ECLI:NL:GHARL:2026:159

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.345.206/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake gebreken aan nieuwbouwwoning en aansprakelijkheid aannemer

In deze zaak hebben [appellanten], eigenaren van een nieuwbouwwoning, hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, waarin hun vorderingen tegen de aannemer Van Wijnen en de notaris [geïntimeerde] werden behandeld. De zaak betreft gebreken aan de nieuwbouwwoning, waaronder problemen met de mechanische afzuiging, de warmtepomp, en de plaatsing van zonnepanelen. De appellanten vorderen herstel van deze gebreken en schadevergoeding. De kantonrechter had de vorderingen tegen Van Wijnen grotendeels toegewezen, maar de vordering tegen de notaris afgewezen. In hoger beroep hebben de appellanten hun eis gewijzigd en vorderen zij onder andere dat de notaris wordt veroordeeld tot het vastleggen van de rechten met betrekking tot de zonnepanelen. Het hof heeft geoordeeld dat de vordering tegen de notaris niet toewijsbaar is, omdat er geen bewijs is dat de notaris op de hoogte was van de gebreken. De vordering tegen Van Wijnen is gedeeltelijk toegewezen, waarbij het hof heeft geoordeeld dat Van Wijnen verantwoordelijk is voor het herstel van de warmtepomp en enkele andere gebreken. Het hof heeft Van Wijnen ook veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.345.206/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 10338930)
arrest van 13 januari 2026
in de zaak van

1.[appellant1] ,

2. [appellant2],
die wonen in [woonplaats1] ,
die hoger beroep hebben ingesteld,
en bij de kantonrechter optraden als eisers,
hierna samen:
[appellanten]en ieder afzonderlijk
[appellant1]en
[appellant2],
advocaat: mr. L. Pander,
tegen

1.Van Wijnen Deventer B.V.,

die is gevestigd in Deventer,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
en die bij de kantonrechter niet is verschenen,
hierna:
Van Wijnen,
advocaat: mr. M.W. IJzerman,

2.[geïntimeerde] ,

die woont in [woonplaats2] ,
die bij de kantonrechter optrad als verweerder,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. C. Borstlap.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 2 mei 2023 tussen partijen heeft gewezen. Van Wijnen heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de appeldagvaardingen van 31 juli 2023 en 1 augustus 2023;
  • de memorie van grieven (met wijziging van eis);
  • de memorie van antwoord, van de zijde van [geïntimeerde] ;
  • de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, van de zijde van Van Wijnen;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel;
  • de akte uitlaten en overleggen productie, van de zijde van Van Wijnen;
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling van 4 november 2025, en de reactie daarop van mr. IJzerman van 2 december 2025.
1.2.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Deze zaak gaat over gebreken aan een nieuwbouwwoning. Volgens de eigenaren van de woning ( [appellanten] ) is er sprake van diverse gebreken. Zij willen dat de aannemer (Van Wijnen) de gebreken herstelt of dat de aannemer schadevergoeding betaalt. De notaris die betrokken was bij de levering van de bouwkavel ( [geïntimeerde] ), is ook in de procedure betrokken.
2.2.
[appellanten] hebben bij de kantonrechter gevorderd om Van Wijnen te veroordelen tot herstel dan wel tot betaling van schadevergoeding. Verder hebben zij – voor het geval hun vordering tegen Van Wijnen die ziet op de zonnepanelen, zou worden afgewezen – verlangd dat [geïntimeerde] (de notaris) veroordeeld wordt tot betaling van € 2.500 aan schadevergoeding.
2.3.
Van Wijnen is niet in de procedure bij de kantonrechter verschenen en er is om die reden tegen haar verstek verleend. De kantonrechter heeft op 2 mei 2023 de vorderingen tegen Van Wijnen toegewezen. De voorwaarde waaronder de vordering tegen [geïntimeerde] was ingesteld, was niet vervuld; aan beoordeling van die vordering werd dus niet toegekomen.
2.4.
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld en daarbij hebben zij hun eis gewijzigd. Zij vorderen dat [geïntimeerde] veroordeeld wordt om de rechten ten aanzien van de zonnepanelen juist vast te leggen dan wel om schadevergoeding te betalen. [appellanten] vorderen dat Van Wijnen ten aanzien van drie gebreken veroordeeld wordt tot herstel; subsidiair vorderen zij daarbij betaling van schadevergoeding. Voor wat betreft twaalf andere gebreken vorderen zij primair schadevergoeding en subsidiair herstel. Van Wijnen heeft ook hoger beroep ingesteld. Van Wijnen wil dat de vorderingen alsnog volledig worden afgewezen.
2.5.
Het hof zal de vordering tegen [geïntimeerde] afwijzen. De vordering tegen Van Wijnen zal gedeeltelijk worden toegewezen. Het hof zal dit oordeel hierna toelichten. Daarbij wordt eerst een kort overzicht gegeven van de feiten.

3.De feiten

3.1.
[appellanten] kochten [In] 2019 een bouwkavel van BPD Ontwikkeling B.V. (hierna: BPD). Het betreft de kavel nr. [nummer1] aan [adres] te [woonplaats1] . Op diezelfde dag sloten [appellanten] met Van Wijnen een aannemingsovereenkomst.
3.2.
De aannemingsovereenkomst vermeldt onder ‘I’ dat [appellanten] aan Van Wijnen opdracht geven om op de bouwkavel een woning te bouwen, dit conform de technische omschrijving en de tekeningen die onderdeel zijn van de overeenkomst.
3.3.
De technische omschrijving die deel is van de aannemingsovereenkomst, vermeldt onder meer:

Dakconstructie
Het hellende dak van de woning bestaat uit een geïsoleerde dakconstructie met knieschotten. Op deze dakconstructie worden keramische dakpannen aangebracht. (…)
(…)
PV-installatie
Uw woning is uitstekend geïsoleerd. Om aan de energieprestatie-eisen van het Bouwbesluit te voldoen is het noodzakelijk om standaard zonnepanelen te plaatsen. (…) De exacte oriëntatie en daarmee het aantal zonnepanelen verschilt per woning. De aangegeven zone voor het aantal zonnepanelen op de daken is ter indicatie. Het is dus mogelijk dat zonnepanelen, behorende bij jouw woning, op een ander dak dan het eigen dak gelegd worden.”
3.4.
In de tekeningen die onderdeel zijn van de aannemingsovereenkomst, staat onder meer de volgende tekening:
3.5.
