ECLI:NL:GHARL:2026:1640

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
200.349.980
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:365 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag uit pacht van medepachter na echtscheiding wegens ernstige belemmering bedrijfsvoering

De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden die samen een pachtovereenkomst hadden voor een boerderij met opstallen en grond. Na hun echtscheiding en beëindiging van hun vennootschap onder firma, waarbij de man het bedrijf voortzette en de vrouw een financiële afwikkeling ontving, ontstond onenigheid over het medepachterschap.

De man vorderde dat de vrouw uit de pacht werd ontslagen en de woning ontruimde, wat door de pachtkamer werd toegewezen. De vrouw ging in hoger beroep tegen deze beslissing. Het hof oordeelde dat de onderlinge verhoudingen tussen de partijen de gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig bemoeilijken, mede doordat de samenwerking feitelijk is beëindigd en er geen communicatie meer is.

De vrouw voerde aan dat er afspraken waren dat beiden partij bij de pachtovereenkomst zouden blijven en dat zij het bedrijf eventueel zou kunnen overnemen. Het hof verwierp deze argumenten, stellende dat de afspraken voorlopig waren en dat de verslechterde verhouding aanleiding geeft tot ontslag uit de pacht. Het bevel tot ontruiming werd bevestigd, waarbij werd opgemerkt dat de vrouw inmiddels elders woont.

Het hoger beroep werd afgewezen, het vonnis van de pachtkamer bleef in stand, en de vrouw werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de Stichting. De proceskosten tussen de voormalige echtelieden werden gecompenseerd vanwege hun familierelatie. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het ontslag van de medepachter uit de pacht wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.349.980
zaaknummer rechtbank Noord-Holland 11049772
arrest van de pachtkamer van 17 maart 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats 1] (gemeente [gemeente 1] )
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in Zaanstad optrad als gedaagde
hierna: [appellante]
advocaat: mr. C.A. van Kooten – de Jong
tegen
[geïntimeerde 1] ,
die woont in [woonplaats 1] (gemeente [gemeente 1] )
en bij de pachtkamer in Zaanstad optrad als eiser
hierna: [geïntimeerde 1]
advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo
en
Stichting [geïntimeerde 2/verpachter]
die is gevestigd in [vestigingsplaats] (gemeente [gemeente 2] )
en bij de pachtkamer in Zaanstad optrad als gedaagde
hierna: de Stichting
advocaat: mr. D.A. Bates

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 19 augustus 2025 heeft op 5 februari 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellante] en [geïntimeerde 1] waren getrouwd en waren beiden als pachter partij bij een pachtovereenkomst uit 2008 met het [geïntimeerde 2/verpachter] als verpachter. De pachtovereenkomst zag op een boerderij met opstallen en 15,27 ha in [gemeente 1] . [appellante] en [geïntimeerde 1] hadden samen een vennootschap onder firma waarin een melkgeitenhouderij en zorgboerderij werd gedreven. Het huwelijk is in januari 2022 ontbonden. [appellante] en [geïntimeerde 1] hebben de vof beëindigd, afgesproken dat [geïntimeerde 1] de onderneming voortzet en [appellante] € 380.725 zou betalen. In ieder geval vanaf 2020 woonde [appellante] in de boerderij. [geïntimeerde 1] woonde in een strandhuisje op het erf van het gepachte.
2.2.
[geïntimeerde 1] vordert dat [appellante] uit de pacht wordt ontslagen en wordt bevolen om de gepachte woning met opstallen te ontruimen op straffe van de verbeurte van een dwangsom. De pachtkamer in Zaanstad heeft deze vorderingen toegewezen en de ontruiming bepaald op 31 januari 2025. [appellante] is verhuisd.
2.3.
[appellante] komt daartegen in hoger beroep. Zij wil dat het vonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] alsnog worden afgewezen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

