ECLI:NL:GHARL:2026:1801

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.360.004
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 sub b BWArt. 7:683 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid bevestigd door hof

De werknemer is sinds 2011 in dienst van Aviapartner en meldde zich in november 2022 ziek. Sinds november 2024 ontvangt hij een WIA-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid. Aviapartner verzocht het UWV om toestemming voor opzegging, maar dit werd geweigerd vanwege een opzegverbod wegens het lidmaatschap van de werknemer van het overlegorgaan.

De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid en veroordeelde Aviapartner tot betaling van de transitievergoeding. De werknemer stelde hoger beroep in tegen deze ontbinding en verzocht om herstel van de arbeidsovereenkomst of subsidiair een billijke vergoeding.

Het hof oordeelde dat de ontbinding terecht was omdat de werknemer al meer dan twee jaar arbeidsongeschikt was en binnen 26 weken geen herstel te verwachten viel. De bedrijfsarts had een duidelijke, zij het summiere, prognose gegeven dat herstel niet binnen 26 weken zou optreden. De werknemer kon onvoldoende onderbouwen dat herstel wel te verwachten was en had geen concrete tegenrapportages overgelegd.

Het hof wees het hoger beroep af en veroordeelde de werknemer tot betaling van de proceskosten. De arbeidsovereenkomst blijft ontbonden met ingang van 1 september 2025.

Uitkomst: Het hof bevestigt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.004
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 11681165)
beschikking van 23 maart 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. R.A. Severijn
tegen
Aviapartner B.V.
die is gevestigd te Schiphol
hierna: Aviapartner
advocaat: mr. W.M. Hes

1.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 9 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift (met producties) van 3 oktober 2025;
- het verweerschrift.
1.2.
Op 13 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.

2.2. Waar gaat deze zaak over

2.1.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.6 een aantal feiten vastgesteld. Die feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen daarom ook het hof tot uitgangspunt. Kort gezegd speelt het volgende.
2.2.
[appellant] is sinds 2011 in dienst van Aviapartner, laatstelijk in de functie van [beroep] . In 2022 is hij toegetreden tot de [overlegorgaan] van Aviapartner (hierna: de [overlegorgaan] ).
2.3.
Op 22 november 2022 heeft [appellant] zich ziek gemeld. In de periode daarna is hij om medische redenen niet of beperkt belastbaar geweest. Sinds 19 november 2024 ontvangt [appellant] een WIA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
2.4.
Aviapartner heeft op 14 maart 2025 aan het UWV gevraagd toestemming te
verlenen voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met [appellant] vanwege langdurige
arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 26 maart 2024 heeft het UWV de toestemming
geweigerd omdat er een opzegverbod geldt vanwege het [overlegorgaan] -lidmaatschap van [appellant] .
2.5.
Om die reden is Aviapartner onderhavige procedure gestart waarin zij de kantonrechter heeft verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid gedurende meer dan twee jaren (art. 7:669 lid 3 sub b BW Pro). De kantonrechter heeft dat verzoek toegewezen en de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2025 ontbonden, onder veroordeling van Aviapartner tot betaling van de wettelijke transitievergoeding. [appellant] komt van deze beslissing in hoger beroep: hij is het niet eens met de ontbinding. Hij verzoekt het hof primair om de arbeidsovereenkomst te herstellen, of subsidiair – als het hof daar niet toe overgaat – een billijke vergoeding (op grond van artikel 7:683 lid 3 BW Pro) toe te kennen.
2.6.
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een voldragen b-grond. De arbeidsovereenkomst is dus terecht ontbonden. Het hof zal het hoger beroep daarom verwerpen. Hierna licht het hof deze beslissing toe.

