ECLI:NL:GHARL:2026:1653

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
23/2829 t/m 23/2837
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet BPMArt. 9 lid 4 Wet BPMArt. 10 lid 1 Wet BPMArt. 10 lid 2 Wet BPMArt. 10 lid 8 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslagen BPM wegens afschrijving en meer dan normale gebruiksschade

Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland die de naheffingsaanslagen BPM voor negen geïmporteerde gebruikte auto’s heeft gehandhaafd, behalve voor drie auto’s waarvoor een beperkte vermindering werd toegekend. De kern van het geschil betreft de juiste hoogte van de afschrijving wegens meer dan normale gebruiksschade, de waardering van de handelsinkoopwaarde zonder RDW-oordeel over de kilometerstand, en de stelling van fiscale discriminatie.

Het hof overweegt dat de afschrijving op basis van taxatierapporten door een erkende taxateur mag worden vastgesteld, waarbij meer dan normale gebruiksschade in aanmerking kan worden genomen. Voor vier auto’s heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er meer dan normale gebruiksschade is. Voor vijf auto’s is erkend dat er meer dan normale gebruiksschade is, maar belanghebbende heeft niet voldoende bewijs geleverd voor een hogere waardevermindering dan reeds toegepast.

Verder oordeelt het hof dat het ontbreken van een RDW-oordeel over de kilometerstand een waardedrukkende factor kan zijn, maar dat belanghebbende niet heeft bewezen dat dit niet al in de koerslijsten is verwerkt. De stelling van fiscale discriminatie wegens gebrek aan transparantie wordt verworpen, mede gelet op de bewijslastverdeling en de 72%-norm die een tegemoetkoming vormt voor de belastingplichtige.

Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er worden geen proceskosten of griffierechten aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen BPM worden bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 23/2829 tot en met 23/2837
uitspraakdatum: 17 maart 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 september 2023, zaaknummers LEE 22/1694 tot en met 22/1701 en LEE 22/2010, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Doetinchem(hierna: de Inspecteur).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd voor de volgende negen auto’s:
Zaaknummer
Kenteken
Type auto
1
23/2829
[kenteken1]
Ford Mondeo 1.5 Titanium Lease Edition
2
23/2830
[kenteken2]
Opel Insignia Sports Tourer 1.6 CDTI Innovation
3
23/2831
[kenteken3]
Volvo XC60 2.4 D4 R-Design
4
23/2832
[kenteken4]
Ford Galaxy 2.0 TDCI Titanium
5
23/2833
[kenteken5]
Opel Insignia Sports Tourer 1.6 CDTI Eco Tec Business Executive
6
23/2834
[kenteken6]
BMW 318D Touring Sport Line
7
23/2835
[kenteken7]
Audi A8 4.0 TFSI quattro Lang Pro Line
8
23/2836
[kenteken8]
Seat Alhambra 2.0 TDI Style Connect
9
23/2837
[kenteken9]
Volvo XC60 2.0 D3 FWD Ocean Race
1.2
Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de bezwaren met betrekking tot de auto’s 5, 6 en 8 gegrond verklaard. Hij heeft daarbij de naheffingsaanslag met betrekking tot de auto’s 5 en 6 verminderd met respectievelijk € 23 en € 6. Met betrekking tot auto 8 heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag voor die auto verminderd tot € 1.917. Voor het overige heeft hij de bestreden naheffingsaanslagen gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 september 2023 de beroepen ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 750, de Staat veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 750, bepaald dat de Inspecteur en de Staat elk de helft van het griffierecht aan belanghebbende moeten vergoeden en de Inspecteur en de Staat veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2025 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. P.A.J.M. Lodestijn, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [naam1] , alsmede namens de Inspecteur mr. [naam2] , bijgestaan door mr. [naam3] .

