 10 januari heb ik regelmatig (naast mijn werk) samen met (…)[de zus van [appellante] , de broer, de zoon van de broer, de partner van [appellante] en [appellante] , toevoeging hof]
, geklust aan het huis aan de [adres] . Na de koop van de woning viel het mij op dat opa vaak in de war was; hij was constant de weg in het huis kwijt. Vaak vroeg hij aan mij waar zijn werkkamer was, waar hij sliep, enzovoort. Om het hem makkelijker te maken, heeft mijn moeder post-its met aanduidingen op de deuren gehangen. Ook zag ik dat oma steeds moeilijker uit haar woorden kwam en vaak angstig was. Ze raakte in paniek en begon dan te huilen. Ze stopte vaak halverwege haar zin en wist niet meer waar ze het over had. Dan zei ze: "Laat maar ... " Oma versprak zich vaak. Ze gebruikte een woord terwijl ze eigenlijk iets anders bedoelde.In februari- mei 2023 ben ik een paar keer bij opa en oma op visite geweest. Ze spraken allebei altijd liefdevol over mijn moeder. Oma wilde heel graag dat het weer goed zou komen tussen (…)[de zus, broer en [appellante] , toevoeging hof].
Ze had een hekel aan ruzie en begreep nog steeds niet wat er precies was gebeurd. Ook opa vroeg altijd hoe het met mijn moeder ging. Ze zeiden dat ze graag contact met mijn moeder wilden, maar dat ze niet zo goed wisten hoe ze dat moesten doen.’
3.13
In brieven van 1 juli 2024 en 16 december 2024 heeft [appellante] aan Meander verzocht om inzage in de medische dossiers van de moeder en de vader. Daarop is niet bevestigend geantwoord.
3.14
In een e-mail van 19 december 2024 heeft de huisarts het volgende aan (de raadsvrouw van) [appellante] meegedeeld:
‘Als arts is het mijn plicht en ben ik ook door de wet gehouden om het medisch beroepsgeheim te bewaren en te bewaken en is het ons aller belang hier zorgvuldig mee om te gaan. Daarom zie ik op grond van uw informatie in uw brief geen grondslag voor het verbreken van het medisch beroepsgeheim. Ik volg hierin de KNMG handreiking inzage medisch dossier door nabestaanden (onder ander 6.1).’
Spoedeisend belang
3.15
Met de invoering van het nieuwe bewijsrecht per 1 januari 2025 is de mogelijkheid gehandhaafd om inzage (in een medisch dossier) in kort geding te vorderen. [2] In een kort geding moet de partij die een voorlopige voorziening vordert (hier: [appellante] ) daarbij wel een spoedeisend belang hebben. Bij een kort geding in hoger beroep moet het spoedeisend belang ten tijde van de uitspraak van het hof nog bestaan. Of daarvan sprake is, beoordeelt het hof ambtshalve. De vraag of een spoedeisend belang bestaat, wordt beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. [3]
3.16
Het hof stelt het volgende voorop. [appellante] heeft het vermoeden gesteld dat haar in 2022 respectievelijk 2023 overleden moeder en vader ten tijde van het opstellen en ondertekenen van de testamenten op 30 mei 2022 niet meer in staat waren hun wil in vrijheid te vormen. Indien haar ouders niet meer wilsbekwaam waren, wil zij een beroep doen op de nietigheid van de testamenten op grond van artikel 3:33 BW Pro, althans zo begrijpt het hof haar stellingen. Voor vorderingen die zijn gebaseerd op dit artikel geldt op grond van artikel 3:306 BW Pro een verjaringstermijn van 20 jaar. De korte verjaringstermijn voor een vordering tot vernietiging van een testament in de zin van artikel 4:54 BW Pro is niet van toepassing op de vordering tot nietigverklaring van een testament. In zoverre staat verjaring op dit moment niet in de weg aan het belang van [appellante] bij de gevraagde voorziening tot inzage in de zin van artikel 7:458 lid 1 BW Pro.
