De betrokkene werd beboet voor een parkeerovertreding waarbij de sanctie aan de kentekenhouder werd opgelegd omdat de bestuurder niet aanstonds kon worden vastgesteld. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene gegrond en vernietigde de beslissing van de officier van justitie, maar verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
Het hof oordeelt dat artikel 5 vanPro de Wahv vereist dat indien zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder voordoet, de ambtenaar tot staandehouding moet overgaan om de identiteit vast te stellen. Uit de verklaringen blijkt dat de ambtenaar tijdens het uitschrijven van de boete contact had met een persoon die vermoedelijk de bestuurder was, voordat alle gegevens waren genoteerd.
Daarom had de ambtenaar de bestuurder moeten staande houden. Omdat dit niet is gebeurd, is de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder opgelegd. Het hof vernietigt de beschikking en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van € 1.152,-.
Uitkomst: De boete wordt vernietigd omdat de bestuurder ten onrechte niet is staande gehouden ondanks een reële mogelijkheid daartoe.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.819/01
CJIB-nummer
: 205077656
Uitspraak d.d.
: 11 oktober 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2018, betreffende
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 250,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel heeft de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal overgelegd.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de kantonrechter, strijdig met artikel 7:9 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft overwogen dat indien na de hoorzitting nieuwe stukken aan het dossier toegevoegd worden, de officier van justitie niet opnieuw een hoorzitting hoeft te houden. Bij de bespreking van dit bezwaar bestaat geen belang nu de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie reeds heeft vernietigd.
2. De bezwaren richten zich verder tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 140,- opgelegd ter zake van “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 januari 2017 om 14:21 uur op de Marconistraat te Schiedam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
3. De gemachtigde voert onder meer aan dat de bestuurder ten onrechte niet is staande gehouden. Dat de bestuurder niet aanwezig was is onjuist. De bestuurder heeft het voertuig geen moment uit het oog verloren en staat zelfs op een van de foto's van de gedraging.
4. De sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig. In het dossier bevindt zich een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, gedateerd 20 september 2017. Daarin is, voor zover relevant, het volgende verklaard:
"Ik heb minimaal 20 minuten daar gestaan en geen activiteiten waargenomen omtrent het voertuig. Tijdens het uitschrijven van de bekeuring kwam de bestuurder met lege handen aanlopen."
5. In het dossier bevindt eveneens een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, gedateerd
23 augustus 2018, waarin onder meer het volgende is verklaard:
"Tijdens het uitschrijven van de bon heb ik geen bestuurder in of rond het voertuig aangetroffen. Toen ik bijna klaar was met het uitschrijven van het proces-verbaal, kwam een man aanlopen en die zei we zijn aan het laden / lossen. Deze man wilde niet opzij gaan toen ik de laatste foto aan het nemen was van het voertuig. Meneer is op een van de foto's te zien. Ik had de bon al uitgeprint, daarom is het niet op naam uitgeschreven. Ik heb meneer toen medegedeeld dat ik al 15 minuten geen laad / los activiteiten waargenomen heb. Hulpdiensten en overig verkeer konden er niet langs. Meneer deelde mij mede dat hij spullen naar boven gebracht had en dat ze in de woning bezig waren."
6. Artikel 5 vanPro de Wahv bepaalt dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.
7. Deze bepaling luidde, voor zover relevant, tot de wijziging daarvan ingaande 30 juni 1997 aldus:
"Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds kan worden vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven."
8. In de memorie van toelichting is over dit artikel, voor zover van belang, het volgende vermeld: "Een groot deel van de constateringen van lichte overtredingen van verkeersvoorschriften vindt plaats met behulp van technische middelen (…). Een directe confrontatie tussen de politie-ambtenaar en de overtreder vindt in dergelijke gevallen niet plaats. Hetzelfde geldt voor het overgrote deel van geconstateerde parkeerovertredingen. In dergelijke gevallen, waarin niet aanstonds kan worden vastgesteld wie de bestuurder is van het motorrijtuig waarmee of door middel waarvan de gedraging heeft plaatsgevonden, wordt ingevolge dit artikel de administratieve sanctie opgelegd aan de kentekenhouder." ( Kamerstukken II1987/88, 20329, nr. 3, p. 41).