[In] 2019 heeft BPD de bouwkavel aan [appellanten] geleverd. Het passeren van de leveringsakte vond plaats ten overstaan van [geïntimeerde] , notaris te [woonplaats1] . De akte vermeldt dat een erfdienstbaarheid is gevestigd tot het dulden van zonnepanelen van de aangrenzende woningen.
3.6.
Eind oktober 2019 is Van Wijnen gestart met de bouw van de woning.
3.7.
Tussen [appellanten] en Van Wijnen is discussie ontstaan over de zonnepanelen. De rechtsbijstandsverzekeraar van [appellanten] (DAS) heeft hierover (onder meer) op 6 maart 2020 een brief gestuurd aan Van Wijnen. In de brief stellen [appellanten] zich op het standpunt dat de panelen ‘in’ het dak worden geplaatst en dat de panelen die bedoeld zijn voor de naastgelegen woningen, zo door natrekking eigendom worden van [appellanten] Dat een erfdienstbaarheid is gevestigd voor de zonnepanelen, maakt dit volgens [appellanten] niet anders. [appellanten] hebben Van Wijnen gesommeerd ervoor te zorgen dat hun woning alleen zonnepanelen heeft die aangesloten zijn op de eigen elektrische installatie van de woning.
3.8.
Van Wijnen heeft op 29 april 2020 schriftelijk gereageerd. De brief van Van Wijnen vermeldt als onderwerp “Zonnepanelen kavelnummer [nummer2] ”.
3.9.
[In] 2020 is de woning opgeleverd aan [appellanten] In het proces-verbaal van oplevering staat onder meer:
“Onder protest: zonnepaneel van aangrenzende bouwkavel ligt op het dak van de koper. Dit is vastgelegd in de contracten. Koper is het hier niet mee eens. Verdere refereer ik naar de brief van 29-4-2020 ‘Zonnepanelen kavelnummer [nummer2] ’”
3.10.
Op 14 augustus 2020 hebben [appellanten] per brief aan Van Wijnen bericht dat sprake is van diverse gebreken. [appellanten] hebben Van Wijnen gesommeerd de gebreken uiterlijk 20 september 2020 te herstellen. De brief vermeldt onder meer de volgende gebreken:
“1. (…);
2. Mechanische afzuiging lijkt alleen te werken in de derde stand;
(…);
4. Waterafvoer aan de voorzijde ligt te laag, terugslag tegen de gevel;
(…);
6. Betimmering trappengat naar zolder zit een ruime spleet die vol gekit is, deze kit begint te barsten en laat los;
(…);
8. Extra lichtpunt en schakelaar op zolder verkeerd aangesloten, door cliënten zelf opgelost, maar bij het meerwerk wel meer voor betaald (s.v.p. restitutie);
(…);
12. Warmtepomp maakt bij hogere toerentallen veel lawaai, volgens cliënten vergelijkbaar met een helikopter die over vliegt;
(…);
15. Plank poort was losgelaten en nu vast gezet met een schroef, dit wijkt af van de rest en de plank is gescheurd;
(…);
17. Bel blijft hangen, daardoor al tweemaal het relais stroomloos gemaakt;
18. Achterdeur sluit moeizaam;
(…);
20. Zonnepaneel/PV-paneel van de buren op dak van cliënten gemonteerd;
21. Afwijking vloerverwarming van revisietekeningen;
22. Verwarming (los element) veroorzaakt kortsluiting; en
23. Hemelwaterafvoer bij de buren ontbreekt, daardoor overbelasting infiltratie krat woning cliënten.”
3.11.
Een jaar later, in september 2021, heeft DAS – de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellanten] – opdracht gegeven aan EMN om onderzoek te doen naar de gebreken. Van Wijnen was uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn, maar zij heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Het onderzoek van EMN vond plaats op 7 oktober 2021. EMN heeft haar bevindingen vastgelegd in een eindrapport van 1 december 2021. Nadat [appellanten] in deze procedure hoger beroep hadden ingesteld, heeft EMN de schadebedragen die in het rapport zijn vermeld nog geactualiseerd.

4.Het oordeel van het hof

Het verslag van de zitting
4.1.
Mr. IJzerman heeft in zijn brief van 2 december 2025 twee opmerkingen gemaakt bij het proces-verbaal van de zitting van 4 november 2025. Het gaat, naar het hof begrijpt, op beide punten om een verduidelijking van wat mr. IJzerman op de zitting namens Van Wijnen naar voren heeft gebracht. Het hof zal het verzoek tot aanvulling van het proces-verbaal toewijzen in die zin dat de brief wordt toegevoegd aan het dossier. Daarbij tekent het hof aan dat de opmerkingen van mr. IJzerman op de zitting, niet anders begrepen zijn dan dat hij blijkens zijn brief bedoeld heeft.
De vordering tegen [geïntimeerde] (de notaris)
4.2.
Volgens [appellanten] heeft [geïntimeerde] als notaris een beroepsfout gemaakt. [appellanten] menen dat [geïntimeerde] wist of behoorde te weten dat de woning voorzien zou worden van ‘indak’ zonnepanelen en niet van ‘opdak’ zonnepanelen. Bij indak-panelen worden de panelen, aldus [appellanten] , door natrekking eigendom van de woningeigenaar. [geïntimeerde] heeft in de notariële akten voor de zonnepanelen een erfdienstbaarheid opgenomen, maar zo’n erfdienstbaarheid is – aldus [appellanten] – alleen passend in geval van opdak-panelen. [appellanten] vorderen, kort gezegd, dat [geïntimeerde] veroordeeld wordt tot vestiging van een zakelijk recht ter doorbreking van de natrekking en tot vestiging van een zakelijk recht strekkende tot het dulden van de zonnepanelen die behoren bij de naastgelegen woningen. Subsidiair vorderen zij dat [geïntimeerde] veroordeeld wordt tot betaling van schadevergoeding van € 3.800, vermeerderd met rente.
4.3.
[geïntimeerde] betoogt dat uit de informatie die destijds voor hem beschikbaar was, bleek dat de woning voorzien zou worden van opdak-panelen. Hij wijst daarbij onder meer op de koopovereenkomst en de aannemingsovereenkomst met de daarbij behorende stukken. Volgens [geïntimeerde] mocht hij er destijds dan ook van uitgaan dat volstaan kon worden met het vestigen van een erfdienstbaarheid. De bouw van de woning is pas na het passeren van de leveringsakte gestart. Dat er bij die bouw uiteindelijk geen opdak-panelen maar indak-panelen zijn geplaatst, kan hem niet worden tegengeworpen, aldus [geïntimeerde] .
