Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1760

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.360.042/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:298 BWArt. 358 lid 4 RvArt. 337 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schorsing bestuurder stichting wegens vrees voor ontslaggronden

In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een voorlopige voorziening waarbij een bestuurder van twee stichtingen is geschorst gedurende een onderzoek naar een ontslagverzoek. De rechtbank had de bestuurder geschorst en een onderzoek bevolen naar het bestuur en beleid van de stichtingen. De bestuurder stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de schorsing onterecht was, terwijl de medebestuurder incidenteel hoger beroep instelde om het ontslagverzoek alsnog toegewezen te krijgen.

Het hof oordeelt dat het principaal hoger beroep van de geschorste bestuurder niet slaagt omdat er voldoende vrees bestaat voor de aanwezigheid van ontslaggronden zoals taakverwaarlozing en andere gewichtige redenen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de bestuurder de medebestuurder niet heeft betrokken bij bestuursvergaderingen, in strijd met de statuten heeft gehandeld en onduidelijkheid bestaat over de bestemming van aanzienlijke familiebezittingen. Het hof verklaart het incidenteel hoger beroep van de medebestuurder niet-ontvankelijk omdat de rechtbank nog niet definitief op het ontslagverzoek heeft beslist en geen toestemming voor tussentijds hoger beroep is verleend.

De schorsing blijft daarmee in stand zolang het onderzoek bij de rechtbank loopt. Beide partijen worden veroordeeld tot betaling van elkaars proceskosten in het hoger beroep. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige bestuursvoering en het respecteren van statutaire bepalingen binnen familiebedrijven en stichtingen.

Uitkomst: De schorsing van de bestuurder wordt bekrachtigd wegens voldoende vrees voor ontslaggronden en het incidenteel hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.360.042
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 587528
beschikking van 24 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. V.H.B. Kruit
en
[verweerster]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. P.C. van As
en als belanghebbenden:

1.[belanghebbende1]

die woont in [woonplaats]

2. [belanghebbende2]

die woont in [woonplaats]

3. Mr. E.L. Zetteler (mr. Zetteler)

die kantoor houdt in Utrecht.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Zowel [verzoekster] als [verweerster] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 9 juli 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift met daarin een incidentele vordering;
  • het verweerschrift met incidenteel hoger beroep;
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
  • de akte overlegging producties met nader toegezonden producties (40 t/m 42) van [verzoekster] ;
  • de akte overlegging producties met nader toegezonden producties (49 t/m 53) van [verweerster] .
1.2.
Op 4 februari 2026 heeft mr. Kruit nog namens [verzoekster] een akte ingediend met daarin nadere producties (43 t/m 84). Mr. Van As heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling beslist dat hij de stukken niet zal toelaten wegens strijd met de goede procesorde en het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven. De stukken zijn namelijk te laat ingediend en hebben bovendien een aanzienlijke omvang, zodat [verweerster] en het hof te weinig tijd hebben om daar op een goede manier op te reageren. De stukken maken dan ook geen onderdeel uit van het procesdossier.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. Hierbij is [verzoekster] verschenen, bijgestaan door mr. Kruit en vergezeld door zijn kantoorgenoot mr. Van Ee. Ook is [verweerster] verschenen, bijgestaan door mr. Van As. Verder zijn als belanghebbenden verschenen [belanghebbende1] en mr. Zetteler, vergezeld door haar kantoorgenoot M. Bonhof. [belanghebbende2] is, hoewel opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verweerster] en [verzoekster] zijn zussen en samen bestuurder van twee stichtingen, te weten [stichting1] (hierna: [stichting1] ) en [stichting2] (hierna: [stichting2] ). [verweerster] stelt dat sprake is van een onwerkbare situatie binnen [stichting1] en [stichting2] (hierna gezamenlijk: de Stichtingen) en dat [verzoekster] als bestuurder (kort gezegd) wanbeleid voert. Zij heeft daarom bij de rechtbank een verzoek ingediend tot ontslag van [verzoekster] als bestuurder van de Stichtingen (hierna ook: het ontslagverzoek).