9. De wijziging van artikel 5 vanPro de Wahv in 1997 ( Stb. 1997, 240) is in de memorie van toelichting als volgt toegelicht: "De redactie van artikel 5 («kan worden vastgesteld»), zo is in de praktijk gebleken, laat ruimte voor de interpretatie dat de politie-ambtenaar in een bepaald geval een onderzoek zou moeten instellen wie de bestuurder is, alvorens de beschikking zou kunnen worden opgelegd. Dat is nimmer de bedoeling van het bepaalde in dit artikel geweest. Thans wordt voorgesteld de tekst van artikel 5 aldusPro aan te passen dat de hiervoor vermelde suggestie niet meer kan worden gewekt. Indien een politie-ambtenaar, om bij hetzelfde voorbeeld te blijven, een parkeerovertreding op kenteken constateert, kan gezegd worden dat dan «niet aanstonds is vastgesteld wie de bestuurder is». Voorgesteld wordt dan ook om deze laatste terminologie in artikel 5 opPro te nemen. De (nieuwe) redactie van artikel 5, zo merken wij voor alle duidelijkheid op, ziet op de gevallen waarin verkeersovertredingen al dan niet met technische hulpmiddelen worden geconstateerd zonder dat er voor de politie een reële mogelijkheid bestaat tot staande-houding van de bestuurder." ( Kamerstukken II1993/94, 23689, nr. 3, p. 3).
10. Het hof heeft in navolging van de Hoge Raad (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2000, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:HR:2000:ZD1735) in vaste jurisprudentie geoordeeld dat de bepaling van artikel 5 vanPro de Wahv aldus moet worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. Een dergelijke staandehouding strekt tot vaststelling van de identiteit van de bestuurder.
11. Uit de hierboven weergegeven wetsgeschiedenis leidt het hof af dat indien bij een parkeerovertreding de identiteit van de bestuurder die het voertuig geparkeerd heeft aanstonds vast te stellen is, omdat zich een confrontatie tussen de ambtenaar en de bestuurder van het voertuig voordoet, de ambtenaar tot staandehouding ter vaststelling van de identiteit van de bestuurder dient over te gaan. Een dergelijke situatie doet zich voor wanneer de ambtenaar – voordat hij alle gegevens die voor het vaststellen van de gedraging met het oog op het opleggen van de sanctie benodigd zijn, eventueel digitaal, heeft genoteerd (in eerdere jurisprudentie ook wel aangeduid als het moment vóór de oplegging van de sanctie) – geconfronteerd wordt met de persoon van wie hij vermoedt dat deze de bestuurder is geweest. Zodanig vermoeden kan bij de ambtenaar ontstaan doordat de persoon met wie hij geconfronteerd wordt stelt dat hij de bestuurder is geweest, maar ook doordat de ambtenaar, hoewel onverplicht, zelf onderzoek heeft verricht en tot dat vermoeden komt. Van de ambtenaar mag dan worden verlangd dat hij tot staandehouding overgaat en die persoon – na het geven van de cautie – vraagt of hij de gedraging daadwerkelijk heeft verricht. Indien dit niet leidt tot de vaststelling dat de staande gehouden persoon de gedraging heeft verricht, kan de sanctie worden opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig (vgl. het arrest van 13 juni 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2017:4935).
12. Blijkens de verklaringen van de ambtenaar sprak een man hem aan tijdens het uitschrijven van de sanctie, dan wel na het uitprinten daarvan. In het proces-verbaal van 20 september 2017 merkt de ambtenaar deze man als bestuurder aan, in het proces-verbaal van 23 augustus 2018 niet. Nu de ambtenaar niet eenduidig verklaart of hij deze man al dan niet als bestuurder aanmerkte en op welk moment het contact met die man plaatsvond, houdt het hof het ervoor dat de ambtenaar het vermoeden had dat deze man de bestuurder was en dat het contact met de bestuurder plaatsvond voordat de ambtenaar alle gegevens die voor het vaststellen van de gedraging met het oog op de oplegging van de sanctie daarvoor (digitaal) had genoteerd. Aldus bestond een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder en is de sanctie ten onrechte op kenteken uitgeschreven. Het hof zal de inleidende beschikking daarom vernietigen. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven geen bespreking meer.
13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, een hoorzitting (telefonisch), het indienen van een beroepschrift bij kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift dienen vijf procespunten te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het telefonisch horen door de officier van justitie toegekende punt halveren, zodat in totaal 4,5 procespunten worden toegekend.
14. De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.152,-.
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 vanPro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.152,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.