4.4.
Het hof zal de vordering tegen [geïntimeerde] afwijzen. Er is geen grond om aan te nemen dat [geïntimeerde] ten tijde van het passeren van de leveringsakte wist of behoorde te weten dat indak-panelen zouden worden geplaatst. [geïntimeerde] wijst er terecht op dat volgens de overeenkomsten en de bijbehorende omschrijvingen en tekeningen, gebruik werd gemaakt van opdak-panelen (zie ook hierboven, onder 3.3 en 3.4). [appellanten] hebben ook niet gesteld, of in elk geval niet voldoende duidelijk en gemotiveerd, dat zij vóór het passeren van de leveringsakte aan [geïntimeerde] gemeld hebben dat indak-panelen geplaatst zouden worden. [appellanten] hebben wel betoogd dat enkele woningen uit het bouwproject al gereed waren en dat dus ter plaatse zichtbaar was dat de woningen voorzien werden van indak-panelen. Ook verklaren zij dat een collega van [geïntimeerde] een van die woningen gekocht had. [appellanten] merken op dat die collega naar aanleiding van vragen die zij hadden over de plaatsing van zonnepanelen, ook betrokken is bij het gesprek tussen [geïntimeerde] en [appellanten] dat voor aan het passeren van de leveringsakte plaatsvond. Het hof is van oordeel dat ook uit deze feiten en omstandigheden niet volgt dat [geïntimeerde] wist of behoorde te weten dat indak-panelen zouden worden geplaatst. Evenmin volgt daaruit dat de notaris op dat punt nader onderzoek had moeten doen. Uit de verklaringen van [appellanten] blijkt namelijk dat de vragen die zij voorafgaand aan het passeren van de akte gesteld hebben, zagen op de plaatsing van zonnepanelen (of een gedeelte daarvan) op het dak van naastgelegen woningen, niet op het type zonnepaneel (opdak of indak). Niet is in te zien dat [geïntimeerde] , ondanks de vermeldingen in de contractdocumentatie, rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat er gekozen zou worden voor plaatsing van indak-panelen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] voor de situatie dat sprake was van opdak-panelen, mocht volstaan met het opnemen van de erfdienstbaarheid. Dit betekent dat zowel de primaire vordering als de subsidiaire vordering die tegen [geïntimeerde] is ingesteld, niet toewijsbaar is. Het hoger beroep van [appellanten] in het geding tegen [geïntimeerde] zal dan ook worden verworpen.
De vordering tegen Van Wijnen
4.5.
De vordering tegen Van Wijnen is door de kantonrechter vrijwel geheel toegewezen. [appellanten] hebben toch hoger beroep ingesteld, en daarbij hebben zij hun eis gewijzigd. In hoger beroep vorderen zij dat Van Wijnen ten aanzien van vijftien gebreken veroordeeld wordt tot herstel dan wel tot betaling van schadevergoeding (vorderingen a t/m o). Verder vorderen zij vergoeding van kosten voor vaststelling van aansprakelijkheid en begroting van de schade (vordering p) en vergoeding van buitengerechtelijke kosten (vordering q). Van Wijnen heeft incidenteel hoger beroep ingesteld; zij wil dat de vorderingen van [appellanten] alsnog volledig worden afgewezen. Het hof zal het hoger beroep van [appellanten] en het hoger beroep van Van Wijnen hierna gezamenlijk bespreken, en wel per afzonderlijke post.
(a) mechanische afzuiging
4.6.
[appellanten] vorderen vergoeding van € 500 vanwege een defect in de mechanische afzuiging. Volgens [appellanten] werkt de afzuiging alleen in de derde stand en is dit een gebrek dat hersteld moet worden onder de garantie. Het hof zal deze vordering toewijzen. [appellanten] hebben op 14 augustus 2020, dus enkele maanden na de oplevering, al verzocht dit gebrek te herstellen (zie hierboven, onder 3.10). Van Wijnen zelf verklaart in dit verband dat op grond van artikel 15 lid 1 van de algemene voorwaarden een onderhoudsperiode van zes maanden geldt en dat de aannemer aansprakelijk is voor de “daarin aan de dag getreden tekortkomingen”. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende duidelijk dat Van Wijnen op grond van de door haar genoemde garantie verplicht is het gebrek te herstellen. Het betoog van Van Wijnen dat het gebrek bij oplevering ontdekt had moeten worden, is tevergeefs. Ten eerste heeft Van Wijnen niet voldoende toegelicht dat dit een gebrek is dat dusdanig duidelijk waarneembaar is dat dit bij oplevering redelijkerwijs ontdekt had moeten worden. Ten tweede leggen [appellanten] niet (of in elk geval niet alleen) aan de vordering ten grondslag dat de woning ten tijde van de oplevering niet voldeed; zij beroepen zich (ook) op de garantie. Daarbij wordt opgemerkt dat Van Wijnen zelf betoogt dat de afzuiging ten tijde van de oplevering kennelijk goed functioneerde.
4.7.
[appellanten] hebben het gebrek en de omvang van de schade voldoende aangetoond. De deskundige van EMN vermeldt in zijn rapport dat de afzuiging alleen werkt in de derde stand en dat de eerste twee standen niet werken. Er moet volgens de deskundige rekening worden gehouden met een kostenpost van € 500 (prijspeil augustus 2024: € 585). Dat de schade begroot dient te worden op € 500 is daarmee voldoende aangetoond. Daarbij merkt het hof op dat [appellanten] ruimschoots gelegenheid heeft gegeven het gebrek te herstellen en dat Van Wijnen ook is uitgenodigd om bij het deskundigenonderzoek aanwezig te zijn. Het hof zal daarom het betoog van Van Wijnen dat het gebrek ook tegen lagere kosten verholpen kan worden, passeren, mede gelet op de onvoldoende toelichting en onderbouwing op dit punt.
(b) waterafvoer voorzijde woning
4.8.
[appellanten] vorderen vergoeding van € 200 vanwege een gebrek aan de waterafvoer aan de voorzijde van de woning. Volgens [appellanten] is de ‘molgoot’ aan de voorzijde te laag, dit met het gevolg dat het regenwater niet goed wegstroomt richting de openbare weg. Het hof zal deze vordering afwijzen. Van Wijnen merkt terecht op dat als dit gestelde gebrek op de opleverdatum al aanwezig was, toen redelijkerwijs ontdekt had moeten worden (zie artikel 7:758 lid 3 BW). [1] Het had in dat geval dus op de weg van [appellanten] gelegen daar bij de oplevering melding van te maken. Verder wijst Van Wijnen er terecht op dat voor zover de molgoot pas na de oplevering verzakt is, dit een omstandigheid is die op grond van de overeenkomst en de wet voor rekening komt van [appellanten] (vgl. artikel 7:758 lid 2 BW).