De procedure bij de rechtbank
2.2.
[verweerster] heeft de rechtbank verzocht (primair) [verzoekster] te ontslaan als bestuurder van de Stichtingen, althans (subsidiair) haar vader [belanghebbende1] en/of haar oudste zus [belanghebbende2] te benoemen als bestuurder van beide stichtingen. Gelet op de toelichting in het verzoekschrift vat het hof dit op als twee verzoeken die naast elkaar bestaan, niet als een primair en een subsidiair verzoek. Daarnaast heeft [verweerster] bij wijze van voorlopige voorziening de rechtbank verzocht [verzoekster] met onmiddellijke ingang, voor de duur van de behandeling van het verzoek, te schorsen als bestuurder van de Stichtingen en [belanghebbende1] en/of [belanghebbende2] tot bestuurder(s) te benoemen.
2.3.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 9 juli 2025 overwogen dat zij meer informatie nodig heeft om te kunnen beslissen op de vraag of [verzoekster] moet worden ontslagen als bestuurder. De rechtbank heeft daarom bij wijze van voorlopige voorziening een onderzoek bevolen naar (samengevat) het beleid en de gang van zaken van de Stichtingen en de daaronder hangende werkmaatschappijen. Daarbij heeft de rechtbank mr. Zetteler benoemd als onderzoeker, die ook – bij wijze van voorlopige voorziening – als tijdelijke bestuurder van de Stichtingen is benoemd. Daarnaast heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening [verzoekster] met onmiddellijke ingang geschorst en bepaald dat het salaris en de kosten van het onderzoek en de tijdelijke bestuurder voor rekening komen van de Stichtingen.
2.4.
Mr. Zetteler heeft naar aanleiding van haar benoeming als bestuurder aan partijen verzocht een voorschot te voldoen voor haar werkzaamheden. Aangezien partijen niet zijn overgegaan tot betaling daarvan, heeft mr. Zetteler op 5 september 2025 de rechtbank verzocht haar benoeming als tijdelijke bestuurder op te heffen.
2.5.
De rechtbank heeft hierop een mondelinge behandeling gelast op 25 november 2025 (hierna ook: de regiezitting). Tijdens die mondelinge behandeling heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan zoals vastgelegd in het proces-verbaal van eveneens 25 november 2025. De rechtbank heeft daarbij onder andere [stichting1] gelast om het voorschot van mr. Zetteler te voldoen, mr. Zetteler met terugwerkende kracht tot 5 september 2025 te ontheven uit haar functie als (tijdelijke) bestuurder en gelast dat [verweerster] (als enig overgebleven niet geschorste bestuurder van de Stichtingen) geen besluiten zal nemen en handelingen zal verrichten die niet kunnen wachten tot het moment waarop het onderzoek zal zijn afgerond.
2.6.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft mr. Zetteler bevestigd dat zij inmiddels het voorschot voor haar werkzaamheden heeft ontvangen en dat zij is gestart met het onderzoek.
De procedure bij het hof
2.7.
[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld (principaal hoger beroep) tegen de beschikking van 9 juli 2025 en heeft verzocht [verweerster] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen af te wijzen en ook anderszins geen voorlopige voorziening te treffen. Daarnaast heeft [verzoekster] een incidenteel verzoek ingesteld tot het ongedaan maken van haar schorsing, al dan niet door schorsing van de tenuitvoerlegging van het onderdeel van de bestreden beschikking dat daar op ziet.
2.8.
Ook [verweerster] heeft hoger beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof (primair) [verzoekster] alsnog te ontslaan als bestuurder van de Stichtingen, althans (subsidiair) [belanghebbende1] en/of [belanghebbende2] te benoemen als bestuurder daarvan. Gelet op de toelichting op het incidenteel hoger beroep vat het hof dit op als twee verzoeken die naast elkaar bestaan, niet als een primair en een subsidiair verzoek.
2.9.
Het hof zal beslissen dat [verweerster] niet-ontvankelijk is in haar incidenteel hoger beroep. Verder zal het hof het verzoek van [verzoekster] in het principaal hoger beroep (in zowel de hoofdzaak als in het incident) afwijzen. Het hof legt hierna uit hoe het tot dat oordeel is gekomen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Relevante feiten

3.1.
