ECLI:NL:GHARL:2026:1778

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
Wahv 200.359.246
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Besluit tarieven in strafzaken 2003
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verkeersboete wegens niet staande houden bestuurder bij gehandicaptenparkeerplaats

De betrokkene kreeg een verkeersboete van €350 voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige kaart. De betrokkene was tijdens de overtreding in een nabijgelegen winkel en werd door een ambtenaar gebeld, die haar confronteerde met de vermoedelijke bestuurder.

De betrokkene stelde dat de ambtenaar haar had kunnen staande houden, maar dit niet deed. Volgens artikel 5 Wahv Pro moet de ambtenaar de bestuurder staande houden om diens identiteit vast te stellen, tenzij dit niet mogelijk is. Het hof oordeelt dat de ambtenaar, ondanks het telefonische contact, niet heeft toegelicht waarom hij niet tot staandehouding is overgegaan.

Het hof verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat bij confrontatie met de vermoedelijke bestuurder de ambtenaar tot staandehouding moet overgaan. Omdat niet is gebleken dat alle gegevens al waren genoteerd vóór het telefoongesprek, kan de sanctiebeschikking niet in stand blijven.

Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter en de sanctiebeschikking, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van €76,12 voor reiskosten van de betrokkene.

Uitkomst: De verkeersboete wordt vernietigd omdat de ambtenaar de vermoedelijke bestuurder niet staande hield ondanks de mogelijkheid daartoe.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.359.246/01
CJIB-nummer
: 262105583
Uitspraak d.d.
: 24 maart 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 14 juli 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Bij e-mail van 13 februari 2026 heeft de betrokkene gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De zaak is behandeld op de zitting van 10 maart 2026. De betrokkene is verschenen. De advocaatgeneraal is vertegenwoordigd door mr. [naam] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een verkeersboete opgelegd van € 350,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 november 2023 om 11:14 uur op de 1e Hogeweg in Zeist met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert onder meer aan dat zij ten onrechte niet is staandegehouden door de ambtenaar. In de winkel, waar de betrokkene 5 tot 7 minuten is geweest, werd zij gebeld door een ambtenaar die aangaf dat haar voertuig op een gehandicaptenparkeerplaats stond geparkeerd. De betrokkene gaf aan dat zij binnen een minuut buiten zou staan. Toen de betrokkene bij haar auto kwam, was de ambtenaar niet ter plaatse. De betrokkene ging ervan uit dat de ambtenaar met de betrokkene zou overleggen of haar zou aanspreken om een bekeuring uit te schrijven. Als de ambtenaren een halve minuut waren blijven staan, dan hadden zij de betrokkene staande kunnen houden conform artikel 5 van Pro de Wahv. Een ambtenaar mag niet afzien van een staandehouding op basis van doelmatigheidsgronden. De ambtenaar dient een staandehouding te verrichten als bij een parkeersituatie een betrokkene in de buurt is. Hij mag niet beredeneren ‘ik heb de betrokkene niet gezien’. Had de ambtenaar eerder gebeld en niet 15 minuten gewacht, dan had hij de betrokkene staande kunnen houden. De officier van justitie stelt in diens beslissing dat de ambtenaar niet had hoeven bellen, maar de ambtenaar heeft wel gebeld en daarmee had hij een reële mogelijkheid om de bestuurder staande te houden.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. In het arrest van 11 oktober 2019, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL: 2019:7976, heeft het hof overwogen dat de ambtenaar tot staandehouding ter vaststelling van de identiteit van de bestuurder dient over te gaan indien bij een parkeerovertreding de identiteit van de bestuurder die het voertuig heeft geparkeerd aanstonds vast te stellen is, omdat zich een confrontatie voordoet tussen de ambtenaar en de bestuurder van het voertuig. Een dergelijke situatie doet zich voor wanneer de ambtenaar - voordat hij alle gegevens die voor het vaststellen van de gedraging met het oog op het opleggen van de verkeersboete benodigd zijn, eventueel digitaal, heeft genoteerd (in eerdere rechtspraak ook wel aangeduid als het moment vóór de oplegging van de sanctie) - wordt geconfronteerd met de persoon van wie hij vermoedt dat deze de bestuurder is geweest. Zodanig vermoeden kan bij de ambtenaar ontstaan doordat de persoon met wie hij wordt geconfronteerd, stelt dat hij de bestuurder is geweest, maar ook doordat de ambtenaar, hoewel onverplicht, zelf onderzoek heeft verricht en tot dat vermoeden komt. Van de ambtenaar mag dan worden verlangd dat hij tot staandehouding overgaat en die persoon - na het geven van de cautie - vraagt of hij de gedraging daadwerkelijk heeft verricht. Indien dit niet leidt tot de vaststelling dat de staande gehouden persoon de gedraging heeft verricht, kan de verkeersboete worden opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig (vgl. het arrest van het hof van 13 juni 2017, ECLI:GHARL: 2017:4935).
5. De ambtenaar verklaart in het zaakoverzicht dat de bestuurder niet is staandegehouden, omdat tijdens het constateren van de overtreding geen persoon bij het voertuig is aangetroffen. In een dergelijk geval kan de verkeersboete aan de kentekenhouder worden opgelegd. De betrokkene stelt dat zij in de winkel tegenover de parkeerplaats was toen zij werd gebeld door de ambtenaar en heeft aangegeven dat zij binnen een minuut ter plaatse zou zijn. De ambtenaar heeft, hoewel onverplicht, contact opgenomen met de kentekenhouder en is daardoor tijdens dit gesprek geconfronteerd met de persoon van wie wordt vermoed dat deze de bestuurder is. Zonder nadere toelichting van de ambtenaar ziet het hof niet in waarom de ambtenaar in dit gesprek niet de identiteit van de bestuurder heeft kunnen vaststellen of geen minuut heeft kunnen wachten op de bestuurder om zo de sanctie aan de bestuurder op te kunnen leggen. Dat alle gegevens die voor het vaststellen van de gedraging met het oog op het opleggen van de verkeersboete benodigd zijn al waren genoteerd vóór het telefoongesprek blijkt niet uit het dossier. Gelet hierop kan de inleidende beschikking niet in stand blijven.
6. Het hof zal als volgt beslissen.
7. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en de zitting in hoger beroep
.Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 76,12 (Zeist-Utrecht v.v. en Zeist-Leeuwarden v.v.).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 76,12.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.