(c) warmtepomp
4.9.
[appellanten] vorderen dat Van Wijnen veroordeeld wordt tot herstel van het gebrek aan de warmtepomp zoals dat is omschreven in het rapport van EMN. Dit rapport vermeldt:
4.10.
Het hof zal de vordering toewijzen. Kort na oplevering hebben [appellanten] al gemeld dat de warmtepomp niet deugdelijk is. De brief van 14 augustus 2020 vermeldt hierover dat de warmtepomp bij hogere toerentallen veel lawaai maakt, vergelijkbaar met het lawaai van een overvliegende helikopter (zie hierboven, onder 3.10). EMN vermeldt in haar rapport van 1 december 2021 dat de warmtepomp inmiddels negen keer gerepareerd zou zijn, en dat – kennelijk omdat het onderzoek van EMN plaatsvond in het najaar – niet duidelijk is of die reparatiepogingen succesvol zijn geweest. Verder wordt gemeld dat [appellanten] de instructie hebben gekregen om “[b]ij sneeuw (…) een elektrische kachel op een kruk te plaatsen voor het rooster.” De deskundige merkt op dat een dergelijke maatregel niet nodig dient te zijn. [appellanten] hebben zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het bedoelde gebrek aan de warmtepomp nog steeds niet verholpen is. Op de zitting bij het hof van 4 november 2025 hebben [appellanten] verklaard dat ook nu – ruim vijf en een half jaar na oplevering – de warmtepomp nog niet goed werkt en dat zij daardoor maar beperkt beschikking hebben over warm water en over verwarming voor de woning.
4.11.
Van Wijnen meent dat de vordering alleen ziet op een probleem ‘betreffende het geluid’ van de warmtepomp. Volgens Van Wijnen blijkt uit het rapport van EMN dat er in oktober 2021 geen sprake meer was van ‘lawaai’ en dat het gebrek dus al niet meer bestond. Het hof verwerpt dat betoog. De klacht en de vordering van [appellanten] kunnen in redelijkheid niet anders begrepen worden dan dat de warmtepomp gebrekkig is en dat dit onder meer blijkt uit het lawaai dat de warmtepomp bij hogere toerentallen maakt. [appellanten] wijzen in dit verband immers ook op de instructie die hen gegeven is om ‘bij sneeuw een elektrische kachel op een kruk te plaatsen voor het rooster’. De deskundige van EMN merkt daarover op dat een dergelijke maatregel niet nodig dient te zijn en dat dus sprake is van een gebrek dat hersteld moet worden. Het hof stelt vast dat Van Wijnen een en ander niet voldoende gemotiveerd betwist heeft. Van Wijnen heeft ook niet weersproken dat op 1 december 2021 al
negenreparaties (of pogingen daartoe) waren uitgevoerd. Niet blijkt dat Van Wijnen na die datum nog enige poging tot herstel heeft ondernomen. Dat – zoals Van Wijnen meent – de gebreken die de warmtepomp op dit moment heeft ándere gebreken zijn dan die welke ten grondslag liggen aan de genoemde klachten over het lawaai en over de noodzaak tot het gebruik van een elektrische kachel, valt zonder een verdere toelichting op dat punt van de zijde van Van Wijnen, niet in te zien. [appellanten] hebben voldoende duidelijk gemaakt dat de warmtepomp tot op heden niet goed functioneert, en ook waaruit dat blijkt. Het ligt op de weg van Van Wijnen om de achterliggende technische oorzaak te achterhalen en om ervoor te zorgen dat [appellanten] alsnog de beschikking krijgen over een naar behoren functionerende warmtepomp. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de warmtepomp al kort na oplevering gebreken vertoonde en dat die gebreken tot op de dag van vandaag niet verholpen zijn.
4.12.
Overigens wijst Van Wijnen er terecht op dat niet is in te zien waarom het herstel noodzakelijkerwijs bestaat uit ‘aanpassing roosterconstructie’. [appellanten] erkennen dat het in beginsel aan Van Wijnen is om vast te stellen hoe de warmtepomp hersteld moet worden. Dit betekent dat het incidentele beroep van Van Wijnen in zoverre slaagt.
4.13.
Het betoog van Van Wijnen dat de vordering tot nakoming (herstel) is omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding, wordt verworpen. [appellanten] hebben in de dagvaarding vermeld dat de vordering tot nakoming wordt omgezet in een vordering tot betaling van schadevergoeding, dit voor zover dat vereist zou zijn voor een veroordeling tot betaling van schadevergoeding (zie par. 40 inleidende dagvaarding). [appellanten] hebben voor wat betreft het gebrek aan de warmtepomp echter uitsluitend herstel gevorderd en geen schadevergoeding, ook niet subsidiair. Ook met de verklaringen van [appellanten] hierover in de memorie van antwoord in incidenteel appel, is – gelet ook op het feit dat [appellanten] en EMN voor dit gebrek geen herstelkosten hebben vermeld – klaarblijkelijk niet bedoeld om de vordering om te zetten in een vordering tot betaling van schadevergoeding.
4.14.
Het hof zal Van Wijnen veroordelen tot herstel van de warmtepomp binnen twee maanden na betekening van dit arrest, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom. Dat het opleggen van een dwangsom onnodig en disproportioneel zou zijn, zoals Van Wijnen betoogt, valt niet in te zien. Immers is duidelijk dat Van Wijnen ruim vijf en een half jaar na de oplevering nog steeds niet het nodige gedaan heeft om de warmtepomp te herstellen. [appellanten] hebben geen bezwaar gemaakt tegen het door de kantonrechter aan de dwangsommen gestelde maximum van € 5.000. Gelet daarop zal ook het hof bepalen dat de dwangsommen tot dat maximum verbeurd kunnen worden.
(d) zonnepanelen
4.15.
[appellanten] hebben de vordering tegen Van Wijnen die ziet op de zonnepanelen, in dit hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering tegen [geïntimeerde] (de notaris) wordt afgewezen. Het hof stelt vast dat aan die voorwaarde voldaan is.
4.16.
Volgens [appellanten] hebben zij er nooit mee ingestemd dat de woning voorzien werd van indak-zonnepanelen waarbij één van die panelen aangesloten is op de PV-installatie van de buren. [appellanten] wijzen erop dat de zonnepanelen wel op die wijze zijn aangelegd, en volgens hen is Van Wijnen daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
4.17.