[verzoekster] heeft op 22 juli 2019 [stichting1] opgericht. Bij die oprichting is [verzoekster] als bestuurder benoemd. [verweerster] is op 1 december 2021 benoemd tot medebestuurder van [stichting1] .
3.2.
In de statuten is het doel van [stichting1] , voor zover relevant, omschreven als:
‘(…) het (onder)houden en bewaren van familiebezittingen, waaronder onder andere begrepen het houden van aandelen ineen besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, en voorts alles wat daarmede in de meest uitgebreide zin van het woord verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.’
3.3.
[stichting1] is 100% aandeelhouder en [verzoekster] is bestuurder van de volgende vennootschappen:
  • [naam1] BV (hierna: [naam1] );
  • [naam2] BV (hierna: [naam2] );
  • [naam3] BV (hierna: [naam3] ).
3.4.
[verzoekster] en [verweerster] hebben op 29 september 2022 samen [stichting2] opgericht, waarbij beiden zijn benoemd tot bestuurder.
3.5.
In de statuten is het doel van [stichting2] , voor zover relevant, omschreven als:
‘(…)
a. het onderhouden en bewaren van familiebezittingen, waaronder onder andere begrepen het houden van aandelen alsmede het houden van certificaten in het kapitaal van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en voorts alles wat daarmede in de meest uitgebreide zin van het woord verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.
b. leningen aangaan en verstrekken die met de familiebezittingen en/of vermogen verband houden;
c. leningen onder hypothecair verband verstrekken die met de familiebezittingen verband
houden.’
3.6.
[stichting2] heeft eveneens op 29 september 2022 [naam4] BV opgericht (hierna: [naam4] ), waarbij partijen gezamenlijk zijn benoemd als bestuurders.
3.7.
Op 14 maart 2023 heeft [verzoekster] [verweerster] met terugwerkende kracht laten uitschrijven als bestuurder van de Stichtingen en van [naam4] . Ook heeft [verzoekster] het post- en bezoekadres van [stichting2] gewijzigd. [verweerster] was het niet eens met de uitschrijvingen en wijzigingen. Zij is daarom uiteindelijk een kort geding gestart om te bewerkstelligen dat zij door [verzoekster] weer zou worden ingeschreven als bestuurder en de adreswijzigingen van [stichting2] weer ongedaan gemaakt zouden worden.
3.8.
De voorzieningenrechter heeft [verzoekster] op 1 september 2023 veroordeeld [verweerster] met onmiddellijke ingang in te schrijven als bestuurder van [stichting1] , [stichting2] en [naam4] . Daarnaast is [verzoekster] veroordeeld tot het wijzigen van het post- en bezoekadres van [stichting2] . [verzoekster] heeft uitvoering gegeven aan dit vonnis.
3.9.
De onderlinge verhoudingen tussen [verzoekster] en [verweerster] zijn echter verstoord. Volgens [verweerster] zijn zij het over ongeveer alles oneens en is een impasse ontstaan, waarbij besluitvorming op bestuursniveau onmogelijk is geworden. Ook stelt [verweerster] zich op het standpunt dat zij door [verzoekster] wordt genegeerd en opzettelijk niet wordt betrokken bij het beleid en de gang van zaken van de Stichtingen. Daarnaast meent [verweerster] dat [verzoekster] handelt in strijd met de wet en de statuten van de Stichtingen en haar deelnemingen. Bovendien onthoudt [verzoekster] haar de financiële informatie met betrekking tot de Stichtingen en haar deelnemingen zodat zij niet aan haar wettelijke verplichtingen als bestuurder kan voldoen. [verweerster] heeft daarom de rechtbank (onder andere) verzocht [verzoekster] te ontslaan als bestuurder van zowel [stichting1] als [stichting2] .
De ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen een tussenbeschikking met daarin een getroffen voorlopige voorziening
3.10.
Het hof stelt vast dat de bestreden beschikking een tussenbeschikking betreft, waarin de rechtbank voorlopige voorzieningen heeft getroffen, maar in het dictum geen einde heeft gemaakt aan de rechtsstrijd met betrekking tot het ontslagverzoek.