3.Het oordeel van het hof

3.1.
Aviapartner heeft aan haar verzoek tot ontbinding ten grondslag gelegd dat sprake is van langdurige arbeidsongeschiktheid van [appellant] , zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub b BW Pro. Voor een geslaagd beroep op deze ontslaggrond is vereist – kort gezegd – dat [appellant] twee jaar arbeidsongeschikt is, hij door ziekte of gebreken niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten én aannemelijk is dat binnen zesentwintig weken geen herstel zal optreden en [appellant] de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan verrichten.
3.2.
In hoger beroep is tussen partijen alleen nog in geschil of is voldaan aan het vereiste dat “
aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden en dat de werknemer binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan verrichten.” De kantonrechter diende op dat punt zelfstandig te toetsen aan dezelfde criteria als het UWV, maar naar de stand van zaken ten tijde van haar beslissing (‘ex nunc’, dus op basis van feiten en omstandigheden die zich vóór de ontbindingsbeschikking hebben voorgedaan). Het hof beoordeelt de ontbindingsbeslissing van de kantonrechter op zijn beurt ‘ex tunc’ (dat wil zeggen eveneens op basis van feiten en omstandigheden die zich vóór de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter hebben voorgedaan).
3.3.
Volgens [appellant] was ten tijde van de beslissing van de kantonrechter niet aan het hierboven schuin gedrukte vereiste voldaan. Op basis van de Uitvoeringsregels UWV was het aan Aviapartner om de stelling dat voldaan is aan het hiervoor gecursiveerde vereiste te onderbouwen met een actuele en adequate herstelprognose van de bedrijfsarts. De verklaring van de bedrijfsarts van 13 maart 2025 die Aviapartner in dat kader heeft overgelegd is veel te summier en onvoldoende om dat oordeel te onderbouwen, aldus [appellant] . De tekst van die verklaring luidt voor zover hier relevant als volgt:
Stand van zaken
Ik sprak meneer in het kader van een 26-weken-verklaring. De medische situatie van meneer is verslechterd, waarbij hij bijkomende klachten heeft sinds de laatste keer dat ik hem gesproken heb. De klachten die al bekend waren, zijn ook niet verbeterd. Meneer heeft moeite met dagelijkse zaken. Verder wacht hij op een gerichte behandeling, welke een langere hersteltijd kent.
Beperkingen
Momenteel zijn er geen reële benutbare mogelijkheden
Conclusie en advies
De belastbaarheid is momenteel zeer marginaal, waarbij werkhervatting niet mogelijk zal zijn momenteel. Ik verwacht dat de beperkingen niet gaan afnemen binnen de komende 26 weken. Daarmee acht ik werknemer niet in slaat om eigen of aangepaste werkzaamheden te
verrichten.
3.4.
Deze verklaring is volgens [appellant] ontoereikend omdat zij onder andere niet inzichtelijk maakt i) welke medische belemmeringen er voor [appellant] gelden en hebben gegolden en of deze belemmeringen al dan niet tijdelijk van aard zijn, ii) welke (blijvende) beperkingen er voor
[appellant] gelden ten opzichte van normaal functioneren, iii) dat het eigen werk van [appellant] in de volle omvang van uren en taken niet passend is en ook niet passend te maken is, en iv) in hoeverre het ziektebeeld van [appellant] in de toekomst al dan niet zou kunnen verbeteren.
3.5.
Het hof stelt voorop dat er geen vormvereisten gelden voor de herstelprognose van de bedrijfsarts én dat een bedrijfsarts gebonden is aan het medisch beroepsgeheim (en de AVG-privacywetgeving) waardoor die arts beperkt is in de mate van medische informatie die in een dergelijke prognose kan worden vermeld. Waar het in het kader van een ontslagprocedure om gaat is dat de werkgever aannemelijk moet maken dat binnen 26 weken geen herstel voor de bedongen arbeid, al dan niet in aangepaste vorm, valt te verwachten. Het is juist dat de verklaring die de bedrijfsarts met betrekking tot [appellant] heeft opgesteld summier is. Dat neemt niet weg dat het oordeel duidelijk is, namelijk: de situatie is verslechterd en er valt binnen 26 weken geen herstel te verwachten voor bedongen arbeid, ook niet in aangepaste vorm. In het licht van de overige omstandigheden zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden om aan dit oordeel voorbij te gaan. Zo heeft ook de verzekeringsarts in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 27 februari 2025 geschreven:
- “
De cliënt beschikt niet over benutbare mogelijkheden. Hij is opgenomen in een ziekenhuis of erkende zorginstelling.” en
- “
De medische situatie zal naar verwachting op lange termijn in belangrijke mate verbeteren. De functionele mogelijkheden zullen op lange termijn in belangrijke mate toenemen. Er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden komende jaar of daarop volgende jaar.
Gelet op de hierin gebruikte bewoordingen (
komend jaar of daarop volgende jaar, lange termijn) opgenomen onder het kopje “prognose”, is het enkele feit dat de verzekeringsarts onder het kopje “planning” heeft geadviseerd om over 4 tot 6 maanden een heronderzoek uit te voeren, onvoldoende voor de conclusie dat herstel voor de bedongen arbeid, al dan niet in aangepaste vorm, binnen 26 weken wél te verwachten viel. Zeker nu deze rapportage is opgesteld in het kader van de WIA-beoordeling.
3.6.