Het hof zal deze vordering gedeeltelijk toewijzen. [appellanten] hebben voldoende aangetoond dat Van Wijnen, door indak-panelen te plaatsen en daarbij één van die panelen aan te sluiten op de PV-installatie van de naastgelegen woning, niet voldaan heeft aan haar contractuele verplichtingen. [appellanten] wijzen er terecht op dat volgens de schriftelijke aannemingsovereenkomst, de woning voorzien zou worden van
opdak-panelen. Zo staat in de technische omschrijving dat het dak voorzien wordt van keramische dakpannen, en dat de zonnepanelen ‘op’ het dak worden geplaatst (zie hierboven, onder 3.3). En op de tekeningen is te zien dat de panelen
opde dakpannen komen te liggen (zie hierboven, onder 3.4). [appellanten] wijzen er terecht op dat ook de notaris zodoende is uitgegaan van opdak-panelen, en dat de notaris om die reden in de notariële akte voor de zonnepanelen een erfdienstbaarheid heeft opgenomen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat bij plaatsing van opdak-panelen een erfdienstbaarheid passend was, dit omdat de panelen in dat geval geen onderdeel zouden zijn van de eigendom van de woning. Reden daarvoor is, naar het hof begrijpt, dat de panelen voor het huizenblok in een aaneengesloten ‘vak’ midden op dat huizenblok zouden worden gelegd en dat zichtbaar zou zijn dat de panelen niet parallel liepen met de grenzen tussen de woningen. Tussen partijen staat verder niet ter discussie dat de gevestigde erfdienstbaarheid in geval van indak-panelen nutteloos is, dit omdat de panelen in dat geval behoren bij de eigendom van de woning waarin de panelen zijn aangebracht.
4.18.
[appellanten] hebben ermee ingestemd dat de woning, in afwijking van de schriftelijke overeenkomst, voorzien werd van indak-panelen. Volgens [appellanten] hebben zij daarbij echter duidelijk gemaakt dat zij er níet mee instemden dat hun woning voorzien werd van een of meer indak-panelen die aangesloten zouden worden op de PV-installatie van de buren. Dit laatste is niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken. Dat [appellanten] zich op enig moment onvoorwaardelijk verbonden hebben aan plaatsing van indak-panelen, kan niet worden aangenomen, ook al omdat Van Wijnen [appellanten] destijds kennelijk niet of niet afdoende gewezen heeft op het (mogelijke) juridisch gevolg van het gebruik van de indak-panelen. Dat laatste had, gelet op het verschil aan kennis en ervaring van contractspartijen en gezien ook het feit dat [appellanten] al vragen hadden gesteld over de plaatsing van de zonnepanelen, wel op haar weg gelegen. Anders dan Van Wijnen in deze procedure betoogt, behoefden [appellanten] op grond van de schriftelijke overeenkomst ook geen genoegen te nemen met de indak-panelen. In de schriftelijke overeenkomst is immers vastgelegd dat [appellanten] moeten dulden dat op hun dak een
opdak-zonnepaneel wordt geplaatst dat eigendom is van de buren en dat ook is aangesloten op de PV-installatie van de buren. Van Wijnen kon tegenover [appellanten] dan ook slechts volstaan met plaatsing van indak-panelen, als daarbij voldaan werd aan de door [appellanten] genoemde voorwaarde, te weten dat geen indak-paneel werd geplaatst dat aangesloten werd op de PV-installatie van de buren. Duidelijk is dat Van Wijnen niet aan die voorwaarde voldaan heeft. Van Wijnen is in zoverre dan ook tekortgeschoten is in de nakoming van haar contractuele verplichtingen. Het genoemde bezwaar van [appellanten] is voorafgaand aan de oplevering al duidelijk per brief aan Van Wijnen kenbaar gemaakt (zie hierboven, onder 3.7 en 3.8). Het bezwaar is bij oplevering, onder verwijzing naar de gevoerde correspondentie, uitdrukkelijk gehandhaafd (zie hierboven, onder 3.8 en 3.9). De op 14 augustus 2020 aan Van Wijnen verzonden sommatie tot nakoming op dit punt, was, gelet op de eerdere correspondentie over dat onderwerp, overigens ook voldoende duidelijk.
4.19.
[appellanten] vorderen dat Van Wijnen, wegens het tekortschieten in de nakoming van haar verplichtingen ten aanzien van de zonnepanelen, veroordeeld wordt tot betaling van een schadevergoeding van € 3.800. Van Wijnen wijst er terecht op dat de schadebegroting van [appellanten] op dit punt een dubbeltelling bevat. EMN vermeldt in haar rapport dat het bezwaar (volledig) weggenomen kan worden door het zonnepaneel dat ligt op het dak van [appellanten] en dat aangesloten is op de PV-installatie van de buren, alsnog aan te sluiten op de PV-installatie van [appellanten] Het verlies aan opbrengsten dat hierdoor bij de buren ontstaat, kan gecompenseerd worden uit de extra opbrengsten die [appellanten] dan genereren, aldus EMN. De kosten van deze oplossing zijn door EMN begroot op € 500. Het hof zal dit schadebedrag toewijzen. De door [appellanten] gevorderde vergoeding voor plaatsing van een dummy-paneel (€ 800) en de vergoeding voor plaatsing van twee extra panelen bij de buren (€ 1.000 en € 1.500) acht het hof niet toewijsbaar.
(e) voordeur
4.20.
[appellanten] vorderen vergoeding van schade vanwege het feit dat bij hevige regenval regenwater over de onderdorpel van de voordeur stroomt (€ 500). Deze vordering zal worden afgewezen. Van Wijnen merkt terecht op dat uit het rapport van EMN volgt dat dit probleem verholpen is als de molgoot hersteld is. Dit laatste is door [appellanten] ook niet weersproken. Het benodigde herstel van de molgoot komt voor rekening en risico van [appellanten] zelf (zie hierboven, onder 4.8).
(f) hemelwaterafvoer buren
4.21.