3.11.
Op grond van artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan tegen een tussenbeschikking slechts hoger beroep worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen een eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald. In artikel 337 lid 1 Rv Pro is een uitzondering op deze hoofdregel opgenomen. In dit artikel is namelijk bepaald dat hoger beroep tussentijds kan worden ingesteld van vonnissen waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen voordat het eindvonnis is gewezen (ook wel provisioneel vonnis genoemd). De Hoge Raad heeft beslist dat artikel 337 lid 1 Rv Pro ook van toepassing is op de verzoekschriftenprocedure. [1] Als hoger beroep wordt ingesteld tegen een provisionele uitspraak, mag dat hoger beroep niet ook eventuele andere, niet-provisionele delen daarvan omvatten. Voor beroep daartegen moet, omdat het een tussentijds hoger beroep betreft, volgens de hoofdregel toestemming worden verzocht. [2]
Ontvankelijkheid van het principaal hoger beroep van [verzoekster]
3.12.
[verzoekster] heeft haar grieven alleen gericht tegen de beslissing van de rechtbank in rechtsoverweging 5.5 van de beschikking om [verzoekster] te schorsen. Die beslissing betreft een voorlopige voorziening zoals bedoeld in artikel 2:298 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De door de rechtbank opgelegde schorsing duurt zolang het onderzoek loopt en heeft daarmee een tijdelijk karakter. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.11 staat tussentijds hoger beroep tegen een voorlopige voorziening open. [verzoekster] is dan ook ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep van [verweerster]
3.13.
[verweerster] heeft in haar incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank onterecht (nog) geen aanleiding heeft gezien om haar primaire verzoek (het ontslagverzoek) toe te wijzen. Volgens haar had de rechtbank aan de hand van alle door [verweerster] aangevoerde stellingen en overgelegde stukken, [verzoekster] direct moeten ontslaan als bestuurder van beide stichtingen en is het gelaste onderzoek niet nodig. Zij verzoekt dan ook [verzoekster] te ontslaan als bestuurder van beide stichtingen, althans [belanghebbende1] en/of [belanghebbende2] te benoemen als bestuurder(s) van die stichtingen.
3.14.
Het hof begrijpt het incidenteel hoger beroep van [verweerster] zo dat zij niet opkomt tegen de door de rechtbank getroffen voorlopige voorzieningen en dat zij alleen een beslissing wenst te verkrijgen op haar verzoek tot ontslag van [verzoekster] als bestuurder. Over dat ontslagverzoek heeft de rechtbank in de bestreden tussenbeschikking niet definitief beslist. Zoals uiteengezet in rechtsoverweging 3.11 staat in beginsel alleen tussentijds hoger beroep open tegen een tussenbeschikking zodra de rechter daarvoor toestemming heeft gegeven. Die toestemming is in dit geval niet verleend. Dat maakt dat [verweerster] niet-ontvankelijk is in haar incidenteel hoger beroep.
Beoordeling van het principaal hoger beroep
Ontvankelijkheid van [verweerster] in de procedure op grond van artikel 2:298 BW Pro
3.15.
[verzoekster] heeft met grief V als meest verstrekkende aangevoerd dat [verweerster] in de procedure op grond van artikel 2:298 BW Pro niet-ontvankelijk is omdat zij niet aangemerkt kan worden als belanghebbende in de zin van dat artikel. In deze procedure in hoger beroep ligt echter alleen de beslissing, als voorlopige voorziening, tot schorsing van [verzoekster] als bestuurder voor, die de rechtbank heeft genomen op grond van artikel 2:298 lid 2 BW Pro. De (impliciete) beslissing van de rechtbank om [verweerster] in haar verzoek te ontvangen is een tussenbeschikking en daarvan staat, zonder verlof van de rechtbank, geen tussentijds hoger beroep van open. Het hof passeert daarom deze grief.
Het juridische kader voor het treffen van een voorlopige voorziening tot schorsing van een bestuurder
3.16.