2.De vaststaande feiten

2.1
Belanghebbende heeft voor alle – hiervoor onder 1.1 vermelde - negen auto’s aangifte BPM gedaan. Het betreft geïmporteerde gebruikte auto’s.
2.2
Belanghebbende heeft voor alle onderhavige auto’s aangifte gedaan op basis van een taxatierapport van [bedrijfsnaam1] . Volgens de respectieve taxatierapporten hebben alle auto’s meer dan normale gebruiksschade.
2.3
De Inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd om de auto’s te tonen bij Domein Roerende Zaken (hierna: DRZ). Met uitzondering van auto 1, heeft belanghebbende de auto’s getoond aan DRZ. De bevindingen daarvan heeft DRZ aan belanghebbende bekendgemaakt in een rapport.
2.4
Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor alle negen auto’s kennisgevingen voor de naheffingsaanslagen verzonden. Hierop is door belanghebbende niet gereageerd. Vervolgens heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen in de BPM opgelegd.
2.5
Tot de dossierstukken behoren onder meer inkoopfacturen. Voor de auto’s 1, 2, 4 en 5 betreft het inkoopfacturen van [bedrijfsnaam2] . (hierna: [bedrijfsnaam2] ).

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1
In geschil is of de Inspecteur de bestreden naheffingsaanslagen BPM – al dan niet bij uitspraak op bezwaar - tot de juiste hoogte heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:
- of bij de voertuigen rekening moet worden gehouden met een hoger bedrag aan meer dan normale gebruiksschade dan de Inspecteur – al dan niet bij uitspraak op bezwaar - heeft gedaan,
- of de handelsinkoopwaarde verminderd moet worden vanwege het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand en
- of er sprake is van fiscale discriminatie door een gebrek aan transparantie.
3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de bestreden naheffingsaanslagen.
3.3
De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.Beoordeling van het geschil