[appellanten] stellen dat het infiltratiekrat overbelast is als gevolg van het feit dat er bij de buren een hemelwaterafvoer ontbreekt (aan de achterzijde van de woning). Volgens EMN bedragen de kosten van aanleg van een extra hemelwaterafvoer bij de buren € 1.000. [appellanten] vorderen dat bedrag vergoed wordt. Het hof zal deze vordering afwijzen. Van Wijnen wijst erop dat aan de achterzijde van de tussenwoning van [appellanten] , aan de beide zijden een hemelwaterafvoer is geplaatst. [appellanten] hebben, gelet op die omstandigheid, niet voldoende toegelicht en onderbouwd dat en op welke grond het ontbreken van een (extra) hemelwaterafvoer bij de naastgelegen woning, een tekortkoming oplevert in de nakoming van de contractuele verplichtingen van Van Wijnen
jegens [appellanten]Van Wijnen wijst er bovendien op dat bij de oplevering zichtbaar was dat de naastgelegen woning niet beschikte over een (extra) hemelwaterafvoer. Voor zover er al sprake zou zijn van een gebrek, had dit gebrek dus bij de oplevering gemeld dienen te worden.
(g) vloerverwarming
4.22.
[appellanten] vorderen dat Van Wijnen veroordeeld wordt een gecorrigeerde tekening te verstrekken van de aangelegde vloerverwarming. Van Wijnen betwist dat zij verplicht is een aangepaste tekening dient te verstrekken, en zij meent dat [appellanten] ook geen belang hebben bij verstrekking van een gecorrigeerde tekening. Het hof stelt vast dat een en ander door [appellanten] niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken is. [appellanten] hebben ook niet voldoende duidelijk gemaakt op grond waarvan zij aanspraak zou kunnen maken op verstrekking van aangepaste tekeningen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
(h) betimmering trapgat
4.23.
[appellanten] vorderen vergoeding van schade wegens een gebrekkige aftimmering van het trapgat (€ 700). Het rapport van EMN vermeldt hierover dat het gaat om een multiplex paneel dat te strak gemonteerd is en dat daardoor bol is gaan staan (ca. 12 mm). [appellanten] hebben in hoger beroep als productie 45 nog een foto overgelegd van het bedoelde gebrek. Het hof zal deze vordering toewijzen. Het betoog van Van Wijnen dat een ‘te strak gemonteerd paneel’ bij oplevering opgemerkt had moeten worden, is zonder nadere toelichting en onderbouwing niet te begrijpen. Dat betoog wordt dan ook verworpen. Dat een bolling van 12mm in de aftimmering van het trapgat, een gebruikelijke of een door de opdrachtgever te accepteren ‘werking’ is (vergelijkbaar met bijvoorbeeld krimpscheuren) valt niet in te zien. Anders dan Van Wijnen kennelijk meent, is op dit punt geen sprake van goed en deugdelijk werk. Het betreft een gebrek dat kort na de oplevering al aan Van Wijnen gemeld is (zie hierboven, onder 3.10). [appellanten] heeft het gebrek en de omvang van de schade met het rapport van EMN ook voldoende aangetoond en onderbouwd.
(i) lichtpunt en schakelaar
4.24.
Volgens [appellanten] hebben zij als meerwerkoptie op zolder een extra lichtpunt en schakelaar laten plaatsen, dit tegen betaling van € 580. Het lichtpunt en de schakelaar waren, aldus [appellanten] , echter verkeerd aangesloten. [appellanten] vorderen dat Van Wijnen vanwege deze tekortkoming veroordeeld wordt tot betaling van € 580. Het hof zal deze vordering afwijzen. Van Wijnen wijst er terecht op dat [appellanten] in de brief van 14 augustus 2020 vermelden dat zij het genoemde gebrek zelf hebben opgelost (zie hierboven, onder 3.10). Volgens Van Wijnen hebben [appellanten] niet eerst aan Van Wijnen gelegenheid gegeven om dit gebrek te herstellen. Dit laatste is door [appellanten] niet weersproken. Het hof gaat er dan ook van uit dat Van Wijnen op dit punt niet in verzuim is gekomen. Daar komt bij dat [appellanten] niet hebben toegelicht en onderbouwd dat voor het zelf oplossen van het gebrek kosten zijn gemaakt. Evenmin blijkt wat de hoogte van die kosten zou zijn. Gelet daarop kan niet worden aangenomen dat [appellanten] schade hebben geleden die hier voor vergoeding in aanmerking komt.
(j) schuttingdeur
4.25.
[appellanten] vorderen vergoeding van € 200 wegens een gebrek aan de schuttingdeur. Volgens [appellanten] heeft een plank van de houten schuttingdeur losgelaten; zij zouden de plank vervolgens zelf hebben vastgezet met een schroef. Dat zou niet fraai zijn, de schroef zou ook gebroken zijn en de plank zou gescheurd zijn. Het hof zal deze vordering afwijzen. Van Wijnen wijst er terecht op dat een zekere ‘werking’ eigen is aan het gebruikte materiaal (hout). Uit het rapport van EMN en de daarin opgenomen foto blijkt bovendien niet dat sprake is van een ernstige scheur in de bedoelde plank. Er is gelet daarop geen grond om aan te nemen dat de schuttingdeur op het moment van oplevering niet voldeed aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden.
(k) deurbel
4.26.
[appellanten] vorderen schadevergoeding wegens een gebrek aan de deurbel. Volgens [appellanten] is de bel twee keer ‘blijven hangen’, dit totdat de bel werd uitgeschakeld. [appellanten] vorderen vergoeding van € 200 voor vervanging van de drukknop. Het hof zal deze vordering afwijzen. Van Wijnen wijst er terecht op dat het enkele feit de bel kort na oplevering enkele keren is blijven hangen, nog niet betekent dat de bel gebrekkig is. Volgens Van Wijnen kan het blijven hangen veroorzaakt zijn door te hard of te lang ingedrukt houden van de bel, en is de bel in alle overige gevallen kennelijk zonder problemen gebruikt. Dit laatste is niet voldoende gemotiveerd weersproken. Er is dan ook geen grond om aan te nemen dat sprake is van een tekortkoming van Van Wijnen.
(l) achterpui
4.27.
Volgens [appellanten] is de achterpui ondeugdelijk. De achterdeur sluit nog steeds moeizaam, ondanks dat Van Wijnen de deur al diverse malen heeft bijgesteld. Het stelmechanisme van de deur is al tot het uiterste gesteld. Verder is bij de achterdeur sprake van tocht en is een lasnaad van het kunststof kozijn opengebarsten. EMN heeft in haar rapport geconcludeerd dat de pui vervangen moet worden. Volgens EMN bedragen de kosten daarvan € 4.000. [appellanten] vorderen dat Van Wijnen dat bedrag aan hen vergoedt.
4.28.