Op grond van artikel 2:298 lid 1 BW Pro kan een bestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechtbank worden ontslagen op grond van onder andere (a) verwaarlozing van zijn taak of (b) andere gewichtige redenen. Onder taakverwaarlozing kan bijvoorbeeld worden verstaan het verzaken van bestuurstaken, zoals het bijhouden van de administratie, het bewaken van de financiën en – waar vereist – het afleggen van verantwoording. Ook het handelen in strijd met de wet of de statuten zou een reden tot ontslag kunnen zijn op basis van taakverwaarlozing. Bij ontslag van een bestuurder op grond van andere gewichtige redenen kan gedacht worden aan een ontslag dat nodig is om een impasse te doorbreken die de besluitvorming verlamt of om een einde te maken aan ernstig verstoorde verhoudingen binnen het bestuur.
3.17.
Tijdens het onderzoek op grond van een ontslagverzoek zoals bedoeld in artikel 2:298 lid 1 BW Pro, kan de rechter bij wie het onderzoek loopt op grond van lid 2 tijdelijke maatregelen treffen. Eén van die maatregelen is het schorsen van bestuurders. Het is van belang om te benadrukken dat het gaat om een voorlopige voorziening. Voor de beslissing om een bestuurder tijdelijk te schorsen is voldoende dat gerechtvaardigde vrees bestaat voor de aanwezigheid van (in ieder geval) één van de hiervoor genoemde ontslaggronden.
Bestaat voldoende vrees voor de aanwezigheid van een ontslaggrond zoals bedoeld in artikel 2:298 lid 1 BW Pro?
3.18.
Het hof stelt voorop dat [verzoekster] feitelijk degene is geweest die de bestuurstaken de laatste jaren (in haar eentje) uitoefende. [verzoekster] stelt namelijk in dit kader dat [verweerster] vanaf maart 2023 een opleiding is gaan volgen tot docente en sindsdien geen bestuurstaken meer heeft verricht. Dat is ook de reden waarom [verzoekster] [verweerster] heeft laten uitschrijven als bestuurder van beide Stichtingen en [naam4] , aldus [verzoekster] . [verweerster] heeft echter aangegeven dat zij haar rol als bestuurder wel wilde uitoefenen, maar dat zij bij pogingen daartoe werd gehinderd door [verzoekster] . Wat de oorzaak ook moge zijn, het hof leidt hieruit af dat [verzoekster] degene is geweest die in ieder geval vanaf maart 2023 de Stichtingen feitelijk alleen bestuurde, ook al was [verweerster] op dat moment medebestuurder.
3.19.
Naar het oordeel van het hof is voldoende gebleken dat [verzoekster] (in ieder geval) gedurende die periode haar taken als bestuurder niet naar behoren heeft uitgevoerd. Het hof neemt daarbij allereerst in aanmerking dat [verzoekster] heeft nagelaten [verweerster] uit te nodigen voor bestuursvergaderingen van de Stichtingen of aandeelhoudersvergaderingen van de door de Stichtingen gehouden vennootschappen (op de uitnodiging van de aandeelhoudersvergadering op 16 december 2024 na). Dit is ook door [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof bevestigd. Daarmee staat vast dat [verzoekster] in strijd heeft gehandeld met in ieder geval de statuten van de Stichtingen. Daarin is namelijk bepaald dat ieder kalenderjaar dan wel ieder half jaar een bestuursvergadering gehouden moet worden.
3.20.