4.1
Op grond van artikel 1 van Pro de Wet BPM wordt – voor zover hier van belang - voor een personenauto BPM verschuldigd ter zake van de registratie ervan in het Nederlandse kentekenregister. Indien de personenauto ten tijde van het belastbare feit eerder gebruikt is geweest, wordt het bij die personenauto behorende bedrag aan BPM berekend met inachtneming van een vermindering (artikel 10, lid 1, van de Wet BPM). Die vermindering is de afschrijving. Deze afschrijving wordt uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet BPM, en de BPM op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen (artikel 10, lid 2, van de Wet BPM). Artikel 10, lid 2, van de Wet BPM strekt ertoe te bewerkstelligen dat op gelijksoortige gebruikte motorvoertuigen de BPM in gelijke mate drukt.
4.2
Met een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM is bedoeld de personenauto die in het buitenland geregistreerd is geweest met het oog op toelating op de weg en die ook daadwerkelijk aldaar op de weg in gebruik is geweest.
4.3
Bij toepassing van artikel 110 VWEU Pro komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig motorvoertuig niet méér BPM wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige motorvoertuigen die in Nederland op het tijdstip van de registratie in de handel zijn. Het is niet in strijd met artikel 110 VWEU Pro om bij de heffing van een registratiebelasting onderscheid te maken tussen ongebruikte motorvoertuigen en gebruikte motorvoertuigen, mits binnen de desbetreffende groep de registratiebelasting op gelijksoortige motorvoertuigen in gelijke mate drukt.
4.4
Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het belastbare feit sprake was van gebruikte auto’s. Het Hof ziet, gelet op het op dat moment aantal gereden kilometers, geen redenen partijen daarin niet te volgen. Daarom heeft belanghebbende de in artikel 10, lid 2, van de Wet BPM bedoelde afschrijving van deze personenauto mogen bepalen met gebruikmaking van een getaxeerde handelsinkoopwaarde. Volgens de door belanghebbende ingebrachte taxatierapporten is de handelsinkoopwaarde getaxeerd door een bedrag aan schade in mindering te brengen op een handelsinkoopwaarde, afkomstig uit een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland voor een soortgelijke personenauto in onbeschadigde staat. De taxatiemethode als bedoeld in artikel 10, lid 8, van de Wet BPM, uitgevoerd met inachtneming van de voorwaarden als bedoeld in artikel 10, lid 9, van de Wet BPM in samenhang gelezen met artikel 8, lid 4, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, houdt in dat het aan een onafhankelijke, erkende taxateur is om de handelsinkoopwaarde van het desbetreffende motorrijtuig te schatten. Bij toepassing van de taxatiemethode kan die taxateur als referentie voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van het gebruikte motorrijtuig in kwestie mede gebruik maken van de handelsinkoopwaarde van een vergelijkbaar motorrijtuig die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. In dat geval is de in een koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn (vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692).
4.5
Partijen houdt allereerst verdeeld het bedrag van de waardevermindering ten gevolge van de schade en de daaruit voortvloeiende hoogte van de afschrijving ten tijde van de registratie. Het Hof stelt daarbij voorop dat de maatstaf voor de staat van een motorrijtuig moet worden beoordeeld naar de toestand op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt (vgl. HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695). Dat is het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister.
4.6
De Inspecteur stelt – voor zover hier van belang - dat een deel van de beschadigingen niet zichtbaar is op de foto’s in belanghebbendes taxatierapport en dat de beschadigingen die wel zichtbaar zijn, normaal zijn voor de leeftijd en kilometerstand van het voertuig. De Inspecteur wijst er voorts op dat belanghebbende auto 1 niet aan DRZ heeft getoond en hij de gestelde schade daardoor niet heeft kunnen controleren.
4.7
Het Hof overweegt dat het aan belanghebbende, die zich beroept op verminderingen van de BPM, is om feiten te stellen en, bij betwisting daarvan door de Inspecteur, aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Daarbij heeft te gelden dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig.
4.8
Voor de auto’s 1, 4, 8 en 9 heeft belanghebbende zich op het standpunt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade en dat dit moet leiden tot een lagere handelsinkoopwaarde. De Inspecteur heeft dat gemotiveerd betwist en in eerste aanleg taxatierapporten van DRZ overgelegd. In hoger beroep heeft belanghebbende in dit verband uitsluitend gewezen op de taxatierapporten die zij in eerste aanleg heeft ingebracht. Daarmee heeft zij, naar het oordeel van het Hof, mede gelet op de door de Inspecteur overgelegde taxatierapporten, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De in de taxatierapporten opgenomen foto’s waarnaar belanghebbende verwijst zijn onvoldoende duidelijk om tot een andere conclusie te komen.
4.9
Voor de auto’s 2, 3, 5, 6 en 7 is tussen partijen niet in geschil dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Belanghebbende stelt zich echter op het standpunt dat er meer schade moet worden meegenomen dan de Inspecteur heeft gedaan. De Inspecteur heeft dat gemotiveerd betwist.
4.1
Belanghebbende stelt – kort gezegd – dat de onderhavige voertuigen relatief jonge voertuigen uit het luxere segment betreffen welke in korte tijd zeer intensief zijn gebruikt, waardoor iedere schade is te kwalificeren als meer dan normale gebruiksschade. Naar het oordeel van het Hof, is die stelling in zijn algemeenheid onjuist. Ook voor dat segment geldt dat belanghebbende, bij betwisting daarvan door de Inspecteur, aannemelijk moet maken in hoeverre sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