3.17
Het hof is verder van oordeel dat het belang van [appellante] bij de door haar gevraagde voorziening voldoende spoedeisend is, gelet op de aard van de vordering en afgezet tegen de belangen van [geïntimeerde] en Meander. [appellante] heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij emotioneel lijdt onder het feit dat zij door haar ouders, zoals is gebleken uit de testamenten die de ouders relatief kort voor hun overlijden hebben laten opstellen, feitelijk is onterfd. Zij heeft er dan ook belang bij, mede gelet op een eventueel door haar in te stellen vordering tot nietigverklaring van het testament op grond van wilsonbekwaamheid, zo spoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen over de voor haar onbekende maar relevante feiten omtrent de geestelijke gesteldheid van de ouders ten tijde van het opstellen van de testamenten. In de door haar eventueel aanhangig te maken bodemprocedure tot nietigverklaring zal zij immers moeten stellen en zo nodig bewijzen dat ten tijde van het verlijden van het testament sprake was van een wilsontbreken bij de overleden ouders.
Beroepsgeheim en inzagerecht
3.18
Een hulpverlener mag op grond van artikel 7:457 lid 1 BW Pro geen inzage in of afschrift van het medisch dossier aan anderen dan de patiënt verstrekken dan met toestemming van de patiënt. Dit beroepsgeheim geldt ook na de dood van de patiënt.
3.19
Op de plicht tot geheimhouding bestaan evenwel uitzonderingen. [appellante] doet, zo begrijpt het hof haar stellingen, een beroep op de uitzondering van artikel 7:458a lid 1 aanhef en onder a en c BW. Daarin staat dat, in afwijking van artikel 7:457 BW Pro, de hulpverlener desgevraagd inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt a) indien de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven om inzage te verschaffen aan een persoon. Daarnaast bestaat een uitzondering voor c) een ieder die daarbij een zwaarwegend belang heeft, aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. [4]
Artikel 7:458a lid 1 sub a BW, de toestemming
3.2
[appellante] heeft gesteld dat de ouders bij leven weliswaar niet expliciet hun toestemming hebben gegeven tot inzage in het medisch dossier, maar wel impliciet. Tot het moment dat de ouders naar [naam5] verhuisden, werden alle medische gegevens van de ouders met de kinderen besproken. Bij huisartsenbezoek dan wel bezoek aan het ziekenhuis werden de ouders ook door tenminste één van de kinderen begeleid. De veronderstelde, impliciete toestemming tot inzage in het medisch dossier is nooit expliciet ingetrokken, aldus [appellante] .
3.21
Het hof volgt [appellante] hierin niet. Met het inwerking treden van artikel 7:458a BW op 1 januari 2020 is op basis van een veronderstelde toestemming geen inzage meer mogelijk. Uit artikel 7:458a lid 1 sub a BW volgt dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt mag worden aan een persoon ten behoeve van wie de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven. Deze toestemming moet schriftelijk of elektronisch zijn vastgelegd. Het betreft een uitdrukkelijke toestemming. Een eventuele mondelinge toestemming waarvan geen aantekening is gemaakt in het medisch dossier is onvoldoende. [appellante] heeft erkend dat een dergelijke door de wet vereiste, uitdrukkelijke toestemming in dit geval ontbreekt. Dit betekent dat op basis van deze grondslag de huisarts noch Meander gehouden zijn inzage te verlenen. [5]
Artikel 7:458a lid 1 sub c BW, het zwaarwegend belang
3.22
[appellante] heeft verder gesteld dat zij een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier. Dit zwaarwegend belang is gelegen in het feit dat zij als gevolg van de door de moeder en de vader opgemaakte testamenten is onterfd en slechts een legaat ter grootte van haar legitieme ontvangt. Zij heeft inzage in het medisch dossier nodig om de rechtsgeldigheid van de testamenten te kunnen aanvechten. Dit zwaarwegend belang zal worden geschaad als zij geen voldoende onderbouwde medische verklaring over de wilsbekwaamheid van de moeder en/of vader kan overleggen. Inzage is daarmee ook noodzakelijk voor de behartiging van voornoemd zwaarwegend belang. Daarbij zijn er concrete aanwijzingen dat erflaatster en/of erflater ten tijde van het passeren van het aanvullend testament wilsonbekwaam was/waren.