Door geen aandeelhoudersvergaderingen te organiseren, staat ook vast dat de jaarstukken van de vennootschappen (voor zover deze aanwezig zijn) in strijd met de statuten zijn vastgesteld. Uit de overgelegde stukken volgt namelijk dat de jaarrekeningen van [naam3] en [naam4] jaarlijks moeten worden opgemaakt door het bestuur, waarna de jaarrekening wordt vastgesteld door de algemene vergadering en het jaarverslag door het bestuur. Het hof neemt aan dat dit ook geldt voor de andere vennootschappen ( [naam1] en [naam2] ) nu zowel [verzoekster] als [verweerster] daarvan uitgaat. Voor de aandeelhoudersvergadering van 16 december 2024 (waarvan de notulen overigens door [verzoekster] niet zijn gedeeld met [verweerster] ondanks herhaaldelijk verzoek) geldt dat [verzoekster] stelt dat zij bij haar uitnodiging voor die vergadering conceptjaarrekeningen van de vennootschappen heeft toegezonden. Nadat [verweerster] tijdens die vergadering heeft aangegeven niet in te stemmen met de conceptjaarrekeningen, heeft [verzoekster] zelf (zoals door haar is toegelicht tijdens de mondelinge behandeling bij het hof) die jaarrekeningen goedgekeurd. Die goedkeuring blijft echter zonder gevolg: op grond van artikel 8 lid 13 van Pro de statuten van [stichting1] is een voorstel dat wordt voorgelegd aan haar bestuur verworpen indien de stemmen in de bestuursvergadering staken. Binnen [stichting1] (intern) heeft de goedkeuring door [verzoekster] dus geen effect, maar ook in de verhouding tussen [stichting1] en de vennootschappen (extern) blijft de goedkeuring zonder gevolg: weliswaar kan iedere bestuurder van [stichting1] deze stichting zelfstandig vertegenwoordigen, maar nu Isabella enig bestuurder was van de vennootschappen kunnen deze zich niet beroepen op onbekendheid met het gebrek in de besluitvorming. Bovendien blijkt uit de door [verweerster] overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel dat de jaarrekeningen van de vennootschappen al vóór de aandeelhoudersvergadering van 16 december 2024 zijn vastgesteld en gedeponeerd. Ook hieruit volgt dat [verzoekster] in strijd met de statuten heeft gehandeld.
3.21.
Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [verzoekster] [verweerster] in 2023 met terugwerkende kracht bij de Kamer van Koophandel heeft laten uitschrijven als bestuurder van de Stichtingen en [naam4] en het post- en bezoekadres van [stichting2] heeft gewijzigd. Hoewel [verzoekster] na het vonnis van de voorzieningenrechter [verweerster] weer heeft ingeschreven en het post- en bezoekadres weer heeft aangepast, hebben ook deze handelingen in strijd met de statuten plaatsgevonden. Bovendien is niet gebleken dat [verzoekster] sindsdien heeft geprobeerd [verweerster] actief bij het besturen van de Stichtingen te betrekken. Dat blijkt ook uit de verklaring van [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof waarmee zij aangaf dat zij op dat moment dacht dat [verweerster] maar naar haar moest toekomen.
3.22.
Het hof neemt verder in aanmerking dat onduidelijkheid bestaat over de met gelden van [stichting1] (€ 400.000 á € 500.000) aangekochte gouden munten. [verzoekster] heeft over die gouden munten wisselende verklaringen afgelegd, althans niet direct duidelijkheid gegeven over waar de munten zich bevinden. Dit terwijl [verweerster] als medebestuurder van [stichting1] op z’n minst informatie moet krijgen over waar de munten zijn. Daar komt bij dat [verzoekster] tijdens de regiezitting bij de rechtbank op 25 november 2025 (dus na de tussenbeschikking) pas voor het eerst heeft gesteld dat sprake zou zijn van een pandrecht op de gouden munten. Volgens [verzoekster] is op 28 februari 2021 een overeenkomst van geldlening in rekening-courant gesloten voor € 500.000 tussen [stichting1] en [naam2] , waarbij een pandrecht is gevestigd op de beleggingen (en dus de gouden munten) van [stichting1] , ten behoeve van zekerheid tot terugbetaling van die lening aan [naam2] . [verweerster] betwist de overeenkomst, althans stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst van geldlening in rekening-courant tussen [stichting1] en [naam2] geantedateerd is naar een datum waarop [verweerster] nog geen bestuurder was zodat toestemming van haar niet nodig was. Daarbij merkt [verweerster] op dat [naam2] is opgericht op 22 februari 2021 (slechts zes dagen vóór het sluiten van de overeenkomst). Op het moment van oprichting was [naam2] een lege BV. Volgens [verweerster] kan het niet zo zijn dat in zes dagen tijd een bedrag van € 500.000 is komen ‘aanwaaien’ in de lege BV, laat staan dat die BV in staat zou zijn dat bedrag uit te lenen aan [stichting1] .