4.11
De Rechtbank heeft in haar bestreden uitspraak ten aanzien auto 5 reeds geoordeeld dat aannemelijk is gemaakt dat de Inspecteur onterecht geen rekening heeft gehouden met de schade door ingebeten fecaliën op het dak van de auto, zoals blijkt uit het taxatierapport van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof, heeft belanghebbende voor de auto’s 2, 3, 5, 6 en 7 niet aannemelijk gemaakt dat voor het overige sprake is van meer schade die een verdere waardevermindering rechtvaardigt.
4.12
Belanghebbende heeft er in hoger beroep nog op gewezen dat in de taxatierapporten van auto 2 en auto 3 (bedoeld zal zijn: auto 5) wordt vermeld dat deze auto’s op naam stonden van [bedrijfsnaam2] , waaruit zou blijken dat sprake is van ex-rental’s en dat dit huurverleden een waardevermindering rechtvaardigt. De Inspecteur heeft gesteld dat met een waardevermindering ex rental rekening is gehouden in de door hem gehanteerde koerslijst en gemotiveerd betwist dat er sprake is van een aantoonbaar huurverleden dat een verdergaande waardevermindering rechtvaardigt. Voor zover de Inspecteur wel rekening heeft gehouden met een waardevermindering ex-rental door toepassing van de bedoelde koerslijsten, stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat dit ten onrechte is gebeurd en beroept hij zich op interne compensatie.
4.13
Naar het oordeel van het Hof, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat auto 2 en auto 3 een ex-rentalverleden hebben. De enkele verwijzing naar de inkoopfactuur van Alphabet is daartoe, zoals de Rechtbank met juistheid heeft overwogen, onvoldoende.
4.14
Belanghebbende stelt voorts dat de handelsinkoopwaarde van de auto’s verminderd dient te worden omdat een oordeel van de RDW over de kilometerstand ontbreekt. Dit maakt de auto’s volgens belanghebbende minder waard dan gelijksoortige voertuigen waar wel een oordeel aanwezig is. Belanghebbende heeft in dat verband onder meer gewezen op de omstandigheid dat in de koerslijst X-Ray anders dan voorheen niet langer ervan uitgaat dat de oordeelsonthouding van de RDW tijdelijk is en dat de ANWB heeft geschreven dat geïmporteerde auto’s minder waard (kunnen) zijn door het stigma ‘geen oordeel km-stand’. De Inspecteur stelt daar tegenover dat elke geïmporteerde auto geen oordeel van de RDW over de kilometerstand krijgt. De invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde is daarom volgens de Inspecteur al in de toegepaste koerslijsten verwerkt.
4.15
Het Hof stelt voorop dat het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand in beginsel een waardedrukkende factor kan zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. Met betrekking tot de onderhavige auto’s wijst evenwel niets in de richting van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstanden. Voorts overweegt het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in de toegepaste koerslijsten geen auto’s zijn opgenomen waarvan de RDW geen oordeel over de kilometerstand heeft gegeven en dat dit gegeven dus niet al in de koerslijsten is verwerkt. Belanghebbende heeft derhalve met betrekking tot de onderhavige auto’s niet aannemelijk gemaakt dat met een waardevermindering rekening zou moeten worden gehouden wegens het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand. Het Hof volgt belanghebbende derhalve ook niet in haar stelling dat er sprake is van discriminatie op grond van artikel 110 VWEU Pro, ‘indien geen waarde wordt gehecht aan het gegeven dat een geïmporteerde auto immer minder waard is dan een niet-geïmporteerde daar er nimmer een sluitend oordeel (in de daarvoor aangegeven registers) kan worden gegeven over de juistheid van de weergegeven kilometerstand’. Naar het oordeel van het Hof, kan, anders dan belanghebbende stelt, uit het arrest HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692 niet worden afgeleid dat in alle gevallen waarin de RDW zich van een oordeel over de kilometerstand heeft onthouden, sprake is van een waardedrukkende factor.
4.16
Belanghebbende heeft tenslotte gesteld dat sprake is van fiscale discriminatie door een gebrek aan transparantie doordat, naar het Hof begrijpt, er in de uitvoeringspraktijk bij de BPM in geval van schade als regel slechts voor 72% van de herstelkosten wordt gerekend bij de bepaling van de waardedruk die uit die schade voortvloeit, terwijl niet bekend is hoe dat percentage tot stand is gekomen. Volgens belanghebbende is het aan een lidstaat om aan te tonen dat in het geval van gebrek aan fiscale transparantie het stelsel geen discriminatie in de hand werkt. Belanghebbende verwijst ter ondersteuning van haar standpunt naar de conclusie van A-G Jacobs van 28 januari 1999 in de zaak C-421/97.
4.17
Het Hof verwerpt het betoog van belanghebbende onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, waarin onder meer is overwogen dat artikel 110 van Pro het VWEU zich niet verzet tegen een verdeling van de bewijslast in die zin dat het aan belanghebbende is om te bewijzen dat de waardevermindering van de auto als gevolg van beschadigingen meer bedraagt dan 72% van de herstelkosten. Overigens behelst de 72%-norm in feite juist een tegemoetkoming in de bewijsvoering voor de belastingplichtige, aangezien de inspecteur niet een lager percentage zal mogen hanteren dan deze 72%. Het staat belanghebbende evenwel vrij om invulling te geven aan de op haar rustende bewijslast en dus ook aan de mogelijkheid om uit te gaan van een hoger percentage dan de genoemde 72%. Belanghebbende heeft echter op geen enkele wijze feiten en omstandigheden naar voren gebracht ten aanzien van de desbetreffende auto’s op grond waarvan een hoger percentage dan 72% gerechtvaardigd zou zijn. De stelling dat de 72%-norm buiten toepassing dient te blijven, dient dan ook te worden verworpen.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong)
(P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.