Bij dit alles komt dat [appellant] gedurende de twee jaren van zijn arbeidsongeschiktheid niet of slechts zeer beperkt belastbaar is geweest. De WIA-uitkering die hem is toegekend, is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Onder deze omstandigheden heeft Aviapartner voldoende aannemelijk gemaakt dat herstel binnen 26 weken niet in de rede lag. Het lag vervolgens op de weg van [appellant] om concreet te maken dat herstel binnen 26 weken wél te verwachten viel. Hij had toen hij op de hoogte raakte van de prognose van de bedrijfsarts een second opinion aan moeten vragen als hij het daar niet mee eens was. Het bezwaar dat [appellant] aanvankelijk had ingesteld tegen de WIA-beschikking, heeft hij ingetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] toegelicht dat hij daar de energie niet voor kon opbrengen. Het is uiteraard zeer betreurenswaardig dat de toestand van [appellant] hier geen ruimte voor liet. Maar zonder (her)beoordelingen waar het tegendeel uit volgt, is er onvoldoende basis voor de rechter om voorbij te gaan aan de (summiere maar duidelijke) prognose van de bedrijfsarts.
3.7.
Die basis kan ook niet worden gevonden in de nadere medische stukken die [appellant] in hoger beroep heeft overgelegd. [appellant] heeft aangevoerd dat zijn arbeidsongeschiktheid (historisch gezien) drieledig was: hij had heupklachten, hartklachten en psychische klachten, resulterend in een ernstige depressie. Uit de door hem overgelegde medische stukken volgt volgens [appellant] dat de heupklachten ten tijde van de door de bedrijfsarts gegeven prognose volledig verholpen waren en hij op dat punt weer volledig arbeidsgeschikt was voor zijn eigen werk. Ook kan uit die stukken worden opgemaakt dat de hartklachten kort na het afgeven van de prognose door de bedrijfsarts behandeld zijn en dat die behandeling succesvol is geweest zodat spoedig herstel – dus binnen 26 weken – op dit punt in de lijn der verwachting lag, aldus [appellant] . Nog daargelaten dat de overgelegde stukken medische informatie betreft van de betrokken behandelend artsen, die geen oordeel (kunnen) geven over de arbeids(on)geschiktheid van [appellant] op deze twee punten, blijft staan dat er ook psychische klachten waren. Met betrekking tot die psychische klachten is [appellant] van oordeel, zo begrijpt het hof, dat die er niet zouden zijn geweest als Aviapartner geen steken had laten vallen gedurende [appellant] ’ re-integratieproces en hem in de gelegenheid had gesteld om zijn werkzaamheden te hervatten in zijn eigen functie en op zijn normale plek. Als hij nu weer in zijn eigen functie zijn werkzaamheden kan hervatten, zal dat voor zijn geestelijke gesteldheid een gigantische opkikker zijn, zo stelt [appellant] . [appellant] betoogt dat de bedrijfsarts de psychische klachten, waarvan hij zelf erkent dat deze er nog zijn, niet heeft onderzocht en niet heeft beoordeeld wat de prognose voor herstel is. Het hof overweegt in dat kader dat er geen aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat de bedrijfsarts deze psychische klachten bij het opstellen van zijn prognose niet heeft meegewogen. De psychische klachten mogen genoegzaam bekend worden geacht bij de bedrijfsarts die [appellant] naar eigen zeggen zelf heeft doorverwezen naar [psychische zorg] waar [appellant] 15 gesprekken/behandelingen heeft gehad. Daarbij komt dat [appellant] geen nadere stukken heeft overgelegd die zijn standpunt ten aanzien van een gunstiger herstelprognose voor de psychische klachten onderbouwen. [appellant] heeft wel een algemeen bewijsaanbod gedaan, maar dat is onvoldoende concreet en specifiek. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij.
3.8.
Alles overziend moet de conclusie zijn dat de prognose van de bedrijfsarts in het licht van alle omstandigheden adequaat is en een ontslag op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid kan dragen. Daarbij merkt het hof voor de volledigheid op dat dat ook de enige vraag is die bij het hof voorligt, en – zoals desgevraagd bevestigd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof – niet de vraag of [appellant] recht heeft op een billijke vergoeding omdat Aviapartner ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (bijvoorbeeld door niet te voldoen aan haar re-integratieverplichtingen en/of door het veroorzaken, verergeren en/of instandhouden van de (psychische) klachten van [appellant] ).
3.9.
Herplaatsing lag in de hiervoor omschreven omstandigheden niet in de rede. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst terecht op de b-grond ontbonden. Het verzoek van [appellant] om de arbeidsovereenkomst te herstellen, dan wel een billijke vergoeding toe te kennen is daarom ook niet toewijsbaar.
Conclusie
3.10.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
3.11.
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing in het principaal en het incidenteel hoger beroep

Het hof:
4.1.
verwerpt het hoger beroep van [appellant] ;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Aviapartner:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Aviapartner (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 1.290,-);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de procesveroordeling in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.W.J.M. Kemperink, M.E.L. Fikkers en
C.C. Oberman en is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.