3.23
Het hof overweegt als volgt. In beginsel moeten hoge eisen worden gesteld aan het verkrijgen van het recht op inzage wegens een zwaarwegend belang. De belangen van de nabestaande en de overledene kunnen immers tegenstrijdig zijn. Beoordeeld moet worden of [appellante] voldoende heeft aangedragen om doorbreking van het medisch beroepsgeheim te rechtvaardigen. Het hof is voorshands van oordeel dat dit het geval is. Redengevend daarvoor is het volgende.
3.24
Gelet op de wetsgeschiedenis en de op verzoek van de Minister [6] aan de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG)) gevraagde handreiking waarin duidelijk is gemaakt wanneer sprake is van een ‘zwaarwegend belang’ voor inzage in en afschrift van het medisch dossier van een overleden patiënt, moet het belang bij inzage in het medisch dossier van [appellante] als zwaarwegend worden aangemerkt. Zowel de moeder als de vader hebben in hun (gewijzigd) testament aan [appellante] een bedrag in contanten gelegateerd gelijk aan haar legitieme portie. [appellante] heeft gesteld dat dit de helft is van wat zij volgens het wettelijk erfrecht normaal als kind van haar ouders zou hebben geërfd en dat zij haar hiermee feitelijk hebben onterfd. Zij heeft het voornemen de rechtsgeldigheid van de testamenten aan te vechten als sprake blijkt te zijn van wilsonbekwaamheid. Het zwaarwegend belang van [appellante] is daarmee voldoende komen vast te staan.
3.25
Inzage wordt echter alleen gegeven wanneer aan de hand van voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk wordt gemaakt dat het zwaarwegend belang mogelijk geschaad zou kunnen worden door geen inzage te verlenen. In dit geval betekent dit dat er concrete aanwijzingen moeten zijn voor het vermoeden dat de overleden moeder en vader wilsonbekwaam waren ten tijde van het verlijden van het testament. Daarbij is niet vereist dat de wilsonbekwaamheid al (min of meer) vast moet staan. Of er daadwerkelijk sprake is geweest van wilsonbekwaamheid zal immers beoordeeld moeten worden en daarvoor is nu juist inzage nodig. Het is begrijpelijk dat de huisarts en Meander zich terughoudend opstellen waar het gaat om het doorbreken van het beroepsgeheim, maar de bewoordingen ‘aannemelijk maakt’ in artikel 7:458a lid 1 sub c BW betekenen niet dat [appellante] in een onmogelijke positie (vicieuze cirkel) gebracht mag worden door van haar te verlangen dat zij op voorhand zodanig aannemelijk moet maken dat de ouders wilsonbekwaam waren dat dit in wezen op het leveren van bewijs neerkomt. Als zij daarin al zou slagen, zou zij ook geen (zwaarwegend) belang meer hebben bij de gevorderde inzage.
3.26
In dit geval zijn de volgende concrete aanwijzingen voor het vermoeden dat de moeder en de vader wilsonbekwaam waren ten tijde van het verlijden van het testament.