[appellante] moet uit de pacht ontslagen worden
3.1.
Artikel 7:365 lid 3 BW Pro bepaalt dat een medepachter zich tot de rechter kan wenden met de vordering de andere medepachter uit de pacht te ontslaan op de grond dat de onderlinge verhouding een gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig bemoeilijkt. De rechter beoordeelt dat naar billijkheid. [geïntimeerde 1] stelt dat hiervan sprake is en de pachtkamer was dat met hem eens. Daartegen komt [appellante] op.
3.2.
Het hof oordeelt dat de onderlinge verhoudingen een gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig bemoeilijken en dat [appellante] terecht uit de medepacht is ontslagen. Het huwelijk tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] bestaat niet meer. De gemeenschappelijke bedrijfsvoering in de vof bestaat niet meer. Volgens afspraak tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] heeft [geïntimeerde 1] het bedrijf voortgezet en met [appellante] is in verband daarmee afgerekend. [appellante] en [geïntimeerde 1] willen niet meer gemeenschappelijk het bedrijf voeren. Samenwerking tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] is, als al niet onmogelijk, dan toch bijzonder moeilijk, zo blijkt uit deze rechtszaak. Het is onweersproken dat sinds de laatste rechtszaak bij de pachtkamer in Zaanstad partijen niet meer met elkaar hebben gesproken zoals bleek tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep waargenomen dat in ieder geval bij [geïntimeerde 1] ernstige tegenzin bestaat tegen verdere samenwerking en contact met [appellante] . Het staat daarmee vast dat de onderlinge verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] een gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig belemmert. [appellante] zegt dat de onderlinge verhoudingen niet ernstig verstoord zijn, of in ieder geval niet zodanig dat een gezamenlijk bedrijfsvoering ernstig zou worden bemoeilijkt, en wijst erop dat het bedrijf nu goed loopt en zij niets hindert. Het hof oordeelt anders: dat het bedrijf nu goed loopt betekent niet dat [appellante] en [geïntimeerde 1] samen nog het bedrijf zouden kunnen voeren.
3.3.
[appellante] betoogt dat haar werkzaamheden feitelijk sinds het aangaan van de pachtovereenkomst niet gewijzigd zijn en er dus ook geen reden is om haar nu uit de pacht te ontslaan. Het hof gaat daaraan voorbij. Het wezenlijke verschil is dat destijds de echtelieden samen middels een vof het bedrijf voerden voor hun gezamenlijk rekening en risico. Partijen zijn geen echtelieden meer en hebben ook niet samen voor hun rekening en risico een bedrijf. Dat de pachtovereenkomst op naam van [appellante] en [geïntimeerde 1] staat en niet op naam van de vennootschap onder firma, maakt dat ook niet anders.
3.4.
[appellante] beroept zich op een afspraak in het echtscheidingsconvenant, waarin zou zijn afgesproken dat zowel [appellante] als [geïntimeerde 1] partij bij de pachtovereenkomst zouden blijven. In het echtscheidingsconvenant staat niets opgenomen over wie er partijen bij de pachtovereenkomst zouden blijven. Wel staat daarin opgenomen dat [geïntimeerde 1] in de relatie [geïntimeerde 1] - [appellante] voor de pachtbetalingen verantwoordelijk is. Het beroep op een afspraak die in een verslag van de mediator is opgenomen leidt niet tot een andere conclusie. Daarin staat dat is afgesproken dat zij voorlopig allebei op het pachtcontract zouden blijven staan, in ieder geval zolang de kinderen thuis zouden wonen. Die afspraak is niet in het echtscheidingsconvenant opgenomen. Dat daarmee afstand zou zijn gedaan van de mogelijkheid om op grond van artikel 7: 365 lid 3 BW ontslag van een medepachter te vragen, ziet het hof niet in. In het verslag is opgenomen dat als er een wijzing in omstandigheden was, waaronder nieuwe partners, partijen zouden overleggen. Het betrof dus een voorlopige afspraak. Een wijziging van omstandigheden heeft zich naar het oordeel van het hof voorgedaan, omdat de verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] is verslechterd.
3.5.