Het hof zal deze vordering toewijzen. Ten eerste merkt het hof op dat er geen grond is om aan te nemen dat het gebrek al bij de oplevering kenbaar was. [appellanten] heeft het gebrek al wel kort na oplevering gemeld (zie hierboven, onder 3.10). Van schending van de klachtplicht is, anders dan Van Wijnen meent, dus geen sprake. Van Wijnen heeft ook niet weersproken dat zij al meerdere malen bij [appellanten] langs is geweest om de deur bij te stellen. Anders dan Van Wijnen kennelijk meent, kan zij dan ook niet volstaan met het zonder nadere motivering betwisten van het gebrek. De algemene en niet nader toegelichte suggesties die Van Wijnen in dit verband doet, zijn in dit verband onvoldoende. Als Van Wijnen meent dat van een gebrek geen sprake is of dat ander herstel passend is, dan ligt het ook op haar weg om dat standpunt nader toe te lichten. Dat Van Wijnen daartoe niet in de gelegenheid zou zijn geweest, valt niet in te zien, zeker niet nu Van Wijnen kennelijk diverse malen bij [appellanten] is langs geweest om de achterdeur bij te stellen. Uit het rapport van EMN volgt dat ook de deskundige heeft vastgesteld dat de deur moeizaam sluit, dat de lasnaad van het kozijn is opengebarsten, en dat de pui – als de achterdeur al tot het uiterste gesteld is – vervangen dient te worden. [appellanten] hebben daarmee het gebrek – te weten de ondeugdelijkheid van de achterpui – en de omvang van de schade voldoende toegelicht, onderbouwd en aangetoond.
4.29.
Er is, anders dan Van Wijnen meent, geen grond om aan te nemen dat sprake is van schuldeisersverzuim. Uit de door Van Wijnen overgelegde e-mails (productie 1 in hoger beroep) kan worden afgeleid dat Van Wijnen aan de leverancier van de deur (Transcarbo) gemeld heeft dat een lasnaad bij de kozijnen gescheurd was, en dat de leverancier daarop tweemaal per e-mail aan [appellant1] verzocht heeft om daarvan enkele foto’s toe te mailen. Volgens Van Wijnen hebben [appellanten] niet aan dat verzoek voldaan. Een en ander acht het hof echter onvoldoende voor het aannemen van schuldeisersverzuim. Het had op de weg van Van Wijnen (of Transcarbo) gelegen om, bij uitblijven van een reactie op de e-mails, daarover bijvoorbeeld ook telefonisch contact met [appellanten] op te nemen. Overigens hebben [appellanten] ter zitting verklaard dat zij naar hun weten nooit hun medewerking geweigerd hebben, en dat zij er ook alle belang bij hadden om mee te werken aan het herstel van de bedoelde gebreken.
(m) radiator badkamer
4.30.
Volgens [appellanten] heeft de radiator in de badkamer nooit gewerkt en veroorzaakt deze radiator kortsluiting. De radiator is bovendien niet voldoende gefixeerd aan de wand, aldus [appellanten] De deskundige heeft de kosten van herstel begroot op € 800. [appellanten] vorderen dat Van Wijnen dit bedrag vergoedt. Het hof zal deze vordering toewijzen. [appellanten] hebben op 14 augustus 2020 al aan Van Wijnen gemeld dat de radiator kortsluiting veroorzaakt (zie hierboven, onder 3.10). Dat het gebrek bij de oplevering redelijkerwijs opgemerkt had moeten worden, valt zonder nadere toelichting van de zijde van Van Wijnen niet in te zien. De deskundige heeft kennelijk geen reden gezien om te twijfelen aan de melding van [appellanten] dat de radiator kortsluiting veroorzaakt, en hij heeft de radiator vanwege de bedoelde kortsluiting niet getest. Het hof ziet gelet daarop ook geen grond om aan het gebrek te twijfelen. De enkele stelling van Van Wijnen dat niet blijkt dat sprake is van kortsluiting, acht het hof gelet op het voorgaande onvoldoende. Van Wijnen heeft ruimschoots gelegenheid gehad om de klacht zelf te onderzoeken, en zij is ook uitgenodigd om bij het onderzoek van de deskundige aanwezig te zin. Van die mogelijkheid heeft Van Wijnen geen gebruik gemaakt. Van Wijnen kan onder die omstandigheden niet volstaan met de enkele ongemotiveerde betwisting van het gebrek. Het gebrek en de omvang van de schade zijn met het rapport van EMN voldoende toegelicht, onderbouwd en aangetoond.
(n) dakgoot
4.31.
De vordering wegens lekkage bij de dakgoot aan de voorzijde (€ 1.000) zal worden afgewezen. De stelling van [appellanten] dat sprake is van dergelijke lekkage, is, gelet ook op het verweer van Van Wijnen, niet voldoende toegelicht en onderbouwd. Daarbij merkt het hof op dat gezien de aard van het gebrek en gelet ook op het feit dat er (mogelijk zelf) al een poging tot herstel is ondernomen, niet is in te zien waarom [appellanten] zijn stellingen ten aanzien van het gebrek niet nader had kunnen toelichten en onderbouwen. Van Wijnen wijst er ook terecht op dat de deskundige van EMN het gebrek niet zelf heeft vastgesteld. Verder hebben [appellanten] niet voldoende duidelijk gemaakt dat het gebrek al voor 1 maart 2022 aan Van Wijnen is gemeld. Het hof gaat er dan ook van uit dat het gebrek, zoals Van Wijnen ook meent, in elk geval ook niet tijdig is gemeld.
(o) badkamertegel
4.32.
De vordering tot vergoeding van schade wegens een ‘slecht afgesneden badkamer tegel’ (€ 600) zal worden afgewezen. Van Wijnen wijst er terecht op dat als er op dit punt al sprake is van een gebrek, dit bij de oplevering redelijkerwijs ontdekt had moeten worden. Het gebrek is bij de oplevering niet gemeld. Er blijkt ook niet dat het gebrek korte tijd na de oplevering is gemeld. Dit betekent dat ook als sprake is van een gebrek, dit voor rekening van [appellanten] dient te blijven.
Overige vorderingen
4.33.