3.27
De moeder en de vader waren op hoge leeftijd (beiden 88 jaar) ten tijde van het wijzigen van hun testament, relatief kort nadat zij op 4 februari 2022 waren verhuisd naar de woonboerderij [naam5] vanwege een zware zorgbehoefte als gevolg van hun fysieke en mentale gesteldheid. Uit een geriatrisch onderzoek van eind 2021 zou de mentale en fysieke achteruitgang van de ouders zijn gebleken, zoals dat tussen de kinderen en de ouders is besproken en heeft geleid tot de aankoop van en verhuizing naar de woonboerderij. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is namens [appellante] toegelicht dat de zorg voor de ouders steeds intensiever werd. Om de verhuizing voor de vader, die verknocht was aan zijn kantoor, zo goed mogelijk te laten verlopen, is zijn kantoor in [plaats] minutieus gefotografeerd (boeken, papiertjes, voorwerpen etc.), waarna het kantoor op exact dezelfde wijze kon worden gekopieerd in de nieuwe woonboerderij. Hiermee werd beoogd dat de vader zijn houvast niet zou verliezen door de verhuizing. De vader werd vergeetachtig en op de deuren in de nieuwe woonboerderij werden gele post-its geplakt met daarop aangeduid wat zich achter de deur bevond, omdat de vader anders niet wist waar hij was. Ook herinnerde hij zich regelmatig niet meer wat er kortgeleden was gebeurd. Zijn bankzaken had hij uit handen gegeven. Tijdens de mondelinge behandeling is verder toegelicht dat met de moeder steeds moeilijker een gesprek kon worden gevoerd, dat ze regelmatig verward was en veel vergat. Dit betrof onder meer het onderwerp van gesprek, voor haar belangrijke data als de verjaardagen van kleinkinderen/familieleden en ze raakte ook voortdurend spullen kwijt. Ook voegde ze in een gesprek woorden samen (‘hoeterd’ bijvoorbeeld voor ‘hoe heet dat’). De verklaringen van [naam8] , [naam7] en [naam9] ondersteunen de tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting over vergeetachtigheid, verwardheid en afhankelijkheid van de vader en/of de moeder. Daar komt bij dat de wijzigingen van de testamenten, relatief kort na de verhuizing naar de woonboerderij en relatief kort voor het overlijden van de moeder respectievelijk de vader, ingrijpend waren. [appellante] met wie zij een goede verstandhouding hadden, werd feitelijk onterfd. Die wijzigingen van de testamenten staan haaks op de kort daarvoor nog in harmonie aangeschafte woonboerderij met de intentie dat de ouders samen met [appellante] , de broer en zus en hun partners en kinderen in de woonboerderij zouden gaan wonen. Het hof wijst daarbij op de motivatiebrief voor de aankoop van de woonboerderij die als productie 11 bij de dagvaarding door [appellante] in het geding is gebracht en waar deze harmonieuze verstandhouding uit blijkt. De drastische aard van de testamentswijzigingen staat ook haaks op de door [naam9] gegeven omschrijving van zijn grootouders als ‘lieve en betrokken mensen’ die ‘allebei altijd liefdevol’ over zijn moeder spraken, ook na de testamentswijzigingen. [naam9] geeft aan dat zijn oma graag wilde dat het weer goed zou komen, terwijl ook zijn opa naar zijn moeder vroeg en beiden graag weer in contact met [appellante] wilden komen. De testamentwijzigingen zijn tegen deze achtergrond minst genomen opmerkelijk.
3.28
Deze feiten en omstandigheden samen, in onderlinge samenhang bezien met de daarop tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gegeven toelichting, vormen naar het oordeel van het hof voldoende concrete aanwijzingen voor het vermoeden dat sprake was van wilsonbekwaamheid op het moment van het verlijden van het testament. De omstandigheid dat de notaris kennelijk geen aanleiding heeft gezien om zijn ministerie te weigeren en de testamenten niet te passeren, weegt niet op tegen deze concrete aanwijzingen.
3.29
Gelet op dit alles is voldoende aannemelijk dat [appellante] een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier van de huisarts en in het medisch dossier/zorgdossier van Meander en dat dit belang wordt geschaad door de weigering van de huisarts respectievelijk Meander deze inzage te geven. Voor zover de huisarts dan wel Meander heeft aangevoerd dat niet zeker of waarschijnlijk is dat het medisch dossier of het zorgdossier de door [appellante] gewenste informatie over de wilsbekwaamheid bevat, merkt het hof op dat dit in ieder geval niet uitgesloten is. Het is niet onwaarschijnlijk dat in de periode voorafgaand aan en kort na het passeren van het testament nog relevante gegevens over de geestestoestand van de overledenen ten tijde van het passeren van het testament in het medisch dossier van de huisarts zijn opgenomen. Bovendien is de huisarts de spil in het zorgproces rondom een patiënt en is in beginsel alle informatie van andere behandelaars bij de huisarts aanwezig, zoals mogelijk het geriatrisch rapport waarvan het onduidelijk is door welke geriater het is opgesteld en of het als zodanig ook daadwerkelijk op schrift is gesteld. In het zorgdossier van Meander zijn mogelijk aanwijzingen te vinden over de geestelijke gesteldheid van de ouders die zich in gedragingen heeft geopenbaard. Inzage in het medisch en zorgdossier is ook noodzakelijk voor de behartiging van het zwaarwegend belang van [appellante] omdat deze medische informatie niet op andere wijze is te verkrijgen. Tegelijkertijd is deze medische informatie noodzakelijk om een beroep op wilsonbekwaamheid uiteindelijk in een procedure met een medische verklaring adequaat te kunnen onderbouwen. [7]