[appellante] heeft betoogd dat haar belang is, dat als er iets met [geïntimeerde 1] gebeurt, zij het bedrijf weer kan overnemen om zo overname door een of meer kinderen van [appellante] en [geïntimeerde 1] makkelijker te maken. Zij heeft gezegd dat zij “op dit moment” en “voor zolang hij zittende boer is” geen rechten zal doen gelden. In het licht van alle omstandigheden ziet het hof daarin onvoldoende reden om [appellante] niet uit de medepacht te ontslaan. Het belang bij overname van de pacht is onvoldoende omdat [appellante] geen agrariër is, geen relevante opleiding heeft en ook anderszins niet is gebleken dat zij in staat zou zijn om de geitenhouderij te exploiteren. Voortzetten van de pacht als er met [geïntimeerde 1] iets gebeurt lijkt dan ook niet realistisch. Daartegenover staat dat als [appellante] medepachter blijft [geïntimeerde 1] op belangrijke punten over het pachtcontract haar zal moeten informeren en met haar overeenstemming moet bereiken. Dat is in het licht van de verslechterde verhouding bezwaarlijk. De belofte van [appellante] om [geïntimeerde 1] nu niet in de weg te staan – en daarmee om aan het medepachterschap juist géén invulling te geven – is voor het hof geen reden om anders te beslissen.
3.6.
Voor zover [appellante] betoogd heeft dat dit een familiekwestie is over de bewoning van de echtelijke woning en over het echtscheidingsconvenant en geen pachtkwestie, heeft zij daar geen gevolgen aan verbonden. Het hof hoeft daar dan ook geen oordeel over te hebben. Dat er geen gezamenlijke bedrijfsvoering meer is, maakt ook niet dat artikel 7:365 BW Pro niet meer van toepassing is, zoals [appellante] betoogt. Dat is juist het gevolg van een situatie waar artikel 7:365 BW Pro voor bedoeld is.
Ontruiming
3.7.
Uit het voorgaande volgt dat het bevel tot ontruiming door de pachtkamer in Zaanstad terecht is uitgesproken. Het hof merkt op dat [appellante] inmiddels elders woont en ook heeft aangegeven niet weer op de boerderij te willen gaan wonen.
Conclusie
3.8.
[appellante] maakt bezwaar tegen het niet opnemen van relevante feiten door de pachtkamer in Zaanstad en heeft betoogd dat de door pachtkamer vastgestelde feiten haar oordeel niet zouden kunnen dragen. Het hof heeft voor zover nodig zelfstandig de relevante feiten vastgesteld en in zijn oordeel betrokken, zodat [appellante] bij afzonderlijke behandeling van deze grief geen belang heeft.
3.9.
[appellante] heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan. Het hof passeert dat omdat geen bewijs is aangeboden van stellingen die, als ze bewezen zouden worden, tot een andere conclusie zouden leiden.
3.10.
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis van de pachtkamer in Zaanstad blijft in stand. Omdat [appellante] en [geïntimeerde 1] in een familierelatie tot elkaar stonden, zal het hof de proceskosten tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] compenseren. Dat is anders ten aanzien van de Stichting: omdat [appellante] in het ongelijk gesteld zal worden moet zij de proceskosten van de Stichting in het hoger beroep betalen. De Stichting heeft ook gevraagd om [appellante] in haar proceskosten in de procedure bij de pachtkamer in Zaanstad te veroordelen. De Stichting is echter zelf niet in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van deze pachtkamer. Dat was wel nodig als zij een verandering wilde van de beslissing (het dictum) van de pachtkamer in Zaanstad. Onder de proceskosten in hoger beroep van de Stichting vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [1] Wettelijke rente over deze proceskosten is niet gevorderd.
3.11.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Noord-Holland in Zaanstad van 31 oktober 2024;
4.2.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van de Stichting:
€ 798 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van de Stichting (2 procespunten x het toepasselijke tarief II à € 1.290);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen;
4.4.
bepaalt dat tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, S.C.P. Giesen en J.U.M. van der Werff en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en B.Th.W. Lamers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.