Het hof heeft hierboven toegelicht dat de schadevorderingen onder (a), (d), (h), (l) en (m) geheel of gedeeltelijk worden toegewezen. Daarbij merkt het hof op dat voor elk van die punten geldt dat [appellanten] op 14 augustus 2020 Van Wijnen schriftelijk gesommeerd hebben om uiterlijk op 20 augustus 2020 alsnog aan de betreffende verplichting te voldoen (zie hierboven, onder 3.10). Aan die sommatie heeft Van Wijnen geen gehoor gegeven, zodat Van Wijnen op deze punten vanaf 21 augustus 2021 in verzuim verkeerde. [appellanten] hebben verklaard dat zij hun aanspraak ten aanzien van die gebreken, voor zover dat nodig is voor toewijzing van de schadevordering, omzetten in een vordering tot betaling van schadevergoeding (op de voet van artikel 6:87 BW). Dit betekent dat de genoemde schadevorderingen toewijsbaar zijn. De schadevorderingen worden toegewezen tot en bedrag van in totaal € 6.500 (€ 500, € 500, € 700, € 4.000 en € 800). Van Wijnen zal, zoals gevorderd, – en evenals in eerste aanleg – ook veroordeeld worden tot betaling van wettelijke rente over het te betalen schadebedrag vanaf de datum van de inleidende dagvaarding (3 februari 2023).
4.34.
[appellanten] vorderen vergoeding van kosten voor vaststelling van aansprakelijkheid en van begroting van de schade. Het gaat daarbij om de kosten voor het inschakelen van EMN (in totaal € 3.143,19). Van Wijnen betwist dat [appellanten] recht hebben op de verlangde vergoeding. Volgens Van Wijnen zijn de kosten gemaakt door de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellanten] (DAS), en niet door [appellanten] zelf. Van schade of kosten van [appellanten] is geen sprake, aldus Van Wijnen. Een en ander is door [appellanten] niet weersproken. Dit onderdeel van de vordering van [appellanten] zal dan ook worden afgewezen.
4.35.
[appellanten] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 1.115,58. Het gaat, aldus [appellanten] , om kosten die door hun rechtsbijstandverzekering niet gedekt worden. Dit laatste is niet voldoende weersproken. [appellanten] hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en dat het gaat om redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt. [appellanten] vorderen vergoeding overeenkomstig, althans in aansluiting bij, de staffel die hoort bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het hof zal de gevorderde vergoeding conform die staffel en uitgaande van een hoofdsom van € 6.500, toewijzen tot een bedrag van € 700.
Slotsom en kosten
4.36.
Het hof zal het hoger beroep van [appellanten] in het geding tegen [geïntimeerde] verwerpen (zie hierboven, onder 4.2 t/m 4.4). Het hof zal [appellanten] veroordelen in de proceskosten van [geïntimeerde] in het hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [2] Het hof zal, zoals [geïntimeerde] verzocht heeft, bepalen dat de kostenveroordeling ook ten uitvoer kan worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4.37.
In dit hoger beroep zullen de vorderingen van [appellanten] tegen Van Wijnen deels worden toegewezen. Van Wijnen zal veroordeeld worden om de warmtepomp binnen twee maanden te herstellen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom (zie hierboven, onder 4.9 t/m 4.14). De vorderingen tot betaling van vervangende schadevergoeding zullen worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 6.500, te vermeerderen met wettelijke rente (zie hierboven, onder 4.33). Verder zal Van Wijnen veroordeeld worden tot vergoeding van € 700 voor buitengerechtelijke kosten (zie hierboven, onder 4.35). Voor het overige zullen de vorderingen worden afgewezen.
4.38.
Zowel het hoger beroep van [appellanten] als het hoger beroep van Van Wijnen slaagt gedeeltelijk. Omdat de beide beroepen dezelfde geschilpunten betreffen en partijen daarmee in hoger beroep per saldo over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zal het hof de kosten van de beide beroepen compenseren in die zin dat elke partij daarvan de eigen kosten draagt. Omdat het eindresultaat is dat de vordering van [appellanten] voor een aanzienlijk deel wordt toegewezen, zal het hof de in eerste aanleg gegeven proceskostenveroordeling handhaven. Het hof acht die proceskostenveroordeling gelet op het deel van de vordering dat wordt toegewezen ook juist en passend. In aanmerking genomen dat ook [appellanten] (volledige) vernietiging van het bestreden vonnis hebben gevorderd en dat partijen verklaard hebben dat het vonnis in onderling overleg niet is uitgevoerd, zal het hof – omwille van de duidelijkheid – dat vonnis voor wat betreft het geding tussen [appellanten] en Van Wijnen volledig vernietigen om daarna opnieuw op de vorderingen tegen Van Wijnen te beslissen.
4.39.
Het hof zal, voor zover dat gevorderd is, bepalen dat de veroordeling ook ten uitvoer kan worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
Ten aanzien van [geïntimeerde]:
5.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 2 mei 2023 voor zover dat gewezen is in het geding tussen [appellanten] en [geïntimeerde] ;
5.2.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
  • € 349,- aan griffierecht;
  • € 1.716,- aan salaris van de advocaat (2 procespunten x appeltarief I ad € 858,-);
5.3.
bepaalt dat de kosten genoemd onder 5.2 moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; als niet op tijd wordt betaald, worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.4.
verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat in het geding tussen [appellanten] en [geïntimeerde] verder is gevorderd;
Ten aanzien van Van Wijnen:
5.6.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 2 mei 2023 voor zover dat gewezen is in het geding tussen [appellanten] en Van Wijnen, en beslist:
5.7.
veroordeelt Van Wijnen om
binnen twee maandenna betekening van dit arrest de warmtepomp van [appellanten] te herstellen aldus dat deze warmtepomp voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk, dit
op straffe van verbeurte een dwangsom van € 500,- voor elke dag(een deel van een dag daaronder begrepen) dat Van Wijnen in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen,
tot een maximum aan dwangsommen van in totaal € 5.000,-;
5.8.
veroordeelt Van Wijnen tot betaling van € 6.500,-, te vermeerderen met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 februari 2023 tot de dag van volledige betaling;
5.9.
veroordeelt Van Wijnen tot betaling van € 700,- voor buitengerechtelijke kosten;
5.10.
veroordeelt Van Wijnen tot betaling van € 1.225,48 aan proceskosten van [appellanten] tot aan de uitspraak van de kantonrechter;
5.11.
bepaalt dat [appellanten] en Van Wijnen elk de eigen kosten dragen van het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep;
5.12.
verklaart de veroordelingen onder 5.7 tot en met 5.9 uitvoerbaar bij voorraad;
5.13.
wijst af wat in het geding tussen [appellanten] en Van Wijnen verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. A.A.J. Smelt, mr. M. Aksu en mr. L.A. de Vries, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Voetnoten

1.De oplevering vond plaats op 20 mei 2020. Sinds 1 januari 2024 geeft artikel 7:758 BW in lid 4 een afwijkende regel voor aanneming van bouwwerken. Die nieuwe regel is hier niet van toepassing.
2.Zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.