3.3
De conclusie is dat de vordering van [appellante] in beginsel toewijsbaar is. Gelet op de toelichting van de huisarts tijdens de mondelinge behandeling bij het hof dat cognitieve degressie in het algemeen zich geleidelijk inzet, zal de huisarts worden verzocht inzage te geven in het medisch dossier van erflaatster en erflater, voor zover dit betrekking heeft op de periode van 1 januari 2020 tot de dag van hun respectievelijk overlijden. Meander zal worden verzocht inzage te geven in het medisch dan wel zorgdossier vanaf het moment dat erflaatster respectievelijk erflater vanaf 2022 aan haar zorg (dagopvang en/of thuiszorg) werd toevertrouwd tot de dag van hun respectievelijk overlijden. Het hof acht het geboden dat deze inzage wordt gegeven aan een door [appellante] aan te wijzen geriater. De inzage wordt niet verleend aan [appellante] zelf als leek op medisch gebied.
3.31
De huisarts heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij niet onwelwillend is, maar zijn beroepsgeheim zoveel als mogelijk wil waarborgen. Het hof neemt aan dat dit voor Meander op gelijke wijze geldt en dat zowel de huisarts als Meander vrijwillig aan de uitvoering van dit toewijzend arrest zullen meewerken. Om die reden zullen de gevorderde dwangsommen worden afgewezen.
De conclusie
3.32
Het hoger beroep slaagt. [8] Omdat [geïntimeerde] en Meander in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de voorzieningenrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening
. [9]
3.33
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4.
De beslissing
Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 7 mei 2025 en beslist als volgt;
4.2
veroordeelt [geïntimeerde] om binnen zeven dagen na betekening van dit
arrest aan een dan reeds door [appellante] aangewezen geriater inzage te geven in het medisch dossier van erflaatster en erflater, voor zover dit betrekking heeft op de periode van 1 januari 2020 tot de dag van hun respectievelijk overlijden;
4.3
veroordeelt Meander om binnen zeven dagen na betekening van dit arrest aan een dan reeds door [appellante] aangewezen geriater inzage te geven in het medisch en/of zorgdossier van erflaatster en erflater, voor zover dit betrekking heeft op de periode dat erflaatster respectievelijk erflater in 2022 aan haar zorg (dagopvang en/of thuiszorg) werd toevertrouwd tot de dag van hun respectievelijk overlijden;
4.4
veroordeelt [geïntimeerde] en Meander hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [appellante] tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter in de rechtbank:
€ 331,00 aan griffierecht
€ 1.107,00 aan salaris van de advocaat van [appellante]
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellante] in hoger beroep:
€ 362,00 aan griffierecht
€ 2.580,00 aan salaris van de advocaat van [appellante] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II à € 1.290,00);
4.5
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 145,45 en € 148,05 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan hem in eerste aanleg respectievelijk hoger beroep;
4.6
veroordeelt Meander tot betaling van € 151,61 en € 149,02 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan haar in eerste aanleg respectievelijk hoger beroep;
4.7
bepaalt dat de in 4.4 tot en met 4.6 bedoelde kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.8
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.9
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Wichers, H. de Hek en J.W. Bockwinkel en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
24 maart 2026.

Voetnoten

2.Artikel 197 lid 1 Rv Pro.
3.Vergelijk onder meer HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437, HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:661, en HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1541.
4.Vergelijk Kamerstukken II 2017/18, 34994, nr. 3.
5.De eerste grief van [appellante] slaagt niet.
6.Kamerstukken II 2020/21, 34 994, nr. 21.
7.Grief II slaagt.
8.Met het slagen van grief II, behoeven grief III en IV geen bespreking meer.
9.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.