Ook het hof zet, mede gelet op deze omstandigheden, vraagtekens bij de door [verzoekster] overgelegde overeenkomst (en dus het pandrecht). De verklaring van [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling dat het zou gaan om een soort kredietovereenkomst en dat niet daadwerkelijk € 500.000 is overgemaakt naar de [stichting1] heeft die vraagtekens niet weggenomen. In artikel 1 van Pro de overeenkomst van geldlening in rekening-courant staat namelijk het volgende:
“(…) Geldlener verklaart van geldgever per 28 februari 2021 een lening van € 500.000 (zegge: een vijfhonderd duizend eurote hebben ontvangen[onderstreping hof]
welke beschikbaar wordt gesteld in rekening courant;”.
en in artikel 3 wordt Pro gesproken over ‘
deopgenomenhoofdsom’.
Dit impliceert dat de [stichting1] het geld daadwerkelijk heeft ontvangen en dat het niet gaat om ‘toekomstig geld’ zoals door [verzoekster] omschreven.
3.23.
Het bovenstaande levert aanwijzingen op dat de vrees dat [verzoekster] haar taken als bestuurder heeft verwaarloosd gerechtvaardigd is. Daarnaast is het hof van oordeel dat ook de gerechtvaardigde vrees bestaat dat sprake is van andere gewichtige redenen op grond waarvan [verzoekster] als bestuurder ontslagen zou kunnen worden. Anders dan [verzoekster] stelt, acht het hof voldoende aannemelijk dat sprake is van een onwerkbare situatie binnen het bestuur van de Stichtingen. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken en de wijze waarop dat door deze zussen op de mondelinge behandeling is besproken, volgt dat de onderlinge verhoudingen tussen [verzoekster] en [verweerster] (nog steeds) ernstig verstoord zijn. Partijen zijn het over ongeveer alles oneens. Zo verschillen zij bijvoorbeeld van mening over het doel van de Stichtingen, hebben beiden een andere lezing over waarom [verweerster] zich niet heeft bemoeid met het besturen en bestaat discussie over de door [verzoekster] gestelde financieringen vanuit [stichting1] aan hun ouders en [verweerster] . Niet is gebleken dat partijen in staat zijn (geweest) compromissen te sluiten of vruchtbaar overleg te voeren, terwijl dit wel noodzakelijk is voor de Stichtingen en de daarmee verbonden vennootschappen.
De conclusie
3.24.
Het principaal hoger beroep van [verzoekster] slaagt niet, zodat de tijdelijke schorsing van [verzoekster] als bestuurder (voor zolang het onderzoek bij de rechtbank over het ontslagverzoek duurt) in stand zal blijven. Alleen de beslissing onder 5.5 van de bestreden beschikking is in het hoger beroep aan het hof voorgelegd, zodat die zal worden bekrachtigd. Omdat de tijdelijke schorsing in stand blijft zal het hof ook het incidentele verzoek van [verzoekster] om de werking van haar schorsing als bestuurder te schorsen zolang het hoger beroep loopt, afwijzen.
3.25.
Omdat [verzoekster] in het ongelijk zal worden gesteld in het principaal hoger beroep in zowel de hoofdzaak als in het incident, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van [verweerster] in het principaal hoger beroep.
3.26.
Aangezien [verweerster] in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal het hof [verweerster] veroordelen tot betaling van de proceskosten van [verzoekster] in het incidenteel hoger beroep.
3.27.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de beslissing onder 5.5 van de bestreden beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 9 juli 2025;
4.2.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten van [verweerster] in principaal appel, begroot op € 2.580,- aan salaris van de advocaat van [verweerster] ;
4.3.
veroordeelt [verweerster] tot betaling van de proceskosten van [verzoekster] in incidenteel appel, begroot op € 1.290,- aan salaris van de advocaat van [verzoekster] ;
4.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.A. Diebels, M.H.F. van Vugt en R. Verkijk, en is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533.
2.HR 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:BG5056.